24.11.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 421/13
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Supremo Tribunal Administrativo — Portugal) — Cruz & Companhia Lda/Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas, IP (IFAP)
(Zaak C-341/13) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Bescherming van de financiële belangen van de Unie - Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 - Artikel 3 - Vervolging van onregelmatigheden - Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) - Terugvordering van wederrechtelijk ontvangen uitvoerrestituties - Verjaringstermijn - Toepassing van een langere nationale verjaringstermijn - Gemeenrechtelijke verjaringstermijn - Administratieve maatregelen en sancties])
2014/C 421/17
Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Supremo Tribunal Administrativo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Cruz & Companhia Lda
Verwerende partij: Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas, IP (IFAP)
Dictum
1)
Artikel 3 van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op de vervolgingen die door de nationale autoriteiten tegen de ontvangers van steun van de Unie worden ingesteld naar aanleiding van onregelmatigheden die zijn vastgesteld door het nationale orgaan dat in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) belast is met de betaling van de uitvoerrestituties.
2)
De verjaringstermijn bedoeld in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 is niet alleen van toepassing op de vervolging van onregelmatigheden waarbij administratieve sancties in de zin van artikel 5 van die verordening worden opgelegd, maar ook op de vervolgingen waarbij administratieve maatregelen in de zin van artikel 4 van deze verordening worden getroffen. Ofschoon de lidstaten op grond van artikel 3, lid 3, van die verordening langere verjaringstermijnen mogen toepassen dan de in lid 1, eerste alinea, van dit artikel vastgestelde verjaringstermijnen van vier of drie jaar, welke langere verjaringstermijnen voortvloeien uit bepalingen van gemeen recht die dateren van vóór het tijdstip waarop deze verordening is aangenomen, gaat de toepassing van een verjaringstermijn van twintig jaar verder dan noodzakelijk is om het doel van bescherming van de financiële belangen van de Unie te bereiken.
(1) PB C 260 van 7.9.2013.
Full & Egal Universal Law Academy