9.2.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 38/16
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Förvaltningsrätt i Linköping (Zweden) op 6 december 2012 — Ålands Vindkraft AB/Energimyndighet
(Zaak C-573/12)
2013/C 38/23
Procestaal: Zweeds
Verwijzende rechter
Förvaltningsrätt i Linköping
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ålands Vindkraft AB
Verwerende partij: Energimyndighet
Prejudiciële vragen
1)
De Zweedse regeling voor elektriciteitscertificaten is een nationale steunregeling op basis waarvan elektriciteitsleveranciers en sommige elektriciteitsgebruikers in de lidstaat een hoeveelheid elektriciteitscertificaten moeten kopen die overeenstemt met een bepaald deel van hun verkoop of gebruik, zonder dat expliciet vereist is dat ook elektriciteit wordt gekocht van dezelfde bron. Elektriciteitscertificaten worden verleend door de Zweedse Staat en bewijzen dat een bepaalde hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit is geproduceerd. De producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen ontvangen door de verkoop van elektriciteitscertificaten een extra opbrengst als een bijkomend inkomen uit hun elektriciteitsproductie. Moeten artikel [2, sub k,] en artikel 3, punt 3, van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG (1), aldus worden uitgelegd dat een lidstaat op basis daarvan een nationale steunregeling zoals de bovenstaande kan toepassen, waaraan alleen producenten van wie het bedrijf in dat land ligt kunnen deelnemen en die als gevolg heeft dat deze producenten een economisch voordeel genieten ten opzichte van producenten die geen elektriciteitscertificaten kunnen verkrijgen?
2)
Kan een regeling als die welke in de eerste vraag is beschreven — tegen de achtergrond van artikel 34 [VWEU] — worden beschouwd als een kwantitatieve invoerbeperking of een maatregel van gelijke werking?
3)
Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, kan een dergelijke regeling verenigbaar zijn met artikel 34 [VWEU] wanneer rekening wordt gehouden met de doelstelling om de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te bevorderen?
4)
Is het voor het antwoord op bovenstaande vragen relevant dat de nationale wet niet uitdrukkelijk bepaalt dat de steunregeling alleen voor nationale producenten geldt?
(1) PB L 140, blz. 16.
Full & Egal Universal Law Academy