2.2.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 32/14
Hogere voorziening ingesteld op 10 december 2012 door Ivan Jurašinović tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer — uitgebreid) van 3 oktober 2012 in zaak T-465/09, Jurašinović/Raad
(Zaak C-576/12 P)
2013/C 32/19
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirant: Ivan Jurašinović (vertegenwoordiger: N. Amara-Lebret, avocate)
Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
het bestreden arrest vernietigen, de zaak naar het Gerecht verwijzen of anders
—
het besluit van 22 september 2009 nietig verklaren waarbij rekwirant slechts gedeeltelijke toegang is verleend tot de volgende documenten: rapporten van de waarnemers van de Europese Unie die van 1 augustus tot 31 augustus 1995 aanwezig waren in Kroatië, in de regio Knin;
—
de Raad van de Europese Unie gelasten elektronische toegang te verlenen tot alle gevraagde documenten;
—
de Raad van de Europese Unie veroordelen tot betaling aan rekwirant van 8 000 EUR exclusief belasting als proceskosten vermeerderd met rente tegen het tarief van de Europese Centrale op de dag waarop het verzoekschrift is ingeschreven.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter onderbouwing van zijn hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan.
In de eerste plaats is rekwirant van mening dat het Gerecht het algemene beginsel van recht op een eerlijk proces heeft geschonden, aangezien het geen uitspraak kon doen over het verzoekschrift zonder eerst de documenten waartoe toegang werd gevraagd te onderzoeken.
In de tweede plaats meent rekwirant dat de artikelen 9, lid 1, en 4, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (1), zijn geschonden, aangezien artikel 4, lid 1, sub a, weliswaar bepaalt dat de toegang tot een document kan worden geweigerd wanneer daardoor het openbaar belang wat betreft de internationale betrekkingen wordt ondermijnd, maar die weigering niet kan worden gebaseerd op het feit dat documenten gevoelig zijn wanneer deze documenten niet zijn gerubriceerd en dus niet onder de bescherming van artikel 9, lid 1, vallen.
In de derde plaats stelt rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van het bestaan van een eerdere openbaarmaking van de documenten. Aangezien de plaatsgevonden communicatie tussen de Raad en het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië slechts verordening nr. 1049/2001 als grondslag kan hebben, betekende het feit dat de documenten eerder waren openbaargemaakt ten behoeve van een verwerende partij, die het Europees burgerschap bezit, in het kader van een bij het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië aanhangige strafprocedure, dat het verzoek moest worden ingewilligd.
(1) PB L 145, blz. 43.
Full & Egal Universal Law Academy