25.8.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 282/13
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 juni 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas — Litouwen) — Užsienio reikalų ministerija, Finansinių nusikaltimų tyrimo tarnyba/Vladimir Peftiev, BelTechExport ZAO, Sport-pari ZAO, BT Telecommunications PUE
(Zaak C-314/13) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen ten aanzien van Belarus - Bevriezing van tegoeden en economische middelen - Uitzonderingen - Betaling van honoraria in verband met verlening van juridische diensten - Beoordelingsvrijheid van bevoegde nationale autoriteit - Recht op effectieve rechterlijke bescherming - Gevolgen van onrechtmatige herkomst van tegoeden - Geen))
2014/C 282/18
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Užsienio reikalų ministerija, Finansinių nusikaltimų tyrimo tarnyba
Verwerende partijen: Vladimir Peftiev, BelTechExport ZAO, Sport-pari ZAO, BT Telecommunications PUE
Dictum
1)
Artikel 3, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 765/2006 van de Raad van 18 mei 2006 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Belarus, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 84/2011 van de Raad van 31 januari 2011 (PB L 28, blz. 17) en bij verordening (EU) nr. 588/2011 van de Raad van 20 juni 2011, moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde nationale autoriteit bij het beoordelen van een krachtens die bepaling ingediend verzoek om vrijstelling met het oog op het instellen van een beroep tot betwisting van door de Europese Unie opgelegde beperkende maatregelen, niet over een absolute beoordelingsvrijheid beschikt, maar haar bevoegdheden moet uitoefenen met inachtneming van de in artikel 47, tweede alinea, tweede volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie opgenomen rechten en van het vereiste door een advocaat te zijn vertegenwoordigd bij het instellen van een dergelijk beroep bij het Gerecht van de Europese Unie.
De bevoegde nationale autoriteit mag nagaan of de tegoeden waarvan de vrijgave wordt gevraagd, uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en vergoeding van in verband met de verlening van juridische diensten gemaakte kosten. Zij kan voorts de voorwaarden vaststellen die zij passend acht om met name te waarborgen dat de doelstelling van de opgelegde sanctie niet wordt doorkruist en de verleende vrijstelling niet wordt misbruikt.
2)
Artikel 3, lid 1, sub b, van verordening nr. 765/2006, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening nr. 84/2011 en bij verordening nr. 588/2011, moet aldus worden uitgelegd dat, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin tegoeden en economische middelen op grond van die verordening zijn bevroren, vrijstellingen van de bevriezing van tegoeden en economische middelen met het oog op de betaling van juridische diensten moeten worden beoordeeld in het licht van die bepaling, waarin geen melding wordt gemaakt van de herkomst van tegoeden of van hun mogelijke onrechtmatige verwerving.
(1) PB C 233 van 10.8.2013.
Full & Egal Universal Law Academy