23.11.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 389/2
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 6 oktober 2015 — Europese Commissie/Jørgen Andersen, Koninkrijk Denemarken, Danske Statsbaner SV (DSB)
(Zaak C-303/13 P) (1)
([Hogere voorziening - Mededinging - Staatssteun - Steun die door de Deense autoriteiten is verleend aan de overheidsonderneming Danske Statsbaner (DSB) - Openbaredienstcontracten inzake passagiersvervoer per spoor tussen Kopenhagen (Denemarken) en Ystad (Zweden) - Besluit waarbij de steun verenigbaar met de interne markt is verklaard onder voorwaarden - Toepassing in de tijd van materiële rechtsregels])
(2015/C 389/02)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Armati en T. Maxian Rusche, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Jørgen Andersen (vertegenwoordigers: J. Rivas Andrés, G. van de Walle de Ghelcke en M. Nissen, avocats), Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordigers: C. Thorning en V. Pasternak Jørgensen, gemachtigden, bijgestaan door R. Holdgaard, advokat), Danske Statsbaner SV (DSB) (vertegenwoordiger: M. Honoré, advokat)
Interveniënte aan de zijde van Jørgen Andersen: Dansk Tog (vertegenwoordigers: G. van de Walle de Ghelcke, J. Rivas Andrés en M. Nissen, avocats)
Dictum
1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie Andersen/Commissie (T-92/11, EU:T:2013:143) wordt vernietigd voor zover het Gerecht daarbij artikel 1, tweede alinea, van besluit 2011/3/EU van de Commissie van 24 februari 2010 betreffende de contracten voor openbaarvervoersdiensten tussen het Deense ministerie van Vervoer en Danske Statsbaner [Steunmaatregel C 41/08 (ex NN 35/08)] nietig heeft verklaard wat betreft de steun die is betaald vanaf 3 december 2009 op grond van het tweede contract voor openbaarvervoersdiensten, dat was gesloten voor de periode 2005-2014.
2)
De principale hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.
3)
De incidentele hogere voorzieningen worden afgewezen.
4)
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie voor een beslissing, gelet op de drie middelen in het verzoekschrift en rekening houdend met artikel 8, lid 3, van verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad, over de rechtmatigheid van besluit 2011/3 voor zover daarbij de steun die is betaald vanaf 3 december 2009 op grond van het tweede contract voor openbaarvervoersdiensten, dat was gesloten voor de periode 2005-2014, verenigbaar met de interne markt is verklaard.
5)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
(1) PB C 252 van 31.8.2013.
Full & Egal Universal Law Academy