23.2.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 65/4
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 18 december 2014 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden — Nederland) — Staatssecretaris van Financiën/Schoenimport „Italmoda” Mariano Previti vof (C-131/13), T BV (C-163/13), T Mobile Phone’s BV (C-164/13)/Staatssecretaris van Financiën
(Gevoegde zaken C-131/13, C-163/13 en C-164/13) (1)
((Prejudiciële verwijzingen - Btw - Zesde richtlijn - Overgangsregeling voor het handelsverkeer tussen de lidstaten - Binnen de Gemeenschap verzonden of vervoerde goederen - Fraude gepleegd in de lidstaat van aankomst - Inaanmerkingneming van de fraude in de lidstaat van verzending - Weigering van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf - Ontbreken van bepalingen van nationaal recht))
(2015/C 065/05)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Staatssecretaris van Financiën (C-131/13), T BV (C-163/13), T Mobile Phone’s BV (C-164/13)
Verwerende partijen: Schoenimport „Italmoda” Mariano Previti vof (C-131/13), Staatssecretaris van Financiën (C-163/13 en C-164/13)
Dictum
1)
De door de Hoge Raad der Nederlanden in de zaken C-163/13 en C-164/13 gestelde vragen zijn niet-ontvankelijk.
2)
De Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, moet aldus worden uitgelegd dat het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat een belastingplichtige in het kader van een intracommunautaire levering de toepassing te weigeren van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde, ook indien de nationale wet niet voorziet in bepalingen van die strekking, indien aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde in het kader van een keten van leveringen.
3)
De Zesde richtlijn (77/388), zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7, moet aldus worden uitgelegd dat een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het recht van aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting over toegevoegde waarde wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde in het kader van een keten van leveringen, deze rechten kunnen worden geweigerd, ondanks dat de fraude is gepleegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin aanspraak op deze rechten wordt gemaakt en de belastingplichtige in deze laatste lidstaat heeft voldaan aan de formele voorwaarden die de nationale wet aan deze rechten verbindt.
(1) PB C 171 van 15.6.2013.
Full & Egal Universal Law Academy