5.5.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 135/11
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 13 maart 2014 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad — Bulgarije) — Global Trans Lodzhistik OOD/Nachalnik na Mitnitsa Stolichna
(Gevoegde zaken C-29/13 en C-30/13) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Communautair douanewetboek - Artikelen 243 en 245 - Verordening (EEG) nr. 2454/93 - Artikel 181 bis - Voor beroep vatbaar besluit - Ontvankelijkheid van beroep in rechte wanneer niet eerst administratief beroep is ingesteld - Beginsel van eerbiediging van recht van verweer])
2014/C 135/12
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Sofia-grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Global Trans Lodzhistik OOD
Verwerende partij: Nachalnik na Mitnitsa Stolichna
Voorwerp
Verzoeken om een prejudiciële beslissing — Administrativen sad Sofia-grad — Uitlegging van de artikelen 243 en 245 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1) en van artikel 181 bis, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1) — Beginselen van het recht van verweer en het kracht van gewijsde — Recht op beroep tegen een beslissing van de douaneautoriteit om douaneschulden a posteriori in te vorderen, ook bij definitieve beslissingen van deze autoriteit — Ontvankelijkheid van een beroep in rechte wanneer niet eerst administratief beroep is ingesteld — Beslissing van de douaneautoriteit die in strijd met de procedurevoorschriften is genomen — Verplichting voor een rechterlijke instantie om in een dergelijk geval uitspraak te doen over het verzoek zonder rekening te houden met de verplichting om eerst administratief beroep in te stellen
Dictum
1)
Een besluit, zoals dit welk aan de orde is in het hoofdgeding, dat strekt tot herziening — overeenkomstig artikel 30, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 — van de douanewaarde van goederen, met daaruit voortvloeiend een mededeling aan de aangever van een aanvullende btw-schuld, vormt enerzijds een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 243 van verordening nr. 2913/92. Anderzijds verzet artikel 245 van verordening nr. 2913/92, gelet op de beginselen van het recht van verweer en het kracht van gewijsde, zich niet tegen een nationale wettelijke regeling, zoals die in het hoofdgeding, die in twee afzonderlijke beroepsprocedures voorziet om tegen besluiten van de douaneautoriteiten op te komen, wanneer deze regeling noch het gelijkwaardigheidsbeginsel noch het doeltreffendheidsbeginsel schendt.
2)
Artikel 243 van verordening nr. 2913/92 stelt voor de ontvankelijkheid van een beroep in rechte dat wordt ingesteld tegen besluiten die zijn vastgesteld krachtens artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3254/94, niet als voorwaarde dat eerst gebruik is gemaakt van de administratieve beroepen die tegen deze besluiten kunnen worden ingesteld.
3)
Artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3254/94, dient aldus te worden uitgelegd dat een krachtens dit artikel vastgesteld besluit als een definitieve beslissing moet worden beschouwd waartegen rechtstreeks beroep bij een onafhankelijke rechterlijke instantie kan worden ingesteld, zelfs indien bij de vaststelling van dit besluit het recht van de betrokkene om te worden gehoord en om opmerkingen te maken, niet in acht is genomen.
4)
Ingeval het recht van de betrokkene om te worden gehoord en om bezwaar te maken, waarin artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3254/94, voorziet, niet is nageleefd, staat het aan de nationale rechter om, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de bij hem aanhangig gemaakte zaak en tegen de achtergrond van het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel, te bepalen of hij, wanneer het met schending van het beginsel van de eerbiediging van het recht van verweer vastgestelde besluit op die grond nietig moet worden verklaard, verplicht is om het tegen dat besluit ingestelde beroep af te doen dan wel of hij kan overwegen om de zaak terug te verwijzen naar de bevoegde bestuursinstantie.
(1) PB C 108 van 13.4.2013.
Full & Egal Universal Law Academy