15.6.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 198/5
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht — Duitsland) — Eintragungsausschuss bei der Bayerischen Architektenkammer/Hans Angerer
(Zaak C-477/13) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 2005/36/EG - Artikel 10 - Erkenning van beroepskwalificaties - Toegang tot het beroep van architect - Opleidingstitels die niet zijn opgenomen in bijlage V, punt 5.7.1 - Begrippen „bijzondere en uitzonderlijke reden” en „architect”))
(2015/C 198/06)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Eintragungsausschuss bei der Bayerischen Architektenkammer
Verwerende partij: Hans Angerer
in tegenwoordigheid van: Vertreter des Bundesinteresses beim Bundesverwaltungsgericht, Landesanwaltschaft Bayern als Vertreter des öffentlichen Interesses
Dictum
1)
Artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr.o279/2009 van de Commissie van 6 april 2009, moet aldus worden uitgelegd dat de aanvrager die in aanmerking wil komen voor het algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels als vervat in titel III, hoofdstuk I, van deze richtlijn, niet alleen moet aantonen dat hij in het bezit is van een opleidingstitel die niet in bijlage V, punt 5.7.1, daarbij is opgenomen, maar ook dat er sprake is van een „bijzondere en uitzonderlijke reden”.
2)
Artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36, zoals gewijzigd bij verordening nr. 279/2009, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „bijzondere en uitzonderlijke reden” in de zin van die bepaling verwijst naar de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de aanvrager niet in het bezit is van een in bijlage V, punt 5.7.1, bij de richtlijn opgenomen titel, waarbij die aanvrager echter niet met goed gevolg kan aanvoeren dat hij over beroepskwalificaties beschikt die hem in zijn lidstaat van oorsprong toegang geven tot een ander beroep dan het beroep dat hij in de ontvangende lidstaat wil uitoefenen.
3)
Artikel 10, onder c), van richtlijn 2005/36, zoals gewijzigd bij verordening nr. 279/2009, moet aldus worden uitgelegd dat het in die bepaling bedoelde begrip „architect” moet worden omschreven rekening houdend met de wettelijke regeling van de ontvangende lidstaat en dus niet noodzakelijkerwijs verlangt dat de aanvrager beschikt over een opleiding en ervaring die niet alleen betrekking hebben op technische werkzaamheden op het gebied van planning, toezicht en uitvoering, maar ook op artistiek-vormgevende, stedenbouwkundige en economische werkzaamheden en in voorkomend geval werkzaamheden op het gebied van de monumentenzorg.
(1) PB C 344 van 23.11.2013.
Full & Egal Universal Law Academy