22.6.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 205/2
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 23 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Sigmaringen — Duitsland) — Sevda Aykul/Land Baden-Württemberg
(Zaak C-260/13) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 2006/126/EG - Onderlinge erkenning van rijbewijzen - Weigering van een lidstaat om de geldigheid te erkennen van een rijbewijs dat door een andere lidstaat is afgegeven aan iemand die onder invloed van verdovende middelen heeft gereden))
(2015/C 205/02)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgericht Sigmaringen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Sevda Aykul
Verwerende partij: Land Baden-Württemberg
Dictum
1)
De artikelen 2, lid 1, en 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs, moeten aldus worden uitgelegd dat zij er zich niet tegen verzetten dat een lidstaat op wiens grondgebied de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs tijdelijk verblijft, weigert de geldigheid van dit rijbewijs te erkennen wegens een strafbaar feit dat de betrokken houder op dit grondgebied heeft gepleegd nadat voornoemd rijbewijs is afgegeven en dat volgens de nationale wetgeving van de eerste lidstaat van dien aard is dat het ongeschiktheid tot het besturen van motorvoertuigen meebrengt.
2)
De lidstaat die in een situatie zoals die in het hoofdgeding weigert de geldigheid van een rijbewijs te erkennen, is bevoegd om de voorwaarden vast te stellen waaraan de houder van dit rijbewijs moet voldoen voor herstel van zijn rijbevoegdheid op het grondgebied van die lidstaat. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of de betrokken lidstaat zich door de toepassing van zijn eigen regels in feite niet voor onbepaalde duur verzet tegen de erkenning van het rijbewijs dat door een andere lidstaat is afgegeven. In deze context staat het ook aan die rechter om te verifiëren of de door de wetgeving van de eerste lidstaat opgelegde voorwaarden in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en niet buiten de grenzen treden van hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het door richtlijn 2006/126 nagestreefde doel, namelijk de veiligheid van het wegverkeer te verbeteren.
(1) PB C 189 van 29.6.2013.
Full & Egal Universal Law Academy