STANDPUNTBEPALING VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 26 maart 2012 ( 1 )
Zaak C-83/12 PPU
Minh Khoa Vo
[verzoek van het Bundesgerichtshof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële spoedprocedure — Artikelen 21 en 34 van ‚visumcode’ — Strafrechtelijke aansprakelijkheid van mensensmokkelaar wegens illegaal binnenbrengen van onderdanen van derde landen die in bezit zijn van op onrechtmatige wijze verkregen, maar nog niet nietig verklaarde visa”
1.
De vraag die in dit verzoek van het Bundesgerichtshof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing wordt gesteld, is in wezen of het Unierecht ( 2 ), in het bijzonder de artikelen 21 en 34 van verordening (EG) nr. 810/2009 (hierna: „visumcode”) ( 3 ), eraan in de weg staat dat een lidstaat iemand wegens het binnensmokkelen van vreemdelingen een strafsanctie oplegt, terwijl de binnengesmokkelde personen over een, naar het zich laat aanzien, geldig eenvormig visum ( 4 ) beschikten dat weliswaar op onrechtmatige wijze is verkregen, maar nog niet nietig is verklaard.
2.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat M. K. Vo, de aangeklaagde in de strafzaak in het hoofdgeding, deel uitmaakte van twee criminele organisaties die in de maanden juni en juli 2010 tegen aanzienlijke bedragen Vietnamese staatsburgers hebben geholpen om de Schengenruimte binnen te komen en zich aldaar, met name in Duitsland, te vestigen. Deze organisaties gebruikten een methode waarbij op onrechtmatige wijze een eenvormig visum werd verkregen. In een geval werd de Hongaarse ambassade in Vietnam voorgespiegeld dat deze onderdanen toeristen waren die een reis in de Europese Unie zouden maken. In een ander geval werden deze onderdanen bij de Zweedse ambassade als seizoensarbeiders aangemeld om bij het plukken van bessen tewerk te worden gesteld.
3.
Eenmaal binnengekomen in de Schengenruimte voerden de betrokken Vietnamese staatsburgers een deel van het reisprogramma uit dan wel waren zij eerst werkzaam als bessenplukker, waarna zij geholpen werden, in bepaalde gevallen door Vo, die voor zijn diensten werd betaald, om naar verschillende landen van bestemming, hoofdzakelijk Duitsland, te reizen, waar zij, soms ook met hulp van Vo, onderdak kregen, en vervolgens in de illegaliteit verdwenen.
4.
Op grond van het aangevoerde bewijsmateriaal is Vo schuldig bevonden aan vier zelfstandige gevallen van beroepsmatig en in georganiseerd verband binnensmokkelen van vreemdelingen, ook al beschikten alle gesmokkelde personen over een geldig visum dat niet nietig was verklaard. Vo is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en drie maanden. Hij bevindt zich sinds 1 januari 2011 in voorlopige hechtenis.
5.
De Vijfde Strafsenat van het Bundesgerichtshof moet zich uitspreken over het beroep tot Revision dat Vo tegen zijn veroordeling heeft ingesteld, en stelt het Hof de volgende vraag:
„Moeten de artikelen 21 en 34 van [de visumcode], die de afgifte en nietigverklaring van een eenvormig visum regelen, in die zin worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die hulpverlening bij illegale immigratie van vreemdelingen ook strafbaar stelt in de gevallen waarin de binnengesmokkelde personen weliswaar over een visum beschikken, doch dit op onrechtmatige wijze hebben verkregen door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat bedrieglijke informatie te verstrekken over het werkelijke doel van hun reis?”
6.
In de omstandigheden van het onderhavige geval moet deze vraag aldus worden opgevat dat het daarbij erom gaat of iemand in de situatie van Vo krachtens het Unierecht eventueel niet tot een strafrechtelijke sanctie kan worden veroordeeld, zolang de binnengesmokkelde onderdanen van de derde landen over een geldig, zij het frauduleus verkregen visum beschikken. Voor de beoordeling van deze vraag moet worden herinnerd aan de strekking van de relevante bepalingen van nationaal en Unierecht.
Toepasselijke bepalingen
Het Unierecht
Kaderbesluit 2002/946/JBZ
7.
Artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/946/JBZ ( 5 ) luidt:
„Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen opdat de in de artikelen 1 en 2 van richtlijn 2002/90/EG omschreven inbreuken worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties die kunnen leiden tot uitlevering.”
Richtlijn 2002/90
8.
Blijkens punt 4 van de considerans van richtlijn 2002/90 heeft deze richtlijn tot doel „hulpverlening bij illegale immigratie te omschrijven en aldus de uitvoering van [kaderbesluit 2002/946] doeltreffender te maken, teneinde dit strafbare feit te bestrijden”.
9.
Artikel 1 van deze richtlijn luidt als volgt:
„1. Iedere lidstaat neemt passende sancties tegen:
a)
eenieder die een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat, opzettelijk helpt om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen of zich daarover te verplaatsen op een wijze die in strijd is met de wetgeving van die staat met betrekking tot de binnenkomst of doorreis van vreemdelingen;
b)
eenieder die een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat, uit winstbejag opzettelijk behulpzaam is bij het verblijven op het grondgebied van een lidstaat op een wijze die in strijd is met de wetgeving van die staat met betrekking tot het verblijf van vreemdelingen.
2. Iedere lidstaat kan besluiten geen sancties op te leggen in verband met de in lid 1, sub a, omschreven gedragingen door zijn nationale wetgeving en praktijken toe te passen in gevallen waarin het doel van de gedraging is humanitaire bijstand aan de betrokkene te verlenen.”
10.
Artikel 2 van dezelfde richtlijn bepaalt:
„Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 1 bedoelde sancties ook van toepassing zijn op eenieder die met betrekking tot één van de in artikel 1, lid 1, sub a en b, genoemde inbreuken:
[...]
b)medeplichtige is, of
[...]”.
11.
Artikel 3 van dezelfde richtlijn bepaalt:
„Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 1 en 2 bedoelde feiten worden strafbaar gesteld met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties.”
Richtlijn 2008/115/EG
12.
Richtlijn 2008/115/EG ( 6 ) stelt de gemeenschappelijke normen en procedures vast die gelden voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.
13.
Volgens artikel 3, punt 2, van deze richtlijn wordt onder „illegaal verblijf” verstaan: „de aanwezigheid op het grondgebied van een lidstaat, van een onderdaan van een derde land die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor toegang die zijn vastgesteld in artikel 5 van de Schengengrenscode[ ( 7 ) ], of aan andere voorwaarden voor toegang tot, verblijf of vestiging in die lidstaat”.
De visumcode
14.
Volgens punt 3 van de considerans van de visumcode is „het gemeenschappelijk visumbeleid door verdere harmonisatie van de nationale wetgeving en van de uitvoeringspraktijken [...] onderdeel van een gelaagd systeem dat erop gericht is [...] illegale immigratie te bestrijden [...]”.
15.
Volgens punt 29 van de considerans van de visumcode „eerbiedigt [deze] de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name werden erkend in het [Europees] Verdrag [...] tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden[, ondertekend te Rome op 4 november 1950,] en in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie”.
16.
Volgens artikel 1, lid 1, van de visumcode worden daarin „de procedures en voorwaarden vastgesteld voor de afgifte van visa voor de doorreis over het grondgebied van de lidstaten of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden”. De code is, volgens lid 2 van dezelfde bepaling, van toepassing „op onderdanen van derde landen die bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit dienen te zijn van een visum”.
17.
Een eenvormig visum dient ervoor dat onderdanen van bepaalde derde landen ( 8 ) toegang verkrijgen tot het grondgebied van alle lidstaten van de Schengenruimte en aldaar mogen verblijven, gedurende de tijd dat het visum geldig is, voor de duur van het toegestane verblijf. Volgens artikel 2, punt 2, van deze code is een visum „een door een lidstaat afgegeven machtiging tot met name een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden vanaf de datum van eerste binnenkomst op het grondgebied van de lidstaten”. Volgens punt 3 van diezelfde bepaling is een „eenvormig visum” een „visum dat geldig is voor het gehele grondgebied van de lidstaten”.
18.
Het visum wordt verkregen op aanvraag en na overlegging van een reeks documenten aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat. ( 9 ) Wanneer de documenten zijn overgelegd, gaat het consulaat van de lidstaat waar de aanvraag is ingediend, na of het bevoegd is om een beslissing te nemen over de aanvraag, en zo ja, te beslissen of de aanvraag voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst. ( 10 )
19.
Artikel 21 van de visumcode, met het opschrift „Controle van de voorwaarden voor binnenkomst en risicobeoordeling”, bepaalt:
„1. Bij het onderzoeken van aanvragen voor een eenvormig visum wordt nagegaan of de aanvrager aan de inreisvoorwaarden als omschreven in artikel 5, lid 1, sub a, c, d, en e, van de Schengengrenscode[ ( 11 ) ] voldoet en wordt bijzondere aandacht geschonken aan de toetsing van de vraag of de aanvrager een risico van illegale immigratie of een risico voor de veiligheid van de lidstaten vertegenwoordigt, en met name, of de aanvrager het voornemen heeft het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór de geldigheidsduur van het aangevraagde visum verstrijkt.
2. Voor elke visumaanvraag wordt het VIS[ ( 12 ) ] geraadpleegd overeenkomstig de artikelen 8, lid 2, en 15, van de VIS-verordening. De lidstaten zorgen ervoor dat volledig gebruik wordt gemaakt van alle zoekcriteria zoals bedoeld in artikel 15 van de VIS-verordening om valse afkeuringen en identificaties te voorkomen.
3. Wanneer het consulaat controleert of de aanvrager voldoet aan de inreisvoorwaarden, gaat het na:
a)
of het overgelegde reisdocument niet vals, nagemaakt of vervalst is;
b)
of de aanvrager het doel van en de voorwaarden voor het voorgenomen verblijf heeft aangetoond, alsook of de aanvrager over de middelen van bestaan beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor zijn terugreis naar het land van herkomst of voor doorreis naar een derde land waar hij met zekerheid zal worden toegelaten, of in de mogelijkheid verkeert deze middelen legaal te verkrijgen;
c)
of de aanvrager gesignaleerd staat in het Schengeninformatiesysteem (SIS) met het oog op weigering van toegang;
d)
of de aanvrager al dan niet wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid als omschreven in artikel 2, lid 19, van de Schengengrenscode, of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name of hij om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staat in de nationale databanken van de lidstaten;
e)
of de aanvrager, indien van toepassing, in het bezit is van een toereikende en geldige medische reisverzekering.
4. Het consulaat controleert, voor zover van toepassing, de lengte van de vorige en de voorgenomen verblijven, om na te gaan of de aanvrager de maximaal toegestane verblijfsduur op het grondgebied van de lidstaten niet heeft overschreden, ongeacht mogelijke toegestane verblijven op grond van een nationaal visum voor verblijf van lange duur of een door een andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning.
[...]
7. Het onderzoek van een aanvraag wordt met name gebaseerd op de echtheid en betrouwbaarheid van de overgelegde documenten, alsmede op de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager.
[...]”
20.
Indien aan deze voorwaarden is voldaan, geeft de bevoegde autoriteit het visum af.
21.
Artikel 30 van de visumcode bepaalt evenwel dat aan een dergelijk visum „als zodanig geen automatisch recht op binnenkomst [kan] worden ontleend” voor het gehele grondgebied van de lidstaten. Degene die in het bezit is van een eenvormig visum kan de toegang tot het grondgebied van een lidstaat worden geweigerd, indien de met grenstoezicht belaste instantie van mening is dat aan de voorwaarden voor binnenkomst niet (of niet meer) is voldaan. ( 13 )
22.
Artikel 34 van de visumcode net het opschrift „Nietigverklaring”, luidt:
„1. Een visum wordt nietig verklaard indien blijkt dat op het moment van afgifte niet aan de afgiftevoorwaarden voldaan was, met name indien er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat het visum op onrechtmatige wijze is verkregen. Een visum wordt in beginsel nietig verklaard door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat nietig worden verklaard; in dat geval worden de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven van de nietigverklaring in kennis gesteld.
2. Een visum wordt ingetrokken indien blijkt dat niet langer aan de afgiftevoorwaarden voldaan wordt. Een visum wordt in beginsel ingetrokken door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat worden ingetrokken; in dat geval worden de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven van de intrekking in kennis gesteld.
3. Een visum kan worden ingetrokken op verzoek van de visumhouder. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven worden van de intrekking in kennis gesteld.
4. Het feit dat de houder van een visum aan de grens niet alle in artikel 14, lid 3, bedoelde bewijsstukken kan overleggen, leidt niet automatisch tot een besluit tot nietigverklaring of intrekking van het visum.
5. Indien een visum wordt nietig verklaard of ingetrokken, wordt daarop het stempel ‚NIETIG VERKLAARD’ of ‚INGETROKKEN’ aangebracht en worden het optische variabele kenmerk van de visumsticker, het veiligheidskenmerk ‚latent-beeldeffect’ en het woord ‚visum’ ongeldig gemaakt door middel van een doorhaling.
6. De beslissing tot nietigverklaring of intrekking van een visum en de gronden waarop deze is gebaseerd, wordt aan de aanvrager kenbaar gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI.
7. Visumhouders van wie het visum is nietig verklaard of ingetrokken, hebben een recht van beroep tenzij het visum overeenkomstig lid 3 op zijn verzoek ingetrokken is. Het beroep wordt ingesteld tegen de lidstaat die de beslissing over de nietigverklaring of intrekking heeft genomen. De nationale wetgeving van die lidstaat is op het beroep van toepassing. De lidstaten verstrekken de aanvragers informatie over de beroepsprocedure, zoals gespecificeerd in bijlage VI.
8. Informatie over een nietig verklaard of ingetrokken visum wordt in het VIS ingevoerd overeenkomstig artikel 13 van de VIS-verordening.”
23.
De visumcode geldt vanaf 5 april 2010 ( 14 ), maar artikel 34, leden 6 en 7, hiervan pas vanaf 5 april 2011 ( 15 ).
24.
Vóór de inwerkingtreding van de visumcode werd de nietigverklaring geregeld in een besluit van het uitvoerend comité van 14 december 1993 betreffende de gemeenschappelijke beginselen van annulering, intrekking en beperking van het eenvormige visum. ( 16 ) Dit besluit bepaalde dat „annulering” tot gevolg had „dat toegang tot het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen wordt verhinderd, met name wanneer per vergissing aan een ter fine van weigering gesignaleerde vreemdeling een visum [was] afgegeven”. ( 17 ) Uitdrukkelijk werd bepaald dat in dat geval „het visum nooit heeft bestaan”. ( 18 ) De Gemeenschappelijke visuminstructie bevestigt deze uitleg. ( 19 )
Duits recht
25.
De Duitse relevante wet is de wet betreffende het verblijf, de beroepswerkzaamheid en de integratie van vreemdelingen op het grondgebied van de Bondsrepubliek (hierna: „Aufenthaltsgesetz”). ( 20 )
26.
Volgens § 4, lid 1, Aufenthaltsgesetz moeten vreemdelingen voor de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de Bondsrepubliek beschikken over een verblijfstitel, met name een visum, tenzij het Unierecht of een verordening anders bepaalt.
27.
§ 95, lid 1, Aufenthaltsgesetz bepaalt dat met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete wordt bestraft, degene die op het grondgebied van de Bondsrepubliek binnenkomt zonder te beschikken over een dergelijke geldige verblijfstitel. Volgens lid 6 van deze paragraaf staat „het handelen op grond van een door valse opgaven verkregen verblijfstitel gelijk aan het handelen zonder de vereiste verblijfstitel”. De gelijkstelling (of wettelijke fictie) waarin deze bepaling voorziet, is niet van invloed op de rechtspositie van de visumhouder naar administratief recht, en ook niet op te zijner beschikking staande beroepsmogelijkheden om tegen een eventuele beslissing tot nietigverklaring op te komen. Deze gelijkstelling geldt alleen in de strafrechtelijke context.
28.
§ 96, lid 1, Aufenthaltsgesetz bepaalt dat met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar of geldboete wordt bestraft, degene die iemand aanzet tot of helpt bij het plegen van een bij § 95, lid 1, Aufenthaltsgesetz strafbaar gestelde handeling, en die daarvan voordeel trekt of dat voordeel bedingt dan wel herhaaldelijk optreedt of ten behoeve van verschillende vreemdelingen. Volgens § 96, lid 4, zijn deze bepalingen ook van toepassing in geval van schending van de bepalingen betreffende de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie of van een Schengenstaat, indien deze handelingen naar Duits recht strafbaar zijn en degene die de handeling verricht een vreemdeling helpt die niet de nationaliteit heeft van een lidstaat van de Unie of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
29.
Volgens § 97, lid 2, Aufenthaltsgesetz kan de gevangenisstraf ten hoogste tien jaar bedragen voor degene die beroepsmatig en in georganiseerd verband dergelijke handelingen verricht.
Procesverloop voor het Hof
30.
Op verzoek van Bundesgerichtshof heeft het Hof, omdat Vo een gedetineerd persoon was als bedoeld in artikel 267, vierde alinea, VWEU, besloten om het verzoek om een prejudiciële beslissing volgens de prejudiciële spoedprocedure te behandelen. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de vertegenwoordiger van Vo, door de Generalbundesanwalt (federale procureur-generaal), de Duitse regering en de Commissie. Deze vier betrokkenen alsmede de Griekse regering waren vertegenwoordigd ter terechtzitting op 22 maart 2012.
Analyse
Inleidende opmerkingen
31.
De vraag die in deze zaak aan de orde is, is in wezen of het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 21 en 34 van de visumcode, eraan in de weg staat dat de nationale rechter in een strafzaak uitspraak doet over de strafbaarheid van degene die wordt beschuldigd van het binnensmokkelen van vreemdelingen, zonder dat het bewijs van de illegale immigratie moet worden geleverd door de voorafgaande nietigverklaring van de eenvormige, op onrechtmatige wijze verkregen visa verleend aan de onderdanen van een derde land, die door deze aangeklaagde bij de toegang tot en/of het verblijf op het grondgebied van de betrokken lidstaat waren geholpen.
32.
Deze vraag berust op het verband dat er eventueel bestaat tussen enerzijds de administratieve procedure tot nietigverklaring van een visum, hetgeen de houder van het visum betreft, en anderzijds de strafrechtelijke procedure tot bestraffing van het binnensmokkelen van vreemdelingen, hetgeen de smokkelaar betreft.
33.
Het is in beginsel aan het nationale recht om te bepalen hoe de bevoegdheden zijn verdeeld, zowel tussen de rechterlijke en de uitvoerende macht als tussen de straf- en de bestuursrechter, alsook welke invloed een bestuursrechtelijke beslissing op een strafrechtelijke procedure heeft en welke invloed een strafrechtelijke uitspraak heeft op een bestuursrechtelijke procedure. In een Unie met 27 lidstaten die ieder hun eigen rechtsorde hebben, is het niet onwaarschijnlijk dat ook deze verdeling van bevoegdheden en de daaruit voortvloeiende gevolgen zeer verschillend zijn.
34.
Dit verband tussen het bestuurs- en het strafrecht wordt derhalve door het nationale recht beheerst, behalve indien, en voor zover, de Unie haar bevoegdheden op een specifiek gebied heeft uitgeoefend. Is dat het geval, dan moet worden nagegaan wat het relevante Unierecht op dit gebied inhoudt. Het gaat er in casu om te bepalen of dit recht eraan in de weg staat dat de strafbaarheid van een smokkelaar, beschuldigd van het binnensmokkelen van vreemdelingen, wordt vastgesteld zonder het bewijs van de eerdere nietigverklaring van de visa van de binnengesmokkelde vreemdelingen.
35.
De Unie heeft haar bevoegdheden op de betrokken gebieden inderdaad uitgeoefend, zij het in beperkte mate.
36.
Enerzijds hebben de deelnemende lidstaten sinds de totstandbrenging van de Schengenruimte aanvaard om de voorwaarden en procedures voor de afgifte van een visum voor een voorgenomen verblijf op hun grondgebied te harmoniseren. Die voorwaarden en procedures zijn dan ook in de visumcode neergelegd.
37.
Derhalve moet de visumcode meer diepgaand worden onderzocht om te zien in hoeverre de Unie de voorwaarden en de procedure tot nietigverklaring van een visum heeft geharmoniseerd, en met name of hieronder bepalingen vallen inzake de bewijskracht van een dergelijke nietigverklaring in een eventuele strafzaak waarin een derde wordt beschuldigd van hulpverlening bij illegale immigratie.
38.
Anderzijds is een lidstaat op grond van kaderbesluit 2002/946 en richtlijn 2002/90 verplicht tot het strafbaar stellen van het binnensmokkelen van onderdanen van derde landen die zijn grondgebied binnenkomen en zich daarover verplaatsen of aldaar verblijven op een wijze die in strijd is met de wetgeving van die staat met betrekking tot de binnenkomst, de doorreis of het verblijf van vreemdelingen. ( 21 ) Aangezien het bij de vraag van het Bundesgerichtshof erom gaat of eventueel moet worden aangetoond dat een visum nietig is verklaard om als bewijs te dienen in een strafzaak die is ingesteld tegen degene die van mensensmokkel wordt beschuldigd, moet ook worden onderzocht of richtlijn 2002/90 en kaderbesluit 2002/946 de bevoegdheid van de lidstaten inperken, zowel waar het gaat om de strafrechtelijke procedure als wat de vraag betreft of er op dit punt een verband bestaat tussen bestuurs- en strafrecht.
De visumcode en de vraag naar de eventuele invloed van het feit dat een visum van een vermeend binnengesmokkelde vreemdeling niet nietig is verklaard, op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een derde die wordt beschuldigd van hulpverlening bij illegale immigratie
39.
Allereerst merk ik op dat noch artikel 21, noch artikel 34 van de visumcode verwijzen naar de strafrechtelijke aansprakelijkheid van iemand die bij het binnensmokkelen van vreemdelingen behulpzaam is geweest, en evenmin naar de proces- of bewijsrechtelijke regels die in een strafprocedure van toepassing zijn.
40.
Niettemin voert de vertegenwoordiger van Vo aan dat op grond van de visumcode de visa van de Vietnamese onderdanen die Vo zou hebben binnengesmokkeld in de Schengenruimte, eerst nietig verklaard zouden moeten worden, in beginsel door de Hongaarse of de Zweedse instanties, voordat de strafrechter uitspraak kan doen over de gegrondheid van de aanklacht jegens Vo. Dienaangaande stelt de vertegenwoordiger van Vo dat de strafrechter Vo alleen voor hulpverlening bij illegale immigratie kan veroordelen, wanneer is vastgesteld dat een bevoegde instantie bij bestuursrechtelijk besluit deze visa nietig heeft verklaard en de andere lidstaten van deze nietigverklaring in kennis heeft gesteld.
41.
Volgens mij is deze zienswijze gebaseerd op een onjuiste uitlegging van de visumcode.
42.
Deze code pretendeert niet de bestuursrechtelijke procedure voor de nietigverklaring van een eenvormig visum uitputtend te harmoniseren. Nog minder wordt hierin de strafrechtelijke procedure voor hulpverlening bij illegale immigratie geregeld dan wel het verband tussen beide procedures op dit punt. De strekking ervan is duidelijk beperkter.
43.
Waaruit bestaat deze aldus ingevoerde harmonisatie dan wel?
44.
In de eerste plaats worden de redenen voor een nietigverklaring vastgesteld in artikel 34, lid 1, eerste zin, van de visumcode.
45.
De nietigverklaring van een visum hangt af van het antwoord op de vraag of op het moment van afgifte aan de afgiftevoorwaarden was voldaan. ( 22 ) Is dat niet het geval, aldus artikel 34, lid 1, dan „wordt het visum nietig verklaard”. Het op onrechtmatige wijze verkrijgen van een visum brengt derhalve noodzakelijkerwijs mee dat het nietig wordt verklaard.
46.
Indien de reden voor de nietigverklaring alleen feiten betreft die op het moment van afgifte spelen, kan deze reden worden vastgesteld op willekeurig welk tijdstip, vóór, tijdens, of ná het gebruik van het visum. ( 23 )
47.
In de tweede plaats wordt in artikel 34, lid 1, tweede en derde zin, van de visumcode de bevoegdheid en zelfs de verplichting van de lidstaten tot nietigverklaring van een visum omschreven.
48.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het visum hebben afgegeven, zijn in het bezit van het dossier en kennen de omstandigheden waaronder het visum is afgegeven. Zij zijn hierdoor in beginsel het best in staat om vast te stellen, eventueel zelfs voordat het visum wordt gebruikt, dat zij het niet hadden moeten afgeven. Bijgevolg is deze lidstaat in de eerste plaats verantwoordelijk voor de nietigverklaring van het visum. Daarom vermeldt genoemd artikel 34, lid 1: „Een visum wordt in beginsel nietig verklaard door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het heeft afgegeven.”
49.
Toch is het mogelijk dat de omstandigheden waarin geen visum had moeten worden afgegeven, pas worden vastgesteld wanneer de houder zijn reis naar het Schengengebied reeds heeft aangevangen, zich op het grondgebied van een lidstaat vervoegt voor het verkrijgen van toegang hierop of, vervolgens, aldaar verblijft. Logischerwijs wordt vanaf dat moment de lidstaat bij wiens grens of op wiens grondgebied de houder van het visum zich bevindt, dan eveneens bevoegd en verantwoordelijk voor de nietigverklaring van het visum, en in voorkomend geval, voor de kennisgeving hiervan aan de autoriteiten van de lidstaat van afgifte. Daarom bepaalt artikel 34, lid 1, laatste zin, van de visumcode dat een visum „door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat nietig [kan] worden verklaard; in dat geval worden de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven van de nietigverklaring in kennis gesteld”. ( 24 )
50.
De nietigverklaring van een visum is derhalve geen exclusieve bevoegdheid van de lidstaat die het visum heeft afgegeven, maar een gedeelde bevoegdheid. Dit laat het volledige onderlinge respect tussen de lidstaten zien dat ten grondslag moet liggen aan de afgifte, het aanvaarden en het gebruik van het eenvormige visum, alsmede de instelling van een loyale samenwerking en wederzijdse erkenning die de besluiten tot nietigverklaring van een visum in de Schengenruimte moet beheersen. ( 25 )
51.
In de derde plaats vermeldt artikel 34 van de visumcode het algemene gevolg van de nietigverklaring van een visum. Indien de bestuursrechtelijke beslissing voortvloeit uit de vaststelling dat het visum nooit had mogen worden verleend, volgt hieruit dat de nietigverklaring terugwerkende kracht heeft.
52.
Ter terechtzitting heeft de Duitse regering aangevoerd dat het aan iedere lidstaat is om vast te stellen welke gevolgen de nietigverklaring heeft.
53.
Ik ben het daar niet mee eens.
54.
Waar het gaat om het gevolg van de nietigverklaring van een visum voor de bestuursrechtelijke positie van de houder, maakt dit artikel 34 onderscheid tussen de nietigverklaring en de intrekking naargelang het tijdstip waarop niet aan de voorwaarden voor afgifte is voldaan. De nietigverklaring van een visum vloeit voort uit het feit dat op het moment dat het visum is afgegeven niet aan deze voorwaarden was voldaan, terwijl de intrekking van een visum voortvloeit uit het feit dat hieraan niet langer wordt voldaan, hoewel hieraan wel werd voldaan op het moment dat het visum is afgegeven. ( 26 )
55.
Het lijkt mij moeilijk voor te stellen dat de wetgever in dit onderscheid heeft voorzien, maar ook wil dat de nietigverklaring en de intrekking eventueel identieke gevolgen zouden hebben. Blijkens artikel 32, lid 1, sub b, van de visumcode „wordt” een visum „geweigerd” ingeval „er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de [...] overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen [...] of [het] voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum”. Indien ná afgifte van het visum wordt vastgesteld dat deze omstandigheden op het moment dat het visum is afgegeven bestonden (maar deze door de bevoegde autoriteiten niet tijdig zijn gezien), lijkt het mij dwingend noodzakelijk dat dit tot hetzelfde gevolg leidt als wanneer dit artikel 32, lid 1, sub b, door die autoriteiten was toegepast. Dit impliceert derhalve dat het visum van meet af aan niet geldig is (nietigverklaring ex tunc).
56.
Ook volgt hieruit dat, wanneer er geen omstandigheden zijn op grond waarvan volgens artikel 32 van de visumcode een visum zou zijn geweigerd, een afgegeven visum zijn geldigheid behoudt totdat dit visum is verstreken of eventueel is ingetrokken, en derhalve een rechtsgeldige titel is voor het eerdere verblijf op het grondgebied van een of meer lidstaten. Daarentegen is het visum vanaf het tijdstip dat het is ingetrokken, geen geldige titel meer ter rechtvaardiging van een verblijf (intrekking ex nunc).
57.
In de vierde plaats stelt artikel 34, leden 5 tot en met 7, van de visumcode verschillende te nemen stappen vast om de beslissing tot nietigverklaring te kunnen uitvoeren en de gevolgen ervan aan de houder ervan te kunnen tegenwerpen.
58.
Uiteraard verliest, zoals de Generalbundesanwalt opmerkt, een visum zijn geldigheid niet automatisch.
59.
De nietigverklaring van een visum is een bestuursrechtelijke beslissing die afhangt van een onderzoek van het bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de afgifte van een visum niet gerechtvaardigd was. De beslissing wordt vervolgens ter kennis gebracht van de houder van het visum. ( 27 ) De eisen van de rechtszekerheid verbieden namelijk dat een dergelijke beoordeling alsook iedere bestuursrechtelijke beslissing op dit punt aan de houder van het visum wordt tegengeworpen wanneer deze niet officieel hiervan in kennis is gesteld.
60.
Van de gemotiveerde beslissing wordt kennis gegeven door middel van het formulier van bijlage VI bij de visumcode. ( 28 ) De houder wordt hiervan ook op de hoogte gesteld door het aanbrengen op zijn visum van het stempel „NIETIG VERKLAARD”, alsmede door andere vermeldingen waaruit blijkt dat het visum ongeldig is verklaard. ( 29 )
61.
De kennisgeving strekt er in het bijzonder toe te waarborgen dat de houder van het visum in de eerste plaats weet dat hij op basis van zijn visum niet meer de Schengenruimte mag binnenkomen (en dit ook nooit heeft gemogen) om aldaar te verblijven, in de tweede plaats dat de autoriteiten tot hun conclusie zijn gekomen op grond van gegevens waarvan hij in kennis is gesteld, en in de derde plaats dat hij tegen deze beslissing beroep mag instellen overeenkomstig artikel 34, lid 7, van de visumcode. De beslissing moet zodanig worden toegelicht dat het hierdoor voor de houder van het visum mogelijk is om zijn rechten uit hoofde van deze bepaling en het bestuursrecht van de lidstaat die de beslissing heeft genomen, uit te oefenen. ( 30 ) Om de beslissing aan de belanghebbende te kunnen meedelen en de vermelding „NIETIG VERKLAARD” op zijn visum te kunnen aanbrengen, moet uiteraard kunnen worden vastgesteld waar hij verblijft.
62.
Ten slotte moeten de bevoegde autoriteiten volgens artikel 34, lid 8, van de visumcode de informatie over de nietig verklaarde visa in het VIS invoeren. ( 31 ) De andere lidstaten zijn dan ook op de hoogte dat de visumhouder op grond van het nietig verklaarde visum geen geldige verblijfstitel voor de Schengenruimte heeft en deze ook nooit heeft gehad.
63.
Zoals hierboven uiteengezet, voorziet artikel 34 van de visumcode een aantal te volgen stappen in de bestuursrechtelijke procedure teneinde de gevolgen van de nietigverklaring aan de visumhouder te kunnen tegenwerpen. Het artikel stelt daarentegen niet vast hoe deze stappen moeten worden uitgevoerd.
64.
Het lijkt mij ook duidelijk dat dit artikel 34 geen enkel aspect bevat op grond waarvan kan worden aangenomen dat het artikel betrekking heeft op de situatie van een derde die in een strafzaak betreffende hulpverlening bij illegale immigratie wordt aangeklaagd. Op dit punt wil ik overigens opmerken dat dit artikel 34 niet bepaalt dat iemand anders dan de visumhouder een bestuursrechtelijk beroep tegen een eventuele beslissing tot nietigverklaring van een visum kan instellen. Evenmin voorziet dit artikel erin dat een derde in een dergelijk beroep kan interveniëren.
65.
Daarom kan volgens mij onder de werkingsfeer van artikel 34 van de visumcode geen strafzaak vallen betreffende hulpverlening bij illegale immigratie van onderdanen van derde landen die over een, naar het zich laat aanzien, geldig eenvormige visum beschikten, dat weliswaar op onrechtmatige wijze is verkregen, maar nog niet nietig is verklaard.
Het Unierecht (afgezien van de visumcode) en de vraag naar de eventuele invloed van het feit dat een visum van een vermeend binnengesmokkelde vreemdeling niet nietig is verklaard, op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een derde die wordt beschuldigd van hulpverlening bij illegale immigratie
66.
Hoewel de visumcode het administratieve recht wat betreft de nietigverklaring van een visum slechts gedeeltelijk harmoniseert, moet toch worden nagegaan of het Unierecht, afgezien van de visumcode, eraan in de weg staat dat iemand in de situatie van Vo tot een strafsanctie kan worden veroordeeld, zolang de binnengesmokkelde personen over visa beschikken die geldig zijn, maar op onrechtmatige wijze zijn verkregen.
67.
Dienaangaande herinner ik aan de verplichting van een lidstaat tot het strafbaar stellen van het binnensmokkelen van onderdanen van derde landen die hun grondgebied binnenkomen en aldaar verblijven op een wijze die in strijd is met hun regelgeving betreffende de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen. ( 32 ) Een bestanddeel van dit strafbare feit is derhalve dat de binnenkomst en het verblijf van deze onderdanen onrechtmatig is. Deze onrechtmatigheid wordt op grond van richtlijn 2002/90 bepaald volgens het nationale recht. Uiteraard moet dit nationale recht in overeenstemming zijn met de relevante van toepassing zijnde regelgeving van de Unie, waaronder de voorwaarden en de procedures tot afgifte en nietigverklaring van een visum, en de doeleinden van richtlijn 2002/90 en kaderbesluit 2002/946 naleven, in het bijzonder waar het gaat om het bestraffen en het bestrijden van illegale immigratie.
68.
Staan richtlijn 2002/90 en kaderbesluit 2002/946 eraan in de weg dat de onrechtmatigheid van de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen in het kader van een strafzaak wordt vastgesteld, wanneer er geen beslissing tot nietigverklaring is?
69.
Het antwoord op deze vraag dient ontkennend te luiden.
70.
Noch richtlijn 2002/90 noch kaderbesluit 2002/946 strekken tot een onderlinge aanpassing van het strafrecht van de lidstaten op bewijsrechtelijk gebied. Deze regelgeving heeft namelijk enkel tot doel het strafbaar feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf, de uitzonderingen hierop en de hoofdregels voor sancties, aansprakelijkheid en rechtsmacht te omschrijven. ( 33 )
71.
Het Unierecht verhindert derhalve niet dat het strafrecht van een lidstaat toestaat dat aan de juridische kwalificatie van de onrechtmatige verkrijging van een visum een reeks bewijsmiddelen ten grondslag ligt zonder dat daaronder een eerdere bestuursrechtelijke beslissing tot nietigverklaring van het betrokken visum valt.
72.
Uiteraard kan de strafrechter, zoals de Duitse regering ter terechtzitting terecht heeft benadrukt, het nationale recht niet toepassen op een wijze die de doelstellingen van de Unie in gevaar brengt of de grondrechten schendt die het Unierecht aan een verdachte in een strafzaak verleent. ( 34 )
73.
Ik ben derhalve van mening dat uit het oogpunt van het Unierecht het feit dat een visum niet bij een eerdere administratieve beslissing nietig is verklaard, niet verhindert dat iemand in de situatie van Vo tot een strafsanctie wordt veroordeeld.
Het Unierecht en de vraag naar de eventuele invloed van het feit dat een vermeend binnengesmokkelde vreemdeling niet in kennis is gesteld van de beslissing tot nietigverklaring van zijn visum, op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een derde die wordt beschuldigd van hulpverlening bij illegale immigratie
74.
Mocht het Hof toch van oordeel zijn dat krachtens het Unierecht het visum eerst nietig had moeten worden verklaard, dan moet nog worden onderzocht of het recht van de Unie eraan in de weg staat dat iemand in de situatie van Vo tot een strafrechtelijke sanctie kan worden veroordeeld, zolang de betrokken vreemdelingen niet op de hoogte zijn gebracht van deze beslissing en de nietigverklaring niet aan de andere lidstaten ter kennis is gebracht.
75.
Mijns inziens is dat niet het geval. Deze zienswijze berust op dezelfde redenering op grond waarvan ik ook heb geconcludeerd dat het Unierecht er niet aan in de weg staat dat een lidstaat iemand strafrechtelijk bestraft wegens hulpverlening bij illegale immigratie, hoewel de binnengesmokkelde vreemdelingen over een, naar het zich laat aanzien, geldig eenvormige visum beschikten, dat weliswaar op onrechtmatige wijze is verkregen, maar nog niet nietig is verklaard. ( 35 )
76.
Overigens zou een andere uitlegging het doel van de bestrijding van illegale immigratie ernstig ondermijnen. Iemand die bij een organisatie van illegale immigratie is betrokken, zou voor zijn hulp bij het illegaal en zonder verblijfstitel laten verblijven van vreemdelingen in de Schengenruimte beloond worden. Zoals de meeste partijen die opmerkingen hebben gemaakt, stellen, zal de taak van de autoriteiten om officieel degenen die illegaal op het grondgebied zijn binnengekomen in kennis te stellen van een beslissing tot nietigverklaring immers nog moeilijker worden wanneer de mensensmokkelaar er nog meer belang bij heeft om hen te helpen zich te verbergen. Hierdoor zou de mensensmokkelaar waarschijnlijk nog meer aan zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor hulpverlening bij illegale immigratie kunnen ontkomen.
Conclusie
77.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de vraag als volgt te beantwoorden:
„De artikelen 21 en 34 van verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode), zoals gewijzigd, moeten aldus worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat een lidstaat een strafsanctie stelt op hulpverlening bij illegale immigratie van vreemdelingen die in het bezit zijn van een door bedrog verkregen eenvormig visum dat nog niet nietig is verklaard.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Opgemerkt moet worden dat de regelgeving van de Unie die hierna uiteen wordt gezet, slechts voor een klein deel in Ierland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk van toepassing is.
( 3 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243, blz. 1), zoals gewijzigd.
( 4 ) Zie voor de definitie van een eenvormig visum, punt 17 van deze standpuntbepaling.
( 5 ) Kaderbesluit van de Raad van 28 november 2002 tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB L 328, blz. 1; hierna: „kaderbesluit 2002/946”). Dit kaderbesluit is vastgesteld op dezelfde dag als richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB L 328, blz. 17; hierna: „richtlijn 2002/90”), hetgeen de onderlinge kruisverwijzingen tussen deze beide wettelijke regelingen verklaart.
( 6 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348, blz. 98). Deze richtlijn is overeenkomstig artikel 22 ervan in werking getreden op 13 januari 2009.
( 7 ) Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 105, blz. 1), zoals gewijzigd (hierna: „Schengengrenscode”). De Schengengrenscode stelt de gemeenschappelijke maatregelen vast die betrekking hebben op de overschrijding van binnengrenzen door personen, alsmede op het toezicht op de buitengrenzen; hierin is het „Schengenacquis” uitgewerkt, dat wil zeggen alle maatregelen om de controles aan de binnengrenzen af te schaffen en de controles aan de buitengrenzen te versterken. De Schengengrenscode geldt samen met de visumcode, die ter aanvulling van deze eerste code op een meer gedetailleerde wijze de procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa vaststelt.
( 8 ) De lijst van de betrokken landen is opgenomen in bijlage I bij verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81, blz. 1), zoals gewijzigd.
( 9 ) Artikel 5 van de visumcode bepaalt welke lidstaat bevoegd is om die aanvraag in behandeling te nemen.
( 10 ) De artikelen 18-21 van de visumcode.
( 11 ) Zie ook de voetnoot onderaan blz. 6 van deze standpuntbepaling. Deze voorwaarden komen in wezen overeen met die van artikel 21, lid 3, sub a tot en met d, van de visumcode.
( 12 ) Het VIS is een systeem van uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten op het gebied van visa, ingevoerd bij verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening) (PB L 218, blz. 60), en heeft onder meer tot doel bij te dragen aan de identificatie van personen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten.
( 13 ) Zie ook artikel 13, lid 1, van de Schengengrenscode.
( 14 ) Artikel 58, lid 2, van de visumcode.
( 15 ) Artikel 58, lid 5, van de visumcode.
( 16 ) SCH/Com-ex (93) 24 [PB 2000, L 239, blz. 154; hierna „besluit SCH/Com-ex (93) 24”]. Dit besluit is ingetrokken bij de visumcode. Zie artikel 56, lid 2, sub b, van de visumcode. Zie voor een uitleg over de interactie tussen het Schengenakkoord, de overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, het Gemeenschappelijk handboek, de Gemeenschappelijke visuminstructie, en de besluiten van het bij de overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord ingestelde Uitvoerend Comité, arrest van 18 januari 2005, Commissie/Raad (C-257/01, Jurispr. blz. I-345, punten 7-14).
( 17 ) Punt 1, eerste alinea, van besluit SCH/Com-ex (93) 24.
( 18 ) Punt 1, eerste alinea, van besluit SCH/Com-ex (93) 24. Daarentegen kon door „intrekking” van het visum „na binnenkomst van de vreemdeling op het grondgebied de resterende geldigheidsduur van het eenvormige visum worden geannuleerd” en was dit „een maatregel zonder terugwerkende kracht” [punt 2, tweede alinea, van besluit SCH/Com-ex (93) 24].
( 19 ) Gemeenschappelijke Instructies aan de diplomatieke en consulaire beroepsposten (PB 2005, C 326, blz. 1), zoals gewijzigd (bijlage 14).
( 20 ) Gesetz über den Aufenthalt, die Erwerbstätigkeit und die Integration von Ausländern im Bundesgebiet.
( 21 ) Artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/946 en artikel 1, lid 1, van richtlijn 2002/90, behoudens de mogelijkheid vervat in lid 2 van dit artikel, wanneer met een humanitair oogmerk wordt gehandeld (zie punt 9 van deze standpuntbepaling).
( 22 ) Artikel 34, lid 1, van de visumcode. Hieruit volgt derhalve ook dat een lidstaat een visum niet nietig mag verklaren ingeval op het moment van de afgifte ervan wel aan die voorwaarden was voldaan.
( 23 ) Dienaangaande sluit ik niet uit dat de nietigverklaring van een visum, waarvan de geldigheid is verstreken, nog een nuttige werking kan hebben. Mij lijkt dat in die omstandigheden de nietigverklaring van het visum en de kennisgeving hiervan aan de houder, het mogelijk zou maken om die houder met terugwerkende kracht de gevolgen van het niet geldig zijn van het visum voor de periode dat het visum geldig was, tegen te werpen.
( 24 ) Opgemerkt moet worden dat deze bepaling in andere taalversies ook verschillende werkwoorden gebruikt teneinde een onderscheid te maken tussen de verplichting van de lidstaat van afgifte en de bevoegdheid van de andere lidstaten.
( 25 ) In deze context wil ik ook herinneren aan de opmerking van het Hof in het arrest van 16 juni 2005, Pupino (C-105/03, Jurispr. blz. I-5285, punt 42), te weten: „Het zou voor de Unie moeilijk zijn haar taak doeltreffend te vervullen indien het beginsel van loyale samenwerking, dat onder meer inhoudt dat de lidstaten alle passende algemene en bijzondere maatregelen treffen om de nakoming van de voor hen uit het recht van de Europese Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, niet tevens gold in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, die overigens volledig is gegrondvest op de samenwerking tussen de lidstaten en de instellingen.”
( 26 ) Artikel 34, lid 2, van de visumcode.
( 27 ) De verplichting tot kennisgeving van de nietigverklaring aan de houder door middel van het standaardformulier van bijlage VI geldt pas sinds 5 april 2011 (zie punt 23 van deze standpuntbepaling). Daarvoor was het nationale recht van toepassing op de motivering en de kennisgeving van een degelijke beslissing.
( 28 ) Artikel 34, leden 1 en 6, van de visumcode.
( 29 ) Artikel 34, lid 5, van de visumcode.
( 30 ) Artikel 34, lid 7, van de visumcode betreffende het recht om beroep in te stellen tegen een beslissing tot nietigverklaring geldt pas vanaf 5 april 2011 (zie punt 23 van deze standpuntbepaling). Daarvoor was het nationale recht van toepassing op de mogelijkheid om een dergelijk beroep in te stellen.
( 31 ) Artikel 34, lid 8, van de visumcode.
( 32 ) Artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/946 en artikel 1, lid 1, van richtlijn 2002/90, behoudens de mogelijkheid vervat in lid 2 van dit artikel, wanneer wordt gehandeld met een humanitair oogmerk (zie punt 9 van deze standpuntbepaling).
( 33 ) Zie punt 3 van de considerans van richtlijn 2002/90 en punt 3 van de considerans van kaderbesluit 2002/946.
( 34 ) Op dit punt denk ik aan artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsmede aan artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
( 35 ) Toch moet hierbij worden vermeld dat het, volgens mij, niet voor de hand ligt dat de kennisgeving aan de rechthebbende en de mededeling aan de lidstaten, gelet op de bedoeling ervan, in een strafzaak die niet tegen de houder van het visum, maar tegen een derde is gericht, meer bewijskracht kunnen hebben dan de beslissing tot nietigverklaring.
Full & Egal Universal Law Academy