ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)
6 oktober 2015 ( *1 )
„Financiële bijstand — Zesde kaderprogramma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie — Terugvordering van door de Commissie in het kader van een onderzoeksovereenkomst betaalde bedragen ter uitvoering van de conclusies van een financiële audit — Verrekening van schuldvorderingen — Gedeeltelijke herkwalificatie van het beroep — Verzoek tot vaststelling dat een contractuele schuldvordering niet bestaat — Arbitragebeding — Subsidiabele kosten — Ongerechtvaardigde verrijking — Motiveringsplicht”
In zaak T‑216/12,
Technion – Israel Institute of Technology, gevestigd te Haïfa (Israël),
Technion Research & Development Foundation Ltd, gevestigd te Haïfa,
vertegenwoordigd door D. Grisay, advocaat,
verzoekers,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Calciu en F. Moro als gemachtigden, aanvankelijk bijgestaan door L. Defalque en S. Woog, vervolgens door Defalque en J. Thiry, advocaten,
verweerster,
betreffende enerzijds een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het verrekeningsbesluit in de brief van de Commissie van 13 maart 2012 aan Technion – Israel Institute of Technology dat strekte tot terugvordering van 97118,69 EUR, te weten het bedrag, vermeerderd met intresten, dat voor overeenkomst nr. 034984 (Mosaica) was herzien naar aanleiding van de conclusies van een financiële audit van onder meer dit contract, gesloten in het kader van het zesde kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, ter bevordering van de totstandbrenging van de Europese onderzoeksruimte en van innovatie (2002‑2006), en anderzijds een verzoek krachtens artikel 272 VWEU tot vaststelling dat de schuldvordering die de Commissie op basis van de overeenkomst Mosaica ten aanzien van Technion beweert te hebben en die in casu is verrekend, niet bestaat,
wijst
HET GERECHT (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, I. Pelikánová en E. Buttigieg (rapporteur), rechters,
griffier: S. Bukšek Tomac, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 april 2015,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Artikel 71, leden 1 tot en met 3, van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248, blz. 1; hierna: „financieel reglement”) bepaalt:
„1. De vaststelling van een schuldvordering is de handeling waarbij de gedelegeerde of gesubdelegeerde ordonnateur:
a)
het bestaan van de schuld van de debiteur verifieert;
b)
het bestaan en het bedrag van de schuld vaststelt of verifieert;
c)
de invorderbaarheid van de schuld verifieert.
2. De ter beschikking van de Commissie te stellen eigen middelen en elke als zeker, vaststaand en invorderbaar aangemerkte schuldvordering worden vastgesteld door middel van een invorderingsopdracht aan de rekenplichtige, gevolgd door een aan de debiteur gerichte debetnota, welke beide worden opgesteld door de bevoegde ordonnateur.
3. Ten onrechte betaalde bedragen worden teruggevorderd.”
2
Artikel 73, lid 1, van het financieel reglement luidt:
„De rekenplichtige neemt de door de bevoegde ordonnateur naar behoren opgestelde invorderingsopdrachten in behandeling. Hij is gehouden zorg te dragen voor het innen van de ontvangsten van de Gemeenschappen en toe te zien op het behoud van de rechten van de Gemeenschappen.
De rekenplichtige gaat over tot invordering door verrekening van de schuldvorderingen van de Gemeenschappen wanneer de debiteur zelf een zekere, vaststaande en invorderbare vordering op de Gemeenschappen heeft.”
3
Artikel 79 van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van het financieel reglement (PB L 357, blz. 1) luidt:
„Om een schuldvordering vast te stellen, vergewist de bevoegde ordonnateur zich van:
a)
het zekere karakter van de schuldvordering, waaraan geen voorwaarden verbonden mogen zijn;
b)
het vaststaande karakter van de schuldvordering, waarvan het bedrag nauwkeurig in geld moet worden uitgedrukt;
c)
het invorderbare karakter van de schuldvordering, waaraan geen termijn verbonden mag zijn;
[...]”
4
Artikel 83 van verordening nr. 2342/2002, zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 1248/2006 van de Commissie van 7 augustus 2006 (PB L 227, blz. 3), bepaalt:
„1. Wanneer de debiteur een zekere, vaststaande en invorderbare vordering op de Gemeenschappen heeft die betrekking heeft op een door een betalingsopdracht vastgesteld bedrag, gaat de rekenplichtige na het verstrijken van de in artikel 78, lid 3, onder b), bedoelde termijn over tot de inning van de vastgestelde schuldvorderingen door middel van verrekening.
[...]
3. De in lid 1 bedoelde verrekening heeft dezelfde gevolgen als een betaling en geldt voor de Gemeenschappen als kwijting voor het bedrag van de schuld en, in voorkomend geval, de verschuldigde rente.”
5
Verzoekers, Technion – Israel Institute of Technology en Technion Research & Development Foundation Ltd (hierna: „TRDF”), zijn actief op het gebied van onderwijs en onderzoek. Technion is meer bepaald een in 1912 opgericht instituut voor hoger technologisch onderwijs, terwijl TRDF een in 1952 opgerichte stichting is, volledig in handen van Technion en volledig door Technion gefinancierd, die de financiële en administratieve aspecten van Technions projecten regelt.
6
In december 2003 en juli 2006 heeft Technion als lid van de respectieve contracterende consortia met de Commissie van de Europese Gemeenschappen, die optrad voor rekening van de Europese Gemeenschap, vier overeenkomsten gesloten in het kader van het zesde kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, ter bevordering van de totstandbrenging van de Europese onderzoeksruimte en van innovatie (2002‑2006), namelijk de overeenkomst Terregov (ondertekend op 3 december 2003, met nummer 507749), de overeenkomst Cocoon (ondertekend op 11 december 2003, met nummer 507126), de overeenkomst Qualeg (ondertekend op 17 december 2003, met nummer 507767) en de overeenkomst Mosaica (ondertekend op 24 juli 2006, met nummer 034984).
7
De overeenkomst Mosaica betrof de uitvoering van het project „Semantically Enhanced, Multifaceted, Collaborative Access to Cultural Heritage (Mosaica)” [toegang met meerdere facetten tot cultureel erfgoed op basis van semantische technieken en gebruikersmedewerking (Mosaica)], dat een geheel van werkzaamheden betrof zoals beschreven in bijlage I bij de overeenkomst (hierna: „project”). Volgens artikel 4, lid 2, van de overeenkomst Mosaica duurde het project 30 maanden vanaf 1 juni 2006.
8
In artikel 5 van de overeenkomst Mosaica was bepaald dat de Gemeenschap zich ertoe verbond het project financieel te ondersteunen in de vorm van een subsidie voor de begroting.
9
In artikel 12 van de overeenkomst Mosaica werd het Luxemburgse recht aangewezen als toepasselijke recht. Voorts was in artikel 13 bepaald dat de rechterlijke instanties van de Europese Unie, het Hof of het Gerecht, bij uitsluiting bevoegd waren om kennis te nemen van de geschillen tussen de partijen met betrekking tot de geldigheid, de uitvoering of de uitlegging van de overeenkomst Mosaica.
10
Volgens artikel 14 van de overeenkomst vormden de algemene voorwaarden in bijlage II bij de overeenkomst (hierna: „algemene voorwaarden KP6”) een integrerend onderdeel van de overeenkomst.
11
In artikel II.19, lid 1, van de algemene voorwaarden FP6 was bepaald:
„Subsidiabele kosten die bij de uitvoering van het project zijn gemaakt, moeten aan alle volgende voorwaarden voldoen:
a)
zij moeten werkelijk gemaakt zijn, een economisch karakter hebben en voor de uitvoering van het project noodzakelijk zijn, en
[...]
d)
zij moeten zijn opgenomen in de boekhouding van de contractant die de kosten heeft gemaakt [...]. De boekhoudmethodes welke worden gebruikt om de kosten en ontvangsten te registreren moeten in overeenstemming zijn met de boekhoudregels welke worden gebruikt in de staat waar de contractant is gevestigd en moeten een rechtstreekse vergelijking mogelijk maken tussen de bij de verwezenlijking van het project gemaakte kosten en de ingekomen ontvangsten en het totaaloverzicht van de rekeningen met betrekking tot de totale zakelijke activiteiten van de contractant; [...]”
12
In artikel II.19, lid 2, van de algemene voorwaarden KP6 was bepaald welke niet-subsidiabele kosten niet ten laste van het project konden worden gebracht. Onder e) werden de kosten die in verband met een ander project van de Gemeenschap zijn gedeclareerd, gemaakt of terugbetaald, vermeld en onder i) alle andere kosten die niet voldeden aan de in artikel II.19, lid 1, gestelde voorwaarden.
13
In artikel II.20, lid 1, van de algemene voorwaarden KP6 werden de directe kosten gedefinieerd als alle kosten die voldeden aan de criteria van het bovenvermelde artikel II.19, die door de contractant in overeenstemming met zijn boekhoudsysteem konden worden geïdentificeerd en rechtsreeks aan het project konden worden toegeschreven.
14
Artikel II.24, lid 1, onder a), van de algemene voorwaarden KP6 bepaalde met name dat indien de Gemeenschap een bijdrage leverde aan het project via een subsidie voor de begroting, deze bijdrage gebaseerd moest zijn op de terugbetaling van subsidiabele kosten die door contractanten werden gevorderd.
15
In artikel II.29, lid 1, was met name bepaald dat de Commissie te allen tijde tijdens de looptijd van het contract en tot vijf jaar na de voltooiing van het project audits kon gelasten met betrekking tot wetenschappelijke, financiële of technologische aspecten die relevant zijn voor een correcte uitvoering van het project en het contract. Volgens dat beding konden bedragen die volgens de resultaten van een dergelijke audit aan de Commissie verschuldigd waren, worden teruggevorderd overeenkomstig artikel II.31 van de algemene voorwaarden KP6.
16
Artikel II.31, lid 3, van de algemene voorwaarden KP6 bepaalde dat de bedragen konden worden teruggevorderd door deze te verrekenen met aan de contractant verschuldigde bedragen, na deze laatste daarvan in kennis te hebben gesteld, of door eventuele financiële waarborgen aan te spreken. Voorafgaande toestemming van de contractant was niet vereist.
17
Bij brief van 29 april 2009 heeft de Commissie Technion in kennis gesteld van haar besluit om op grond van artikel II.29 van de algemene voorwaarden KP6 een financiële audit uit te voeren met betrekking tot de in het kader van de overeenkomsten Mosaica, Cocoon en Qualeg gevorderde kosten. De audit moest worden uitgevoerd door een ten aanzien van de Commissie extern accountantskantoor (hierna: „accountant”), dat zou optreden als vertegenwoordiger van de Commissie.
18
Op 10 mei 2010 heeft de accountant aan Technion een ontwerpauditverslag verstrekt. Voor elk van de overeenkomsten – Terregov, Cocoon, Qualeg en Mosaica, die uiteindelijk allemaal werden gecontroleerd – heeft de accountant een aanpassing voorgesteld van de kosten die Technion van de Commissie had gevorderd.
19
Wat in het bijzonder de overeenkomsten Cocoon, Terregov en Mosaica betreft, hadden de voorgestelde aanpassingen met name betrekking op de personeelskosten die Technion had gevorderd voor de medewerking van K., die door Technion tijdelijk was aangesteld voor de uitvoering van die overeenkomsten. De accountant meende, zakelijk weergegeven, dat hij niet kon vaststellen of de tijd en kosten die Technion met betrekking tot de diensten van K. aan de Commissie had gedeclareerd, reëel waren in de zin van artikel II.19, lid 1, onder a), van de algemene voorwaarden KP6, en betwijfelde of die prestaties werkelijk waren verricht. Zijn conclusie luidde derhalve dat met name alle directe kosten die Technion had gevorderd voor de door K. in het kader van de drie bovenvermelde overeenkomsten verrichte diensten, moesten worden afgewezen. Voor de overeenkomst Mosaica bedroegen die directe kosten 81487,38 EUR.
20
Bij brief van 10 juni 2010 heeft Technion de accountant verzocht om een bijkomende termijn van twee weken om zijn opmerkingen over het ontwerpauditverslag in te dienen. Voorts heeft het de accountant verzocht om mededeling van alle gegevens betreffende de diensten die K. voor andere entiteiten dan Technion had verricht terwijl hij voltijds bij Technion in dienst was.
21
Bij brief van 19 juli 2010 heeft de Commissie de gevraagde termijnverlenging verleend. Voorts heeft zij verklaard dat zij geen kopieën kon verstrekken van de financiële of administratieve documenten betreffende de diensten die K. voor andere entiteiten dan Technion had verricht, aangezien deze vertrouwelijk waren.
22
Bij brief van 13 augustus 2010 heeft Technion betwist dat de bovengenoemde documenten vertrouwelijk waren en verzocht om een minstens gedeeltelijke toegang tot deze documenten. Het heeft bovendien ten overvloede gepreciseerd dat de in het ontwerpauditverslag en de brief van de Commissie van 19 juli 2010 vermelde gegevens niet volstonden om de aan K. verweten feiten rechtens genoegzaam te bewijzen.
23
De Commissie heeft hierop geantwoord bij brief van 4 oktober 2010. Daarin heeft zij meegedeeld dat zij wat betreft de door de Unie gefinancierde projecten waaraan Technion deelnam en waarvoor andere entiteiten bedragen hadden gevorderd voor door K. verrichte diensten, aan Technion een kopie van de verslagen betreffende het projectbeheer (project management report; hierna: „PMR”) kon sturen, op grond dat deze verslagen waren opgesteld door consortia waarvan Technion lid was en het de inhoud ervan dus kende. De Commissie heeft het derde PMR van het project Qualeg en het eerste PMR van het project Mosaica aan de brief gehecht.
24
Daarentegen vielen volgens de Commissie de documenten die waren verkregen in het kader van audits bij leden van andere consortia, voor projecten waaraan Technion niet deelnam, en de documenten die waren verkregen in het kader van een onderzoek, onder de uitzondering van artikel 4 van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43), met betrekking tot de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits.
25
De Commissie heeft Technion tot slot een bijkomende termijn van twee weken vanaf de ontvangst van de brief van 4 oktober 2010 verleend, zodat het de twee documenten in de bijlage daarbij kon onderzoeken.
26
Bij brief van 18 oktober 2010 heeft Technion een confirmatief verzoek om toegang tot de litigieuze documenten ingediend.
27
Bij brief van 19 oktober 2010 aan de Commissie heeft Technion benadrukt dat het standpunt van de Commissie Technion belette opmerkingen te maken over de inhoud van de documenten op basis waarvan in het ontwerpauditverslag was voorgesteld alle kosten betreffende de betaling van K. af te wijzen, en in strijd was met het recht van verweer en het beginsel van hoor en wederhoor. Technion voegde daaraan toe dat de gegevens die de Commissie had meegedeeld in haar brieven van 19 juli en 4 oktober 2010 en het ontwerpauditverslag de aan K. verweten feiten niet rechtens genoegzaam bewezen. Tot slot verwachtte Technion een voorstel van datum voor de slotvergadering van de auditprocedure.
28
Bij brief van 26 oktober 2010 heeft het secretariaat-generaal van de Commissie de ontvangst van het confirmatief verzoek om toegang tot de documenten bevestigd en Technion meegedeeld dat het binnen vijftien werkdagen een antwoord op zijn verzoek zou ontvangen.
29
Bij brieven van 18 november en 9 december 2010 heeft het secretariaat-generaal van de Commissie meegedeeld de in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1049/2001 neergelegde termijn te moeten verlengen om te kunnen antwoorden op het betrokken verzoek om toegang tot de documenten.
30
Bij besluit van 30 juni 2011 heeft de secretaris-generaal van de Commissie de tot Technion gerichte weigering van toegang tot de documenten bevestigd.
31
Bij brief van 2 augustus 2011 heeft de Commissie, onder toevoeging van een kopie van het auditverslag, aan Technion meegedeeld dat zij de conclusies van dit verslag betreffende de uit te voeren aanpassingen bekrachtigde en de audit als beëindigd beschouwde. In die brief stelde de Commissie dat Technion de mogelijkheid had gehad opmerkingen te maken, en dat zij, hoewel het er officieel geen had geformuleerd, begreep dat Technion het niet volledig eens was met de conclusies van het auditverslag. Voorts verduidelijkte zij dat de aanpassingen later zouden gebeuren, ten aanzien van toekomstige betalingen of door middel van invordering van schuldvorderingen.
32
Bij brief van 26 augustus 2011 hebben verzoekers de conclusies van het auditverslag betwist en de Commissie meegedeeld dat zij voornemens waren beroep in te stellen tegen het besluit van 30 juni 2011. Zij hebben verzocht de auditprocedure op te schorten in afwachting van een rechterlijke beslissing.
33
Op 9 september 2011 hebben verzoekers beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 30 juni 2011, dat werd ingeschreven onder zaaknummer T‑480/11. Dit beroep is verworpen bij arrest van 12 mei 2015, Technion en Technion Research & Development Foundation/Commissie (T‑480/11, Jurispr., EU:T:2015:272).
34
Bij brief van 22 september 2011 heeft de Commissie verzoekers geantwoord dat zij geen gevolg kon geven aan hun verzoek om opschorting van de auditprocedure, aangezien de documenten die hun waren meegedeeld volgens haar voldoende aantoonden dat de door Technion gedeclareerde tijd en kosten niet betrouwbaar waren.
35
Op 11 oktober 2011 hebben verzoekers beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit dat in de brief van de Commissie van 2 augustus 2011 vervat zou zijn, dat werd ingeschreven onder zaaknummer T‑546/11. Dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard bij beschikking van 14 juni 2012, Technion en Technion Research & Development Foundation/Commissie (T‑546/11, EU:T:2012:303).
36
Bij brief van 19 oktober 2011 heeft de Commissie Technion meegedeeld dat zij voornemens was 97106,72 EUR in te vorderen, te weten het totale bedrag van de overeenkomst Mosaica dat naar aanleiding van het auditverslag was aangepast. In die brief werd gepreciseerd dat de Commissie Technion een debetnota zou sturen, behoudens andere opmerkingen van Technion binnen een termijn van twee weken. Daarnaast werd vermeld dat de aan de Commissie verschuldigde bedragen en de vertragingsrente konden worden verrekend of gedwongen ingevorderd.
37
Bij brief van 2 november 2011 hebben verzoekers de Commissie verzocht om de invorderingsprocedure op te schorten in afwachting van de rechterlijke beslissing in zaak T‑546/11.
38
Op 21 december 2011 hebben verzoekers beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit dat in de brief van de Commissie van 19 oktober 2011 vervat zou zijn, dat werd ingeschreven onder zaaknummer T‑657/11. Dit beroep is niet-ontvankelijk verklaard bij beschikking van 6 september 2012, Technion en Technion Research & Development Foundation/Commissie (T‑657/11, EU:T:2012:411).
39
Bij brief van 22 december 2011 heeft de Commissie, met name in repliek op de brief van 2 november 2011, te kennen gegeven dat zij gezien het achterwege blijven van gegevens die de conclusies van het auditverslag konden wijzigen, de uitvoeringsmaatregelen niet kon schorsen, noch de afgifte van het invorderingsbevel zoals aangekondigd in haar brief van 19 oktober 2011 kon uitstellen.
40
Op 19 januari 2012 heeft de Commissie Technion debetnota nr. 3241200225 ten belope van 97106,72 EUR gestuurd, met als uiterste betalingsdatum 5 maart 2012.
41
Bij brief van 13 maart 2012 heeft de Commissie Technion op de hoogte gebracht van haar besluit om binnen een termijn van twee weken het bedrag van 130000 EUR dat zij aan Technion verschuldigd was op basis van drie overeenkomsten, met referenties PCIG10-GA-2011‑303921-NLO, PIRG05-GA-2009‑249084 AC Removal Mechanism en PCIG10-GA-2011‑304020-CHAMP RNA HEL, krachtens artikel 73, lid 1, van het financieel reglement te verrekenen met het bedrag van 97118,69 EUR dat Technion – vermeerderd met vertragingsrente – aan haar verschuldigd was op basis van de overeenkomst Mosaica (hierna: „bestreden besluit”). De debetnota van 19 januari 2012 was aan die brief gehecht.
Procedure en conclusies van partijen
42
Bij op 18 mei 2012 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben verzoekers op grond van artikel 263 VWEU het onderhavige beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van het bestreden besluit.
43
Nadat de Commissie haar dupliek had ingediend, hebben verzoekers bij op 25 december 2012 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte het Gerecht verzocht op de dupliek te mogen antwoorden, teneinde een materiële fout in de repliek recht te zetten en uit te leggen waarom die fout geen weerslag had op hun betoog.
44
Bij beslissing van 11 januari 2013 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht verzoekers toelating verleend om op de dupliek te antwoorden, waarbij zij hun antwoord moesten beperken tot de in de brief van 25 december 2012 vermelde elementen.
45
Verzoekers hebben hun antwoord op de dupliek op 6 februari 2013 ingediend en de Commissie heeft haar opmerkingen over de aanvullende memorie van verzoekers op 8 maart 2013 neergelegd.
46
Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Eerste kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het partijen bij wege van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 schriftelijk een aantal vragen gesteld, die zij binnen de gestelde termijn hebben beantwoord.
47
Partijen hebben ter terechtzitting van 29 april 2015 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
48
In hun verzoekschrift verzoeken verzoekers het Gerecht om:
—
het bestreden besluit nietig te verklaren;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
49
In repliek hebben verzoekers het Gerecht bovendien verzocht de Commissie te gelasten aan Technion de bedragen over te maken die ten onrechte zijn ingehouden op basis van het bestreden besluit.
50
In haar verweerschrift verzoekt de Commissie het Gerecht om:
—
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van TRDF;
—
het beroep ongegrond te verklaren ten aanzien van Technion;
—
verzoekers te verwijzen in de kosten.
51
In dupliek verzoekt de Commissie het Gerecht de vordering van verzoekers in hun repliek niet-ontvankelijk te verklaren.
In rechte
Voorwerp van het beroep
52
Het onderhavige beroep is gebaseerd op artikel 263 VWEU en betreft formeel, zoals uitdrukkelijk wordt vermeld in de inleiding en het petitum van het verzoekschrift, een verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit. Ter ondersteuning van hun beroep hebben verzoekers in wezen drie middelen aangevoerd, te weten een „kennelijk onjuiste beoordeling door de Commissie”, onvoldoende motivering van het bestreden besluit en schending van het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking.
53
De uitdrukkelijke vermelding van artikel 263 VWEU als basis van het beroep en de opschriften van de middelen die zijn aangevoerd ter ondersteuning daarvan houden een verzoek in voor het Gerecht om zijn bevoegdheden inzake wettigheidstoetsing van het bestreden besluit uit te oefenen. Wat de aard van dat besluit betreft, zij eraan herinnerd dat een handeling zoals het bestreden besluit, waarbij de Commissie een buitengerechtelijke verrekening toepast van schulden en vorderingen die voortvloeien uit verschillende rechtsverhoudingen met dezelfde persoon, een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 263 VWEU is (zie in die zin arresten van 10 juli 2003, Commissie/CCRE, C‑87/01 P, Jurispr., EU:C:2003:400, punt 45; van 8 oktober 2008, Helkon Media/Commissie, T‑122/06, EU:T:2008:418, punt 46, en van 8 november 2011, Walton/Commissie, T‑37/08, Jurispr., EU:T:2011:640, punt 25). In het kader van een dergelijk beroep tot nietigverklaring moet het Gerecht de wettigheid van een verrekeningsbesluit onderzoeken in het licht van alle gevolgen ervan die verband houden met het ontbreken van de daadwerkelijke betaling van de betrokken bedragen aan de verzoekende partij (zie in die zin arresten Helkon Media/Commissie, reeds aangehaald, EU:T:2008:418, punt 46, en Walton/Commissie, reeds aangehaald, EU:T:2011:640, punt 25).
54
Niettemin moet worden vastgesteld dat verzoekers, door een „kennelijk onjuiste beoordeling door de Commissie” aan te voeren, in casu moeten worden geacht het Gerecht te verzoeken om krachtens artikel 272 VWEU vast te stellen dat de schuldvordering die de Commissie op basis van de overeenkomst Mosaica ten aanzien van Technion beweert te hebben en die het voorwerp was van de litigieuze verrekening (hierna: „litigieuze contractuele schuldvordering”), niet bestaat. Verzoekers betwisten met name de conclusie van het auditverslag dat de prestaties van K. niet „reëel” zijn in de zin van artikel II.19, lid 1, onder a), van de algemene voorwaarden KP6, en om hun betoog te staven hebben zij aan het verzoekschrift kopieën gehecht van de overeenkomsten tussen Technion en de Commissie, waaronder met name een kopie van de overeenkomst Mosaica.
55
Het onderhavige beroep strekt dus in feite niet enkel tot nietigverklaring van het bestreden besluit, maar ook tot vaststelling door het Gerecht dat de litigieuze contractuele schuldvordering van de Commissie ten aanzien van Technion niet bestaat.
56
In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht (zie punt 46 hierboven) hebben verzoekers de opvatting bevestigt dat het beroep een dubbel voorwerp heeft, meer bepaald een verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit en een vordering tot verkrijging van een declaratoire uitspraak waarbij het Gerecht vaststelt dat de litigieuze contractuele schuldvordering niet bestaat.
57
Aangezien de Unierechter in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU niet bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen tot verkrijging van een declaratoire uitspraak (zie in die zin beschikking van 9 december 2003, Italië/Commissie, C‑224/03, EU:C:2003:658, punten 20 en 21), maar de overeenkomst Mosaica in artikel 13 een arbitragebeding in de zin van artikel 272 VWEU bevat waarbij aan de Unierechter bij uitsluiting de bevoegdheid wordt toegekend om kennis te nemen van de geschillen tussen de partijen met betrekking tot de geldigheid, de uitvoering of de uitlegging van die overeenkomst, moet worden nagegaan of het in casu mogelijk is het onderhavige beroep gedeeltelijk te herkwalificeren als een beroep dat zowel is ingesteld op grond van artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het bestreden besluit, als op grond van artikel 272 VWEU, strekkende tot vaststelling dat de litigieuze contractuele schuldvordering van de Commissie niet bestaat. Aangezien de Unierechter op basis van artikel 272 VWEU optreedt met volledige rechtsmacht, en dus, anders dan wanneer hij de wettigheid op grond van artikel 263 VWEU toetst, kennis kan nemen van elke soort vordering krachtens een arbitragebeding (zie in die zin arrest van 26 februari 2015, Planet/Commissie, C‑564/13 P, Jurispr., EU:C:2015:124, punten 21‑27, en conclusie van advocaat-generaal Kokott in zaak Planet/Commissie, C‑564/13 P, Jurispr., EU:C:2014:2352, punten 19‑22), vormt dat artikel 272 VWEU de juiste rechtsgrondslag om te beslissen op het verzoek van verzoekers om vast te stellen dat de litigieuze contractuele schuldvordering niet bestaat.
58
Wat betreft de mogelijkheid om het onderhavige beroep gedeeltelijk te herkwalificeren als een beroep op basis van artikel 272 VWEU, is het vaste rechtspraak dat het Gerecht, wanneer het wordt verzocht om uitspraak te doen op een beroep tot nietigverklaring of een beroep tot schadevergoeding terwijl het in werkelijkheid gaat om een geschil van contractuele aard, het beroep herkwalificeert indien is voldaan aan de voorwaarden voor een dergelijke herkwalificatie (arrest van 19 september 2001, Lecureur/Commissie, T‑26/00, Jurispr., EU:T:2001:222, punt 38; beschikking van 10 mei 2004, Musée Grévin/Commissie, T‑314/03 en T‑378/03, Jurispr., EU:T:2004:139, punt 88, en arrest van 17 juni 2010, CEVA/Commissie, T‑428/07 en T‑455/07, Jurispr., EU:T:2010:240, punt 57).
59
Het Gerecht acht herkwalificatie van een beroep tot nietigverklaring onmogelijk bij een geschil van contractuele aard wanneer de uitdrukkelijke wil van de verzoekende partij om haar vordering niet te baseren op artikel 272 VWEU zich tegen een dergelijke herkwalificatie verzet, of wanneer het beroep niet gesteund is op een middel inzake schending van de op de betrokken contractuele verhouding van toepassing zijnde regels, ongeacht of het gaat om contractuele bedingen dan wel om bepalingen van het in de overeenkomst aangeduide nationale recht (zie arrest CEVA/Commissie, punt 58 supra, EU:T:2010:240, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
Bijgevolg kan het beroep worden geherkwalificeerd, zonder gevolgen voor de rechten van de verdediging van de verwerende instelling, indien dit niet indruist tegen de uitdrukkelijke wil van de verzoekende partij en het verzoekschrift overeenkomstig artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 minstens één middel bevat inzake schending van de op de betrokken contractuele verhouding van toepassing zijnde regels. Deze twee voorwaarden zijn cumulatief (zie in die zin arrest van 24 oktober 2014, Technische Universität Dresden/Commissie, T‑29/11, Jurispr., EU:T:2014:912, punt 44).
61
In casu hebben verzoekers in hun antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht (zie punt 46 hierboven) ingestemd met de gedeeltelijke herkwalificatie van het beroep.
62
Daarnaast hebben verzoekers, zoals reeds is opgemerkt in punt 54 hierboven, het bestaan van de litigieuze contractuele schuldvordering betwist onder uitdrukkelijke verwijzing naar artikel II.19, lid 1, van de algemene voorwaarden KP6.
63
Voorts zij opgemerkt dat de Commissie in haar verweerschrift de overeenkomst Mosaica in detail heeft weergegeven, waarbij zij de aandacht heeft gevestigd op de bedingen die relevant zijn voor de beslechting van het geschil. Bovendien heeft zij betoogd dat Technion de verbintenissen niet is nagekomen die voortvloeiden uit artikel II.19 van de algemene voorwaarden KP6, dat volgens de Commissie de financiële deelname van de Unie beperkt tot de subsidiabele kosten, te weten de werkelijk gemaakte en gerechtvaardigde kosten. Dat betoog toont aan dat de Commissie had begrepen dat verzoekers in wezen het bestaan van de litigieuze contractuele schuldvordering betwistten en zij zich dus doeltreffend had kunnen verdedigen in haar verweerschrift. Bovendien heeft de Commissie ter terechtzitting gesteld dat in geval van een gedeeltelijke herkwalificatie van het beroep haar recht van verweer niet zou worden aangetast.
64
De Commissie heeft zich ter terechtzitting evenwel verzet tegen de gedeeltelijke herkwalificatie van het beroep.
65
Meer bepaald heeft de Commissie in de eerste plaats betoogd dat de geldigheid van een verrekeningsbesluit enkel kan worden betwist in het kader van artikel 263 VWEU, zoals volgt uit de arresten Commissie/CCRE, punt 53 supra (EU:C:2003:400), en Helkon Media/Commissie, punt 53 supra (EU:T:2008:418).
66
Dat betoog vormt geen obstakel voor de gedeeltelijke herkwalificatie in casu, aangezien die herkwalificatie er niet toe strekt een toetsing door het Gerecht van de geldigheid van het bestreden besluit mogelijk te maken. Die toetsing kan worden verricht zonder herkwalificatie, op grond van artikel 263 VWEU, dat de uitdrukkelijke rechtsgrondslag van het ingestelde beroep is. De gedeeltelijke herkwalificatie in casu beoogt daarentegen het Gerecht in staat te stellen te beslissen op de vordering van verzoekers tot verkrijging van een declaratoire vaststelling dat de litigieuze contractuele schuldvordering niet bestaat. Aan die mogelijkheid tot gedeeltelijke herkwalificatie wordt niet afgedaan door de door de Commissie aangehaalde arresten Commissie/CCRE, punt 53 supra (EU:C:2003:400), en Helkon Media/Commissie, punt 53 supra (EU:T:2008:418).
67
In de tweede plaats heeft de Commissie aangevoerd dat het Gerecht in de beschikkingen Technion en Technion Research & Development Foundation/Commissie, punt 35 supra (EU:T:2012:303), en Technion en Technion Research & Development Foundation/Commissie, punt 38 supra (EU:T:2012:411), heeft geweigerd de betrokken beroepen tot nietigverklaring te herkwalificeren als beroepen op grond van artikel 272 VWEU, terwijl de ter ondersteuning van die beroepen tot nietigverklaring aangevoerde middelen dezelfde waren als de in casu aangevoerde middelen.
68
Dienaangaande zij opgemerkt dat er geen parallel kan worden getrokken tussen de zaken die hebben geleid tot de bovengenoemde beschikkingen en de onderhavige zaak. In die beschikkingen heeft het Gerecht vastgesteld dat verzoekers geen middel, argument of grief hadden aangevoerd inzake schending van de bepalingen van de betrokken overeenkomsten of van het toepasselijke nationale recht, zelfs niet summier (beschikkingen Technion en Technion Research & Development Foundation/Commissie, punt 35 supra, EU:T:2012:303, punten 62‑65, en Technion en Technion Research & Development Foundation/Commissie, punt 38 supra, EU:T:2012:411, punten 58‑60). In de onderhavige zaak hebben verzoekers, zoals blijkt uit de punten 54 tot en met 62 hierboven, wel een dergelijke schending van de bepalingen van de overeenkomst aangevoerd. De juridische en feitelijke omstandigheden die het Gerecht ertoe hebben gebracht de beroepen in de zaken die hebben geleid tot de bovengenoemde beschikkingen niet te herkwalificeren, verschillen dus van de omstandigheden aan de basis van de onderhavige zaak.
69
Tot slot heeft de Commissie in de derde plaats gesteld dat in casu een herkwalificatie niet nodig was, aangezien de wettigheidstoetsing van het Gerecht ook de uitlegging en de toepassing van de overeenkomst Mosaica zou kunnen betreffen. Om die stelling te staven heeft de Commissie de wettigheidstoetsing van het bestreden besluit vergeleken met de wettigheidstoetsing van een besluit tot gunning van een overheidsopdracht en gesteld dat de rechter, die in het kader van laatstbedoelde toetsing het bestek kan toetsen, naar analogie in het kader van de wettigheidstoetsing van het bestreden besluit de overeenkomst Mosaica kan toetsen. Daarnaast heeft de Commissie de arresten van 21 september 2011, Berliner Institut für Vergleichende Sozialforschung/Commissie (T‑34/08, EU:T:2011:504), van 28 maart 2012, Berliner Institut für Vergleichende Sozialforschung/Commissie (T‑296/08, EU:T:2012:162); van 13 september 2013, Berliner Institut für Vergleichende Sozialforschung/Commissie (T‑73/08, EU:T:2013:433), en van 12 december 2013, Berliner Institut für Vergleichende Sozialforschung/Commissie (T‑171/08, EU:T:2013:639) aangevoerd, waarin het Gerecht volgens haar de betrokken overeenkomsten had onderzocht in het kader van de wettigheidstoetsing van de bestreden handelingen.
70
Dienaangaande kan om te beginnen de parallel die de Commissie trekt tussen de onderhavige zaak en de rechtspraak inzake overheidsopdrachten niet slagen, aangezien het bestek geen overeenkomst is in het kader van een aanbestedingsprocedure. Wat voorts de verwijzing van de Commissie – in algemene en abstracte bewoordingen – naar de in punt 69 hierboven aangehaalde rechtspraak betreft, toont deze niet aan dat de gedeeltelijke herkwalificatie van het beroep in casu onmogelijk of onwenselijk zou zijn, terwijl die herkwalificatie beantwoordt aan de cumulatieve voorwaarden die daarvoor gelden volgens de in de punten 58 tot en met 60 hierboven aangehaalde vaste rechtspraak.
71
Gelet op het voorgaande moet het onderhavige beroep gedeeltelijk worden geherkwalificeerd als een beroep dat zowel is ingesteld op grond van artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het bestreden besluit, als op grond van artikel 272 VWEU, strekkende tot vaststelling dat de litigieuze contractuele schuldvordering van de Commissie niet bestaat.
72
Het deel van het beroep dat is gebaseerd op artikel 272 VWEU dient als eerste te worden onderzocht.
Verzoek tot vaststelling dat de litigieuze contractuele schuldvordering niet bestaat
73
Vooraf moet worden gepreciseerd dat het beroep wat betreft het verzoek tot vaststelling dat de litigieuze contractuele schuldvordering niet bestaat, enkel ontvankelijk is ten aanzien van Technion. Aangezien TRDF geen partij was bij de overeenkomst Mosaica, waarin het arbitragebeding was opgenomen, is het beroep wat betreft het bovenbedoelde verzoek niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door TRDF (zie in die zin arrest van 16 december 2010, Commissie/Arci Nuova associazione comitato di Cagliari en Gessa, T‑259/09, EU:T:2010:536, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Verzoekers hebben bovendien ter terechtzitting erkend dat het beroep niet-ontvankelijk is ten aanzien van TRDF wat betreft het deel dat is gebaseerd op artikel 272 VWEU.
74
Ten gronde komt Technion bij het Gerecht op tegen de conclusie van de accountant, zoals goedgekeurd door de Commissie, dat de van de Commissie gevorderde kosten voor de prestaties van K. niet „reëel” zijn in de zin van artikel II.19, lid 1, onder a), van de algemene voorwaarden KP6. In dat verband voert Technion aan dat de documenten waarover het beschikt, in het bijzonder het eerste PMR van het project Mosaica, dat het bij brief van 4 oktober 2010 ontving, niet aantonen dat K. in het kader van het project Mosaica voor verschillende entiteiten tegelijk heeft gewerkt. Technion stelt in dat verband ook dat zijn recht van verweer is geschonden tijdens de auditprocedure, voor zover het van de Commissie geen toegang kreeg tot de documenten waarop de accountant zijn conclusies zou hebben gebaseerd. Technion was derhalve niet in staat zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken.
75
De Commissie is het met dit betoog niet eens.
76
In herinnering zij gebracht dat de accountant van oordeel was dat alle directe kosten die Technion van de Commissie had gevorderd voor de prestaties van K. niet voor terugbetaling in aanmerking kwamen op grond dat hij niet kon vaststellen of die kosten reëel waren in de zin van artikel II.19, lid 1, onder a), van de algemene voorwaarden KP6 en niet zeker was dat zij werkelijk waren gemaakt.
77
In de eerste plaats heeft de accountant een aantal tekortkomingen met betrekking tot de tijdsregistratieformulieren (timesheets) van K. vastgesteld, waardoor aan de waarachtigheid van hun inhoud kon worden getwijfeld. Ten eerste waren die formulieren allemaal in een keer, op dezelfde datum, ondertekend en retroactief voor het voorgaande jaar. Ten tweede waren sommige formulieren niet ondertekend door de projectbeheerder (project manager). Ten derde leken de door K. geregistreerde uren gebudgetteerde uren (budgeted hours) en geen gepresteerde uren (actual hours), daar zij voor elke dag van de gehele gecontroleerde periode dezelfde waren.
78
In de tweede plaats heeft de accountant op basis van door de Commissie verstrekte gegevens en van zijn audit vastgesteld dat K. tegelijkertijd voor andere entiteiten dan Technion werkte. Volgens de vaststellingen van de accountant bleek uit de overeenkomsten tussen K. en Technion echter dat K. een voltijdse betrekking bij Technion had. Daarnaast was de accountant er tijdens de audit van op de hoogte gebracht dat K. volgens de overeenkomsten tussen hem en Technion niet tegelijk voor andere entiteiten mocht werken zonder Technion daarvan in kennis te stellen. Volgens de gegevens waarover de accountant beschikte, had K. geen kennisgeving in die zin aan Technion gericht.
79
Op basis van die elementen heeft de accountant zijn twijfels geuit over de reële aard van de door Technion bij de Commissie gedeclareerde tijd en kosten betreffende de prestaties van K. en heeft hij geconcludeerd dat hij niet in staat was vast te stellen of zij reëel waren. Hij heeft ook vastgesteld dat Technion evenmin in staat was aan te tonen dat zij reëel waren. Hij heeft dan ook voorgesteld om alle directe kosten die voor het werk van K. waren gevorderd, af te wijzen.
80
Opgemerkt zij dat Technion op geen enkel ogenblik is opgekomen tegen de vaststellingen van de accountant inzake de onbetrouwbaarheid van de tijdsregistratieformulieren van K. en, meer algemeen, inzake de onmogelijkheid voor hem om vast te stellen of de prestaties van K. in het kader van de verschillende projecten waaraan Technion deelnam, en in het bijzonder in het kader van het project Mosaica, reëel waren. Technion heeft daarentegen enkel de vaststelling betwist dat K. tegelijkertijd voor andere entiteiten werkte.
81
In dat verband moeten, zoals in het bijzonder volgt uit artikel II.19, lid 1, onder a) en d), en artikel II.20, lid 1, van de algemene voorwaarden KP6, de methodes voor registratie en certificatie van de werktijd die de contractant gebruikt, de Commissie in staat stellen na te gaan of de gedeclareerde kosten reële kosten zijn, die een economische grondslag hebben, noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project en rechtstreeks aan het project kunnen worden toegeschreven.
82
Vast staat dat de tijdsregistratieformulieren van het in het kader van een project aangestelde personeel voor de Commissie een middel zijn om de bovenbedoelde controles te verrichten en dat deze derhalve betrouwbaar moeten zijn. Bovendien volgt uit de rechtspraak dat het niet-nakomen van de verplichting om tijdens de financiële audit betrouwbare tijdsregistratieformulieren over te leggen om de gedeclareerde personeelskosten te rechtvaardigen, een voldoende reden is om al deze kosten af te wijzen (zie in die zin arrest van 22 mei 2007, Commissie/IIC, T‑500/04, Jurispr., EU:T:2007:146, punten 114‑117, en CEVA/Commissie, punt 58 supra, EU:T:2010:240, punt 139 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83
In casu heeft de accountant, bij ontbreken van betwisting door Technion dienaangaande, terecht geconcludeerd dat de drie in punt 77 hierboven geïdentificeerde elementen de tijdsregistratieformulieren van K. onbetrouwbaar maakten, zodat de Commissie geen instrumenten had om na te gaan of de gedeclareerde kosten voor terugbetaling in aanmerking kwamen.
84
Daarnaast zij opgemerkt dat Technion op geen enkel ogenblik bewijs heeft aangevoerd waaruit bleek dat de prestaties van K. reëel waren en dat, meer algemeen, afdeed aan de vaststelling van de accountant dat Technion niet kon verzekeren dat de voor de prestaties van K. gedeclareerde kosten reëel waren. Zoals de Unierechter reeds in herinnering heeft gebracht in het kader van een zaak over het zesde kaderprogramma, moeten de medecontractanten van de Commissie in staat zijn aan te tonen dat de gedeclareerde uitgaven, die volgens hen in aanmerking komen voor financiering door de begroting van de Unie, reëel zijn, en vloeit deze verplichting voort uit de op hen rustende noodzaak om te bewijzen dat is voldaan aan de in artikel II.19, lid 1, van de algemene voorwaarden van KP6 neergelegde voorwaarde van subsidiabiliteit van de kosten (arrest van 2 oktober 2012, ELE.SI.A/Commissie, T‑312/10, EU:T:2012:512, punt 115).
85
Technion heeft enkel gesteld dat de informatie die het had ontvangen, met name het auditverslag en het eerste PMR van het project Mosaica, niet aantoonde dat K. in het kader van dat project tegelijk voor meerdere entiteiten had gewerkt.
86
Om te beginnen toont dat betoog niet aan dat de tijdsregistratieformulieren van K. betrouwbaar waren of dat er, meer algemeen, binnen Technion sprake was van een controlesysteem op basis waarvan de Commissie kon nagaan of de gedeclareerde kosten beantwoordden aan de vereisten van artikel II.19, lid 1, onder a), van de algemene voorwaarden KP6 (zie punt 84 hierboven). Dit betoog slaagt dus niet.
87
In elk geval blijkt uit de aan Technion meegedeelde PMR’s, gelezen in samenhang met de informatie in het eindverslag van de audit, dat andere entiteiten dan Technion uren en kosten declareerden voor de diensten van K. in periodes waarin deze geacht werd voltijds voor Technion te werken (zie punt 78 hierboven). Die omstandigheid kon twijfel doen rijzen over de reële aard van alle uren en kosten die voor K. waren gedeclareerd, temeer daar zijn tijdsregistratieformulieren niet betrouwbaar waren. Het betoog van Technion ging niet verder dan een aantal abstracte en arbitraire gevolgtrekkingen, zonder dat het werd gestaafd door bewijs dat aantoonde dat de voor K. gedeclareerde uren daadwerkelijk waren gepresteerd.
88
Voorts kan het argument van Technion dat het de vereisten van de overeenkomst Mosaica voldoende was nagekomen door de prestaties „optimaal” uit te voeren, evenmin slagen. Volgens een fundamenteel beginsel op het gebied van financiële steun van de Unie, kan de Unie immers enkel steun verlenen voor daadwerkelijk gedane uitgaven. Uit dat beginsel volgt dat de begunstigde van de steun er niet mee kan volstaan aan te tonen dat een project is uitgevoerd om de toekenning van een specifieke subsidie te rechtvaardigen. Hij moet bovendien het bewijs leveren dat hij de gedeclareerde kosten heeft gemaakt, overeenkomstig de voorwaarden die gelden voor de toekenning van de betrokken steun, aangezien alleen voldoende verantwoorde kosten voor steun in aanmerking komen. De inachtneming van de gestelde financiële voorwaarden is zelfs één van zijn essentiële verplichtingen en is derhalve een voorwaarde voor de toekenning van financiële steun (zie arrest Technische Universität Dresden/Commissie, punt 60 supra, EU:T:2014:912, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89
Tot slot kan de grief van Technion inzake schending van zijn recht van verweer evenmin slagen, aangezien de informatie waarover het beschikte, volstond als basis voor de conclusies van het auditverslag. Hoe dan ook heeft het Gerecht in zijn arrest Technion en Technion Research & Development Foundation/Commissie, punt 33 supra (EU:T:2015:272), geoordeeld dat de Commissie Technion terecht de toegang tot bepaalde documenten had ontzegd op grond van verordening nr. 1049/2001.
90
Gelet op een en ander, mocht de Commissie oordelen dat geen van de kosten voor de prestaties van K. subsidiabel waren en beschikte zij dientengevolge over de litigieuze contractuele schuldvordering. Het verzoek van Technion op grond van artikel 272 VWEU moet derhalve worden afgewezen.
91
Daaruit volgt ook dat de vordering in repliek eveneens moet worden afgewezen. Die vordering is op grond van artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 hoe dan ook niet-ontvankelijk, aangezien zij voor het eerst is aangevoerd in repliek en dus tardief is [zie in die zin arrest van 31 januari 2001, Sunrider/BHIM (VITALITE), T‑24/00, Jurispr., EU:T:2001:34, punt 12].
Verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit
Ontvankelijkheid ten aanzien van TRDF
92
Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 op te werpen, stelt de Commissie dat het verzoek niet-ontvankelijk is ten aanzien van TRDF op grond dat zij niet rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
93
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het aan het Gerecht staat te beoordelen wat in de omstandigheden van het geval in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist (arrest van 26 februari 2002, Raad/Boehringer, C‑23/00 P, Jurispr., EU:C:2002:118, punten 50‑52). In casu acht het Gerecht het aangewezen zich eerst uit te spreken over de gegrondheid van het verzoek.
Ten gronde
94
Ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit voeren verzoekers twee middelen aan, te weten ontoereikende motivering van het bestreden besluit en schending van het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking.
– Middel betreffende ontoereikende motivering
95
Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt voeren verzoekers geen argumenten aan ter ondersteuning van het middel waarmee wordt gesteld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Hoe dan ook zij vastgesteld dat de Commissie de in artikel 296 VWEU neergelegde motiveringsplicht heeft nageleefd.
96
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard van de betrokken handeling en van de context waarin deze is vastgesteld. De motivering moet de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen, zodat de Unierechter zijn wettigheidstoetsing kan verrichten, en de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de maatregel teneinde hun rechten te kunnen verdedigen en te kunnen nagaan of het besluit al dan niet gegrond is (zie in die zin arrest van 28 maart 2012, Ryanair/Commissie, T‑123/09, Jurispr., EU:T:2012:164, punt 177 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
97
In de motivering hoeven niet alle relevante omstandigheden feitelijk en rechtens te worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van de rechtsregels die de betrokken materie beheersen. In het bijzonder is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat deze de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (zie arrest van 15 april 2011, Tsjechië/Commissie, T‑465/08, Jurispr., EU:T:2011:186, punt 163 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
98
In het geval van een verrekeningsbesluit moet aan de hand van de motivering precies kunnen worden bepaald welke schuldvorderingen worden verrekend, zonder dat kan worden verlangd dat de oorspronkelijke motivering voor de vaststelling van elke schuldvordering in de verrekeningshandeling wordt herhaald (arrest Tsjechië/Commissie, punt 97 supra, EU:T:2011:186, punt 164).
99
In casu identificeert het bestreden besluit duidelijk de schuldvorderingen die het voorwerp van de litigieuze verrekening zijn en de rechtsbetrekkingen waaruit die schuldvorderingen voortvloeien, namelijk de overeenkomst Mosaica enerzijds en de drie in punt 41 hierboven vermelde overeenkomsten anderzijds. Het bestreden besluit bevat als bijlage eveneens een kopie van de debetnota, waarin onder verwijzing naar de resultaten van de audit kort maar toereikend de oorsprong van de schuldvordering van de Commissie op Technion wordt uiteengezet. In de debetnota wordt eveneens verwezen naar het voorafgaand schrijven van de Commissie van 19 oktober 2011 (zie punt 36 hierboven), waarmee – voor zover dit nodig zou zijn – de context wordt verduidelijkt waarin die nota is opgesteld. Tot slot wordt in het bestreden besluit duidelijk de rechtsgrondslag ervan vermeld door een verwijzing naar artikel 73 van het financieel reglement.
100
Het bestreden besluit is dus tot stand gekomen in een context die verzoekers bekend was, zodat zij de strekking ervan konden begrijpen. Dit besluit is derhalve rechtens voldoende gemotiveerd. Het onderhavige middel moet bijgevolg worden afgewezen.
– Middel betreffende schending van het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking
101
Verzoekers stellen dat de Commissie met de litigieuze verrekening het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking heeft geschonden, aangezien haar vermogen zonder oorzaak of rechtvaardiging door de litigieuze verrekening werd verrijkt ten nadele van Technions vermogen.
102
De Commissie betwist dit betoog.
103
Zoals de Unierechter reeds heeft vastgesteld zijn de vorderingen wegens ongerechtvaardigde verrijking in de meeste nationale rechtsstelsels bedoeld om in bijzondere omstandigheden naar burgerlijk recht een bron van een niet-contractuele verbintenis te vormen voor degene die zich in de positie van de verrijkte bevindt, die er in het algemeen in bestaat terug te geven wat onverschuldigd is ontvangen [arrest van 16 november 2006, Masdar (UK)/Commissie, T‑333/03, Jurispr., EU:T:2006:348, punt 91].
104
De vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking kan enkel slagen indien de verrijking geen geldige rechtsgrondslag heeft. Die voorwaarde is met name niet vervuld wanneer de verrijking haar rechtvaardiging vindt in contractuele verbintenissen [arrest van 16 december 2008, Masdar (UK)/Commissie, C‑47/07 P, Jurispr., EU:C:2008:726, punt 46].
105
In casu heeft de beweerde verrijking van de Commissie haar grondslag in de overeenkomst Mosaica, die haar met Technion bindt. In die omstandigheden kan de verrijking niet worden geacht „zonder oorzaak” te zijn. Het onderhavige middel moet derhalve worden afgewezen.
106
Bijgevolg moet het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit worden afgewezen, zonder dat het door de Commissie bij wege van verweer opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid hoeft te worden onderzocht.
107
Uit een en ander volgt dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Kosten
108
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Eerste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Technion – Israel Institute of Technology en Technion Research & Development Foundation Ltd worden verwezen in de kosten.
Kanninen
Pelikánová
Buttigieg
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 oktober 2015.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy