26.1.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 26/35
Hogere voorziening ingesteld op 16 november 2012 door Diadikasia Symvouloi Epicheiriseon AE tegen de beschikking van het Gerecht (Vierde kamer) van 13 september 2012 in zaak T-369/11, Diadikasia Symvouloi Epicheiriseon AE/Europese Commissie, Delegatie van de Europese Unie in Turkije, Central Finance & Contracts Unit (CFCU)
(Zaak C-520/12 P)
2013/C 26/66
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Diadikasia Symvouloi Epicheiriseon AE (vertegenwoordiger: A. Krystallidis, dikigoros)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Delegatie van de Europese Unie in Turkije, Central Finance & Contracts Unit (CFCU)
Conclusies
—
de beschikking waartegen hogere voorziening is ingesteld vernietigen
—
rekwirantes beroep bij het Gerecht ontvankelijk verklaren
—
de zaak aanhouden en vergoeding toekennen van de schade die rekwirante heeft geleden als gevolg van verweersters onwettige besluit van 5 april 2011, uitgevaardigd door de EU-Delegatie in Turkije en door rekwirante ontvangen op 6 april 2011, waarbij de gunning van de opdracht „Uitbreiding van het Europees/Turks netwerk van zakencentra naar Sivas, Antakya, Batman en Van” (Europese steun/128621/D/SER/TR) aan het consortium DIADIKASIA BUSINESS CONSULTANTS S.A. (GR) — WYG INTERNATIONAL LTD (UK) — DELEEUW INTERNATIONAL LTD (TR) — CYBERPARK (TR) is ingetrokken vanwege beweerdelijk valse verklaringen, gelet op het horizontale belang van rekwirante bij de betrokken zaak
—
de Commissie verwijzen in de kosten van de eerste aanleg en de hogere voorziening
Middelen en voornaamste argumenten
In het eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”), door eraan voorbij te gaan dat het begrip „instelling” in bovengenoemd artikel niet alleen verwijst naar de instellingen van de Europese Unie, maar ook naar de personeelsleden van de EU, aangezien die op gelijke voet gehouden zijn tot vergoeding van de schade die particulieren lijden als gevolg van EU-handelingen.
In het tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht de motiveringsplicht heeft geschonden alsook artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 6 (recht op een eerlijk proces) en 13 (recht op effectieve rechtsbescherming) van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden („EVRM”), als beginselen van Unierecht, door rekwirantes beroep niet-ontvankelijk te verklaren zonder rekening te houden met haar opmerkingen aangaande de exceptie van niet-ontvankelijkheid van verweerster waarin wordt verwezen naar de relevante rechtspraak inzake schade veroorzaakt door de EU-ambtenaren (zaken 9/69, 4/69 en 60/81), en zonder rekening te houden met de uitlegging van artikel 263 VWEU overeenkomstig bovengenoemde rechtspraak. Voorts gaat de beschikking niet in op rekwirantes argumenten betreffende de ernstige schending door verweerster van de fundamentele Europese beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen, van het recht om te worden gehoord en van artikel 4 van de Europese Code van Goed Administratief Gedrag.
In het derde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht de door haar in eerste aanleg voorgelegde bewijsmiddelen verkeerd heeft voorgesteld en onjuist heeft opgevat, door te oordelen dat „alleen CFCU de hoedanigheid had van aanbestedende dienst […] die kon besluiten tot gunning van de betrokken opdracht […] en de Commissie enkel bevoegd was om vast te stellen of al dan niet was voldaan aan de voorwaarden voor EU-financiering”, op basis van door rekwirante aan het Hof overgelegde documenten, die in feite bewijzen dat de CFCU functioneert onder het toezicht van de Europese Commissie en binnen de door die instelling gestelde grenzen. Derhalve zijn de overwegingen in de bestreden beschikking onjuist en geven zij blijk van een onjuiste opvatting van de bewijselementen die ter beschikking van het Gerecht stonden.
Full & Egal Universal Law Academy