15.6.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 198/9
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 16 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Efeteio Thrakis — Griekenland) — Trapeza Eurobank Ergasias AE/Agrotiki Trapeza tis Ellados AE (ATE), Pavlos Sidiropoulos
(Zaak C-690/13) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Staatssteun - Begrip - Artikel 87, lid 1, EG - Aan een bank verleende voorrechten - Onderneming die openbaredienstverplichtingen uitvoert - Bestaande steun en nieuwe steun - Artikel 88, lid 3, EG - Bevoegdheden van de nationale rechter))
(2015/C 198/12)
Procestaal: Grieks
Verwijzende rechter
Efeteio Thrakis
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Trapeza Eurobank Ergasias AE
Verwerende partijen: Agrotiki Trapeza tis Ellados AE (ATE), Pavlos Sidiropoulos
Dictum
1)
Artikel 87, lid 1, EG moet aldus worden uitgelegd dat voorrechten als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, op grond waarvan een bank eenzijdig een hypotheek mag vestigen op onroerende goederen van landbouwers of andere personen die een met de landbouwactiviteit verwante activiteit uitoefenen, een gedwongen executie mag inleiden op basis van een eenvoudige onderhandse akte en geen inschrijvingskosten of -rechten hoeft te betalen, binnen de werkingssfeer van deze bepaling kunnen vallen. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om te beoordelen of dit in het hoofdgeding het geval is.
2)
Voor de beantwoording van de eerste vraag, onder a), kan het een verschil maken dat voorrechten als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn en die door de nationale wettelijke regeling aan een onafhankelijke bank van openbaar nut zijn toegekend bij de oprichting ervan, rekening houdend met het feit dat zij landbouwkredieten verstrekt en met de specifieke taken waarmee zij belast is, nog steeds gelden nadat de functies van die bank zijn uitgebreid tot de uitoefening van iedere bancaire activiteit en zij een naamloze vennootschap is geworden. Het staat aan de verwijzende rechter om te onderzoeken of, gelet op alle relevante feitelijke en juridische gegevens, is voldaan aan de vier voorwaarden die volgens de rechtspraak van het Hof tegelijk moeten zijn vervuld om te kunnen aannemen dat deze voorrechten een compensatie vormen voor de prestaties die deze bank ter uitvoering van haar openbaredienstverplichtingen verricht, en dus geen staatssteun uitmaken.
3)
Artikel 87, lid 1, EG moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat die voorrechten als die van het hoofdgeding heeft ingesteld, de voorafgaande controleprocedure van artikel 88, lid 3, EG moet volgen wanneer deze voorrechten binnen de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG vallen, op voorwaarde dat zij nieuwe steun zijn geworden na het tijdstip waarop het Verdrag in de betrokken lidstaat in werking is getreden en dat de verjaringstermijn van artikel 15, lid 3, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG] nog niet is verstreken. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit het geval is.
4)
De artikelen 87, lid 1, EG en 88, lid 3, EG moeten aldus worden uitgelegd dat de verwijzende rechter, indien hij van oordeel is dat de betrokken voorrechten — gelet op het antwoord op de tweede vraag — nieuwe staatssteun uitmaken, de nationale bepalingen houdende instelling van deze voorrechten buiten toepassing moet laten wegens onverenigbaarheid met deze Verdragsbepalingen.
(1) PB C 78 van 15.3.2014.
Full & Egal Universal Law Academy