BESCHIKKING VAN HET HOF (Negende kamer)
13 juni 2013 ( *1 )
„Sociale politiek — Richtlijn 2003/88/EG — Recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon — Raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid — Voltijdwerker die tijdens referentieperiode zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet kon genieten — Overgang door deze werknemer naar deeltijdregeling — Nationale bepaling of nationaal gebruik waarbij aantal aldus eerder opgebouwde vakantiedagen met behoud van loon wordt verminderd naar evenredigheid van aantal werkdagen per week in deeltijdarbeid”
In zaak C-415/12,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Arbeitsgericht Nienburg (Duitsland) bij beslissing van 4 september 2012, ingekomen bij het Hof op 13 september 2012, in de procedure
Bianca Brandes
tegen
Land Niedersachsen,
geeft HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: J. Malenovský, kamerpresident, M. Safjan en A. Prechal (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: A. Calot Escobar,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bij met redenen omklede beslissing uitspraak te doen,
de navolgende
Beschikking
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van clausule 4 van de op 6 juni 1997 gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (hierna: „raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid”), die als bijlage is gehecht bij richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (PB 1998, L 14, blz. 9), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/23/EG van de Raad van 7 april 1998 (PB L 131, blz. 10), en van elke andere voor het hoofdgeding relevante Unierechtelijke bepaling.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen B. Brandes en het Land Niedersachsen over het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon over 2010 en 2011, die betrokkene niet heeft kunnen opnemen tijdens die jaren, die de referentieperiodes vormen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Clausule 4, punten 1 en 2, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid met het opschrift „Het beginsel van gelijke behandeling” bepaalt:
„1.
Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden deeltijdwerkers niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare voltijdwerkers louter op grond van het feit dat zij in deeltijd werkzaam zijn, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.
2.
Wanneer zulks passend is, wordt het ‚pro rata temporis’-beginsel toegepast.”
4
Artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299, blz. 9) bepaalt onder het opschrift „Jaarlijkse vakantie”:
„1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.
2. De minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband.”
Duits recht
5
§ 3, lid 1, van het Bundesurlaubsgesetz (federale vakantiewet) van 8 januari 1963 (BGBl. 1963, blz. 2) bepaalt: „De jaarlijkse vakantie bedraagt ten minste 24 werkdagen.”
6
§ 11, lid 1, van deze federale wet luidt:
„De vakantie-uitkeringen worden berekend aan de hand van de gemiddelde arbeidsinkomsten die de werknemer gedurende de laatste 13 weken vóór het begin van de vakantie heeft ontvangen, behoudens de arbeidsinkomsten die extra zijn betaald voor overuren. [...]”
7
§ 26, lid 1, van de Tarifvertrag für den öffentlichen Dienst der Länder (collectieve arbeidsovereenkomst voor het openbaar ambt van de Länder) van 12 oktober 2006, zoals gewijzigd bij wijzigingsovereenkomst nr. 4 van 2 januari 2012, luidt:
„De werknemers hebben ieder kalenderjaar recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon (§ 21). Bij verdeling van de wekelijkse arbeidstijd over vijf dagen van de kalenderweek bedraagt het recht op vakantie per kalenderjaar tot de volle leeftijd van 30 jaar 26 werkdagen, tot de volle leeftijd van 40 jaar 29 werkdagen en na de volle leeftijd van 40 jaar 30 werkdagen.
Werkdagen zijn alle kalenderdagen waarop de werknemers volgens de dienstregeling of de gebruiken van het bedrijf moeten werken of hadden moeten werken. [...] Bij een andere verdeling van de wekelijkse arbeidstijd dan over vijf dagen per week vermeerdert of vermindert het recht op vakantie dienovereenkomstig. Blijft bij de berekening van de vakantie een breukdeel over dat ten minste overeenkomt met een halve vakantiedag, wordt afgerond op een volle vakantiedag. Breukdelen van minder dan een halve vakantiedag blijven buiten beschouwing. [...]”
8
Het Duitse recht regelt niet uitdrukkelijk wat de gevolgen zijn van een wijziging van de arbeidstijd voor niet-opgenomen vakantie.
9
§ 4, lid 1, van de wet van 21 december 2000 op deeltijdarbeid en overeenkomsten voor bepaalde tijd bepaalt:
„Een deeltijdwerker mag wegens de deeltijdarbeid niet minder gunstig worden behandeld dan een vergelijkbare voltijdwerker tenzij objectieve redenen de verschillende behandeling rechtvaardigen. Een deeltijdwerker is een loon of ander deelbaar geldbedrag verschuldigd, dat ten minste overeenkomt met het breukdeel van zijn arbeidstijd en de arbeidstijd van een vergelijkbare voltijdwerker.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10
Brandes werkte voltijds voor het Land Niedersachsen krachtens een in 2009 gesloten arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
11
Brandes mocht wegens zwangerschap in 2010 niet meer werken tot haar bevalling op 22 december 2010. Na haar zwangerschapsverlof op 17 februari 2011 kreeg zij ouderschapsverlof tot 21 december 2011.
12
Brandes werkte vanaf 22 december 2011 ingevolge een overeenkomst tussen haar en het Land Niedersachsen deeltijds drie werkdagen per week.
13
Brandes kon, gelet op het verbod te werken wegens zwangerschap, met daaraanvolgend een periode van zwangerschaps- en ouderschapsverlof, in 2010 en 2011 22 respectievelijk 7 dagen jaarlijkse betaalde vakantie berekend op basis van haar voltijdarbeid niet opnemen.
14
Brandes verzoekt in het bij het Arbeitsgericht Nienburg aanhangige hoofdgeding haar recht op de in haar voltijdarbeid opgebouwde 29 betaalde vakantiedagen te erkennen.
15
Het Land Niedersachsen wijst dit verzoek af op basis van een beslissing van het Bundesarbeitsgericht van 28 april 1998, blijkens welke de reeds opgebouwde vakantierechten van een werknemer bij wijziging van zijn arbeidstijd moeten worden aangepast naar evenredigheid van de verhouding tussen het nieuwe en het oude aantal gewerkte dagen. Dat geeft Brandes volgens dit Land dus recht op een saldo van 17 vakantiedagen, namelijk 29 dagen, gedeeld door 5 dagen, vermenigvuldigd met 3 dagen, dus in totaal 17,4 dagen, afgerond op 17 dagen.
16
Het Land Niedersachsen stelt met name dat een dergelijke berekening van de vakantiedagen naar evenredigheid van de gewerkte dagen neutraal werkt voor de vakantietijd van Brandes aangezien deze tijd, uitgedrukt in aantal vakantieweken, na deze berekening ongewijzigd blijft. Dienaangaande moet ermee rekening worden gehouden dat betrokkene in haar nieuwe deeltijdarbeidsregeling minder vakantiedagen nodig heeft om een vrije week te hebben. Indien het aantal vakantiedagen niet naar evenredigheid van de gewerkte dagen werd berekend, zou dit daarentegen tot gevolg hebben dat Brandes meer vakantieweken zou kunnen nemen dan waarop zij recht zou hebben indien zij voltijds had doorgewerkt, waardoor zij een ongerechtvaardigd voordeel tegenover een voltijdwerker zou genieten.
17
Volgens het Land Niedersachsen verschilt het voor de verwijzende rechter aanhangige geding dienaangaande van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 22 april 2010, Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols (C-486/08, Jurispr. blz. I-3527), aangezien volgens de in die zaak aan de orde zijnde vakantieregel de vakantie in uren was uitgedrukt. Terwijl de werknemer in casu, doordat een in weken uitgedrukte referentieperiode wordt gebruikt, geen enkel nadeel ondervindt wat de omvang van zijn vakantie betreft, was zulks in die zaak niet het geval geweest aangezien elke wijziging van de arbeidstijd bij een in uren uitgedrukte vakantie de vakantietijd rechtstreeks had beïnvloed.
18
Het Arbeitsgericht Nienburg is ervan overtuigd dat uit dat arrest Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols duidelijk voortvloeit dat vaststelling naar evenredigheid van de door een voltijdwerker reeds opgebouwde rechten op jaarlijkse vakantie, zoals het Land Niedersachsen wil toepassen, in strijd is met het Unierecht. Een dergelijke vaststelling leidt volgens deze rechter met name tot een door clausule 4 van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid verboden discriminatie tussen voltijd- en deeltijdwerkers.
19
In het in punt 16 van de onderhavige beschikking weergegeven betoog van het Land Niedersachsen is er volgens het Arbeitsgericht Nienburg verwarring tussen „vakantietijd” en tijd van „afwezigheid van de onderneming”. Voorts vindt deze rechter vermindering van het in de vorige periode reeds opgebouwde recht op vakantie, bij een correct onderzoek ervan, ontoelaatbaar in twee opzichten, namelijk de vakantietijd en de vakantie-uitkering.
20
Gelet in het bijzonder op de in punt 15 van de onderhavige beschikking vermelde rechtspraak van het Bundesarbeitsgericht acht het Arbeitsgericht Nienburg evenwel nadere verduidelijking van het Hof over deze vragen noodzakelijk.
21
Het Arbeitsgericht Nienburg heeft in die context de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moet het relevante Unierecht, inzonderheid clausule 4, punten 1 en 2, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid [...], aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale wetten, collectieve arbeidsovereenkomsten of gebruiken volgens welke bij een wijziging in de arbeidstijd van een werknemer als gevolg van een wijziging in het aantal werkdagen per week de omvang van het nog niet uitgeoefende recht op vakantie dat de werknemer in de referentieperiode niet heeft kunnen uitoefenen, aldus wordt aangepast dat het in weken uitgedrukte recht op vakantie in omvang weliswaar gelijk blijft, maar het in dagen uitgedrukte recht op vakantie wordt omgerekend op basis van de nieuwe arbeidstijd?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
22
Wanneer een gestelde prejudiciële vraag identiek is aan een vraag waarover het Hof reeds uitspraak heeft gedaan, kan het Hof volgens artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering, wanneer het antwoord op een dergelijke vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of over het antwoord op een prejudiciële vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.
23
In de onderhavige zaak dient dat procedurevoorschrift te worden toegepast.
24
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het relevante Unierecht, met name clausule 4 van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale bepalingen of een nationaal gebruik als in het hoofdgeding, waarbij het aantal dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon dat een voltijdwerker in de referentieperiode niet heeft kunnen opnemen, wegens de overgang van deze werknemer naar een deeltijdregeling wordt verminderd naar evenredigheid van het verschil tussen het aantal door deze werknemer vóór en na deze overgang naar deeltijdarbeid wekelijks gewerkte dagen.
25
De verwijzende rechter verwees in zijn vraag dus weliswaar formeel meer specifiek naar clausule 4 van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, maar dat belet het Hof niet deze rechter alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht te verschaffen die nuttig kunnen zijn met het oog op een beslissing in de bij hem aanhangige zaak, ongeacht of er in zijn vraag naar wordt verwezen (zie in die zin arrest Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols, reeds aangehaald, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Overigens verwees de verwijzende rechter in zijn vraag zelf naar het relevante Unierecht in zijn geheel.
26
Vooraf dient te worden opgemerkt dat, zoals zowel Brandes als de Duitse regering en de Europese Commissie hebben opgemerkt, in het bijzonder artikel 7 van richtlijn 2003/88 betreffende het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon een van de relevante Unierechtelijke bepalingen is die voor het antwoord op de vraag van de verwijzende rechter nuttig is.
27
Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het Hof, waarnaar de verwijzende rechter overigens zelf heeft verwezen, moet dat recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon van elke werknemer worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Unie (zie met name arrest Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols, reeds aangehaald, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
Het Hof heeft er ook herhaaldelijk op gewezen dat het aan elke werknemer verleende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon als beginsel van sociaal recht van de Unie uitdrukkelijk is neergelegd in artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaraan artikel 6, lid 1, VEU dezelfde juridische waarde toekent als de Verdragen (zie met name arrest van 8 november 2012, Heimann en Toltschin, C-229/11 en C-230/11, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29
Voorts mag volgens deze rechtspraak het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet restrictief worden uitgelegd (zie met name voormelde arresten Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols, punt 29, en Heimann en Toltschin, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
Zoals zowel de verwijzende rechter als de Commissie en Brandes hebben opgemerkt, heeft het Hof in deze context in punt 32 van het arrest Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols, reeds geoordeeld dat het nemen van de jaarlijkse vakantie in een latere periode dan de referentieperiode geen enkel verband houdt met de arbeidstijd van de werknemer in die latere periode, zodat een wijziging, met name een vermindering, van de arbeidstijd bij overgang van voltijd- naar deeltijdarbeid het door de werknemer in de referentieperiode van voltijdarbeid opgebouwde recht op jaarlijkse vakantie niet kan reduceren.
31
Wat clausule 4 van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid betreft, volstaat het in casu eraan te herinneren dat het Hof in punt 33 van het arrest Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols er inzake het beginsel pro rata temporis van punt 2 van deze clausule ook op heeft gewezen dat dit beginsel weliswaar passend wordt toegepast bij de toekenning van de jaarlijkse vakantie voor een periode van deeltijdarbeid – daar voor die periode objectieve redenen rechtvaardigen dat minder jaarlijkse vakantie wordt toegekend dan voor een periode van voltijdarbeid – maar niet met terugwerkende kracht mag worden toegepast op een in voltijdarbeid opgebouwd recht op jaarlijkse vakantie.
32
Uit het voorgaande heeft het Hof geconcludeerd dat noch uit de relevante bepalingen van richtlijn 2003/88, noch uit clausule 4, punt 2, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid kon worden afgeleid dat een nationale regeling als een van de regels voor de uitoefening van het recht op jaarlijkse vakantie kan voorzien in het gedeeltelijke verlies van een in een referentieperiode opgebouwd recht op vakantie, maar deze conclusie geldt enkel wanneer de werknemer niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van dit recht gebruik te maken (arrest Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols, reeds aangehaald, punt 34).
33
Het Hof heeft vervolgens in de zaak die heeft geleid tot dat arrest, prejudicieel beslist dat het relevante Unierecht, met name clausule 4, punt 2, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling op grond waarvan bij wijziging van de arbeidstijd van een werknemer de omvang van de nog niet opgenomen vakantie naar evenredigheid wordt aangepast aan de nieuwe arbeidstijd, zodat voor een voltijdwerker die deeltijds gaat werken, het in voltijdarbeid opgebouwd recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon dat hij niet heeft kunnen uitoefenen, wordt gereduceerd, respectievelijk zodat hij deze vakantie slechts met een lager vakantiegeld kan genieten (arrest Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols, reeds aangehaald, punt 35).
34
Zoals de verwijzende rechter zelf heeft opgemerkt en ook Brandes en de Commissie hebben aangevoerd, brengen de in de punten 27 tot en met 33 van de onderhavige beschikking in herinnering gebrachte overwegingen duidelijk mee dat op de in het hoofdgeding gerezen prejudiciële vraag in dezelfde zin moet worden geantwoord.
35
In casu staat namelijk vast dat Brandes beschikt over een over te dragen recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, die zij niet heeft kunnen opnemen in de betrokken referentieperiodes waarin zij voltijds werkte wegens een periode van verbod om te werken wegens zwangerschap met daaropvolgend zwangerschaps- en vervolgens ouderschapsverlof. De verwijzende rechter en de partijen in het hoofdgeding zijn het er overigens over eens dat indien Brandes na het ouderschapsverlof voltijds was blijven werken, zij 29 dagen jaarlijkse vakantie zou hebben kunnen overdragen.
36
Zoals met name blijkt uit het arrest Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols, reeds aangehaald, waarvan de punten 30 tot en met 33 van de onderhavige beschikking de relevante punten aanhalen, kan Brandes, doordat haar arbeidstijd als gevolg van deze overgang van voltijd- naar deeltijdarbeid is verminderd, het aldus eerder opgebouwde recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon derhalve niet achteraf gedeeltelijk verliezen als gevolg van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale voorschrift, zonder dat met name een objectieve rechtvaardigingsgrond voor dit verlies bestaat.
37
Het argument van het Land Niedersachsen dat het eerder door Brandes opgebouwd recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet wordt verminderd aangezien dat vóór en na haar overgang van voltijd- naar deeltijdarbeid in vakantieweken gelijk blijft, kan, zoals zowel de verwijzende rechter als de Commissie heeft opgemerkt, in geen geval slagen.
38
De afwezigheid op het werk gedurende een gegeven week van een deeltijdwerker die normaal drie volle dagen per week werkt, brengt, anders dan het Land Niedersachsen stelt, namelijk niet mee dat hij aldus vijf dagen vakantie-equivalent opbouwt, die als in voltijdarbeid opgebouwd uiteraard moeten worden opgevat als vijf volle dagen waarin de belanghebbende is vrijgesteld van de verplichting te werken wanneer hij geen vakantie opneemt.
39
De werknemer die voortaan in een deeltijdregeling drie volle werkdagen per week werkt en een „vakantieweek” krijgt, is voortaan uiteraard slechts tot beloop van drie volle dagen vrijgesteld van de op hem rustende verplichting te werken.
40
Evenmin kan worden ingestemd met het analoge betoog van de Duitse regering, dat zij overigens reeds had gehouden in de zaak die heeft geleid tot het arrest Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols, reeds aangehaald, namelijk dat de nationale regel in het hoofdgeding niet in strijd is met het Unierecht omdat de werknemer die niet langer is gehouden alle dagen van de week te werken, gedurende minder dagen van zijn verplichtingen moet worden vrijgesteld om een even lange rustperiode als voorheen te kunnen genieten.
41
Dat betoog verwart namelijk de rustperiode die overeenkomt met de uitoefening van één uur daadwerkelijke vakantie, en één uur waarin normaal niet wordt gewerkt omdat de werknemer niet wordt geacht te werken op grond van zijn arbeidsverhouding met zijn werkgever.
42
Mitsdien dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat het relevante Unierecht, met name artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 en clausule 4, punt 2, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale bepalingen of een nationaal gebruik als in het hoofdgeding, waarbij het aantal dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon dat een voltijdwerker in de referentieperiode niet heeft kunnen opnemen, wegens de overgang van deze werknemer naar een deeltijdregeling wordt verminderd naar evenredigheid van het verschil tussen het aantal door deze werknemer vóór en na deze overgang naar deeltijdarbeid wekelijks gewerkte dagen.
Kosten
43
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Het relevante Unierecht, met name artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, en clausule 4, punt 2, van de op 6 juni 1997 gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, die als bijlage is gehecht bij richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/23/EG van de Raad van 7 april 1998, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale bepalingen of een nationaal gebruik als in het hoofdgeding, waarbij het aantal dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon dat een voltijdwerker in de referentieperiode niet heeft kunnen opnemen, wegens de overgang van deze werknemer naar een deeltijdregeling wordt verminderd naar evenredigheid van het verschil tussen het aantal door deze werknemer vóór en na deze overgang naar deeltijdarbeid wekelijks gewerkte dagen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy