28.9.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 320/2
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 11 juni 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia — Spanje) — Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, SA/Fernando Quintano Ujeta, María Isabel Sánchez García
(Zaak C-602/13) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 93/13/EEG - Contractuele verhouding tussen een verkoper en een consument - Hypotheekovereenkomst - Vertragingsrentebeding - Beding inzake vervroegde opeisbaarheid - Hypothecaire executie - Matiging van de rente - Bevoegdheden van de nationale rechter))
(2015/C 320/02)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Juzgado de Primera Instancia
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, SA
Verwerende partijen: Fernando Quintano Ujeta, María Isabel Sánchez García
Dictum
1)
De artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen die voorzien in de matiging van de vertragingsrente in het kader van een hypothecaire lening voor zover die nationale bepalingen:
—
de beoordeling van het „oneerlijke” karakter van het vertragingsrentebeding door de nationale rechter bij wie de hypothecaire executieprocedure aanhangig is, onverlet laten en
—
die rechter niet beletten het beding in kwestie buiten toepassing te laten indien hij tot het oordeel komt dat het „oneerlijk” in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn is.
2)
Richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de nationale rechter heeft vastgesteld dat een beding in een consumentenovereenkomst „oneerlijk” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 is, het feit dat dat beding niet tot uitvoering is gebracht, op zich de nationale rechter niet kan verhinderen alle passende consequenties aan dat „oneerlijke” karakter te verbinden.
(1) PB C 31 van 1.2.2014.
Full & Egal Universal Law Academy