10.11.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 395/11
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 4 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Lietuvos Aukščiausiasis Teismas — Litouwen) — Nickel & Goeldner Spedition GmbH/„Kintra” UAB
(Zaak C-157/13) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 1346/2000 - Artikel 3, lid 1 - Begrip „met een insolventieprocedure verbonden vordering die er nauw mee samenhangt” - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Artikel 1, lid 2, sub b - Begrip „faillissement” - Schuldvordering ingesteld door de curator - Vordering tot betaling van een schuldvordering voor internationaal goederenvervoer - Verhouding van de verordeningen nrs. 1346/2000 en 44/2001 tot het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR)])
2014/C 395/13
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Lietuvos Aukščiausiasis Teismas
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Nickel & Goeldner Spedition GmbH
Verwerende partij:„Kintra” UAB
Dictum
1)
Artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van die bepaling de vordering tot betaling van een schuldvordering voor vervoersdiensten valt die wordt ingesteld door de curator die is aangewezen in een in een lidstaat geopende insolventieprocedure tegen de in een andere lidstaat gevestigde ontvanger van die diensten.
2)
Artikel 71 van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat, indien een geding binnen de werkingssfeer valt van zowel die verordening als het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, ondertekend te Genève op 19 mei 1956, zoals gewijzigd bij het protocol van Genève van 5 juli 1978, een lidstaat volgens artikel 71, lid 1, van die verordening de regels inzake rechterlijke bevoegdheid van artikel 31, lid 1, van dat verdrag kan toepassen.
(1) PB C 156 van 1.6.2013.
Full & Egal Universal Law Academy