2.2.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 32/12
Hogere voorziening ingesteld op 4 december 2012 door het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 21 september 2012 in zaak T-278/10, Wesergold Getränkeindustrie GmbH & Co. KG/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-558/12 P)
2013/C 32/17
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirant: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) (vertegenwoordiger: A. Pohlmann, gemachtigde)
Andere partijen in de procedure: Wesergold Getränkeindustrie GmbH & Co. KG, Lidl Stiftung & Co. KG
Conclusies
—
het bestreden arrest vernietigen;
—
verzoekster in eerste aanleg verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
Middelen en voornaamste argumenten
De onderhavige hogere voorziening is gericht tegen het arrest van het Gerecht van 21 september 2012 in zaak T-278/10, waarbij het Gerecht de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 24 maart 2010 (zaak R 770/2009-1) heeft vernietigd.
Ter onderbouwing van zijn hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan:
Ten eerste beroept rekwirant zich op schending van artikel 8, lid 1, sub b, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk (1), doordat het Gerecht de beslissing van de kamer van beroep heeft vernietigd op grond dat het toegenomen onderscheidend vermogen niet is onderzocht, hoewel het Gerecht zelf heeft vastgesteld dat de conflicterende tekens ook al globaal verschillen, zodat reeds op grond daarvan geen sprake kan zijn van verwarringsgevaar.
Ten tweede voert rekwirant schending aan van artikel 76, lid 1, juncto artikel 64, lid 1, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk doordat deze bepalingen vereisen dat Wesergold Getränkeindustrie zich op het toegenomen onderscheidend vermogen had moeten beroepen, hetgeen zij evenwel overduidelijk niet heeft gedaan. Wesergold Getränkeindustrie heeft het argument inzake het toegenomen onderscheidend vermogen als gevolg van het gebruik reeds in de loop van de oppositieprocedure, en niet later dan in de beroepsprocedure, laten vallen. De tegenovergestelde stelling van het Gerecht, dat Wesergold Getränkeindustrie zich nog in de beroepsprocedure heeft beroepen op het toegenomen onderscheidend vermogen als gevolg van het gebruik, vormt een kennelijk onjuiste opvatting van de feiten, die geen nieuw onderzoek behoeft.
Ten derde schendt het arrest de vaste rechtspraak dat een fout niet mag leiden tot de vernietiging van de beslissing wanneer deze fout kennelijk geen gevolgen voor de beslissing heeft. De vraag inzake het toegenomen onderscheidend vermogen is voor de beslissing irrelevant, niet alleen wegens het door het Gerecht uitdrukkelijk vastgestelde verschil tussen de tekens, maar ook omdat Wesergold Getränkeindustrie door de in de oppositieprocedure overgelegde documenten reeds prima facie niet het bewijs heeft geleverd van het toegenomen onderscheidend vermogen als gevolg van het gebruik. Het Gerecht had kort moeten onderzoeken of deze op 10 maart 2008 overgelegde kennelijk ontoereikende bewijzen steek hielden, om een nodeloze vertraging en kostenverhoging van de procedure te vermijden.
(1) Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy