14.4.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 109/33
Beroep ingesteld op 1 maart 2012 — Spanje/Commissie
(Zaak T-96/12)
2012/C 109/66
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: N. Díaz Abad, gemachtigde)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
vaststellen dat de Commissie heeft nagelaten de uitstaande saldi aan de Spaanse autoriteiten uit te betalen binnen twee maanden na de verstrekking van de in artikel D, lid 2, sub d, van bijlage II bij verordening (EG) nr. 1164/94 (1) genoemde documenten;
—
subsidiair, het in de brief van 22 december 2011 van de Commissie vervatte besluit met betrekking tot de aan deze instelling gerichte uitnodiging om het voor de programmeringsperiode 2000-2006 aan Spanje toegekende saldo ter afsluiting van de door het Cohesiefonds medegefinancierde projecten uit te betalen, nietig verklaren en vaststellen dat de Commissie die uitstaande saldi dient uit te betalen, en
—
verweerster verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
In de onderhavige procedure heeft het Koninkrijk Spanje een beroep wegens nalaten ingesteld tegen de niet-nakoming van de volgens verzoeker op verweerster rustende verplichting om de voor de programmeringsperiode 2000-2006 uitstaande aan Spanje toegekende saldi ter afsluiting van de door het Cohesiefonds medegefinancierde projecten uit te betalen.
Subsidiair heeft verzoeker ook een beroep tot nietigverklaring van het in de brief van 22 december 2011 van de Commissie vervatte besluit met betrekking tot de uitnodiging tot handelen van het Koninkrijk Spanje ingesteld voor het geval dat het Gerecht zou oordelen dat daarmee een einde is gemaakt aan het gestelde verzuim.
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoeker zes middelen aan:
1)
schending van artikel D, lid 5, van bijlage II bij verordening nr. 1164/94, doordat de Commissie het saldo van de projecten waarop de aanvraag betrekking heeft, niet binnen twee maanden heeft uitbetaald en die termijn niet is gestuit of geschorst;
2)
schending van het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de Commissie zich niet heeft gehouden aan een duidelijke rechtsbepaling met specifieke rechtsgevolgen;
3)
schending van artikel 18, lid 3, van verordening (EG) nr. 1386/2002 (2), doordat de Commissie geen besluit heeft genomen binnen drie maanden na de hoorzitting met de Spaanse autoriteiten;
4)
schending van artikel 12 van verordening nr. 1164/94, doordat de Commissie de bevoegdheden heeft overschreden die haar in die bepaling worden verleend ter zake van financiële controle;
5)
schending van artikel 15 van verordening nr. 1386/2002, doordat niet is voldaan aan de voorgeschreven voorwaarden waaronder de Commissie om verdere controle kan verzoeken, en
6)
schending van artikel H van bijlage II bij verordening nr. 1164/94, doordat de Commissie gebruik heeft gemaakt van de in dat artikel vastgestelde procedure terwijl niet is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden.
(1) Verordening van de Raad van 16 mei 1994 tot oprichting van een Cohesiefonds (PB L 130, blz. 1).
(2) Verordening van de Commissie van 29 juli 2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad met betrekking tot de beheers- en controlesystemen en de procedure inzake financiële correcties betreffende uit het Cohesiefonds toegekende bijstand (PB L 201, blz. 5).
Full & Egal Universal Law Academy