CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. WATHELET
van 5 maart 2014 ( 1 )
Zaak C‑103/13
Snezhana Somova
tegen
Glaven director na Stolichno upravlenie „Sotsialno osiguryavane”
[verzoek van de Administrativen sad Sofia‑grad (Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]
„Sociale zekerheid van migrerende werknemers — Vereiste van beëindiging van de verzekering voor de toekenning van ouderdomspensioen — Mogelijkheid om af te zien van de regel van samentelling van tijdvakken van premiebetaling en verzekering — Erkenning op grond van nabetaling van premie — Samenval van tijdvakken van verzekering in twee lidstaten — Beëindiging en terugvordering van betalingen — Verplichting tot betaling van rente — Beginselen van evenredigheid en doeltreffendheid”
I – Inleiding
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend ter griffie van het Hof op 4 maart 2013 door de Administrativen sad Sofia‑grad (bestuursgerecht Sofia, Bulgarije), betreft de uitlegging van de artikelen 48 VWEU en 49 VWEU en van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 ( 2 ), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 ( 3 ) (hierna: „verordening nr. 1408/71”), inzonderheid de artikelen 12, 46 en 94.
2.
Dit verzoek is gedaan in een geding tussen S. Somova, Bulgaars onderdaan, en de Glaven director na Stolichno upravlenie „Sotsialno osiguryavane” (directeur-generaal van de dienst Sociale Zekerheid van Sofia; hierna: „SUSO”).
3.
In het kader van dit geding verzoekt Somova om nietigverklaring van de beschikking van de directeur-generaal van de SUSO van 2 december 2011 houdende bekrachtiging van drie besluiten van de diensten van de SUSO waarin werd vastgesteld dat de toekenning van een Bulgaars ouderdomspensioen aan Somova vanaf 5 juli 2007 in strijd was met artikel 94, lid 1, van de Kodeks za sotsialno osiguriavane (Bulgaars wetboek inzake sociale zekerheid; hierna: „KSO”) en waarin bijgevolg terugvordering van de aan Somova betaalde bedragen, inclusief rente, werd gelast.
4.
Artikel 94, lid 1, KSO, in de van 27 december 2005 tot en met 31 december 2011 voor zelfstandigen geldende versie, stelde voor de toekenning van ouderdomspensioen als voorwaarde dat de betaling van premies was beëindigd.
5.
Volgens de bestreden beschikking had Somova op de datum waarop haar een ouderdomspensioen werd toegekend, geen einde gemaakt aan de betaling van socialezekerheidspremies in Oostenrijk, waar zij van oktober 1995 tot en met december 2000 en van januari 2001 tot en met juli 2011 werkzaam en verzekerd was onder het stelsel voor zelfstandigen in de zin van de Oostenrijke federale wet op de sociale zekerheid.
6.
De verwijzende rechter wenst van het Hof onder andere te vernemen of een nationale bepaling als artikel 94, lid 1, KSO raakt aan de vrijheid van een persoon die in een lidstaat ouderdomspensioen geniet om in een andere lidstaat werkzaamheden anders dan in loondienst te verrichten krachtens artikel 49 VWEU, dat de vrijheid van vestiging waarborgt.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
7.
Artikel 12 van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
„1. Krachtens deze verordening kan geen recht worden verkregen of gehandhaafd op verscheidene uitkeringen van dezelfde aard welke betrekking hebben op eenzelfde tijdvak van verplichte verzekering. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom, overlijden (pensioenen) en bij beroepsziekten, welke door de organen van twee of meer lidstaten overeenkomstig artikel 41, artikel 43, leden 2 en 3, de artikelen 46, 50 en 51 of artikel 60, lid 1, sub b, worden vastgesteld.
2. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, zijn de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet in geval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid of met andere inkomsten van welke aard ook, op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen of om inkomsten welke op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verworven.
[...]”
8.
Artikel 45, lid 1, van deze verordening luidt:
„Indien de wetgeving van een lidstaat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen krachtens een stelsel dat geen bijzonder stelsel is in de zin van lid 2 of lid 3, afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering of van wonen, houdt het bevoegde orgaan van deze lidstaat, voor zover nodig, rekening met de krachtens de wetgeving van elke andere lidstaat vervulde tijdvakken, ongeacht of deze onder een algemeen dan wel onder een bijzonder stelsel, en onder een stelsel voor werknemers dan wel onder een stelsel voor zelfstandigen zijn vervuld. Daartoe houdt het bevoegde orgaan rekening met deze tijdvakken alsof deze krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving waren vervuld.”
9.
Artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
„Wanneer aan de bij de wetgeving van een lidstaat voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden eerst is voldaan na toepassing van artikel 45 [...], gelden de volgende regels:
a)
het bevoegde orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en/of wonen, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de lidstaten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wetgeving zouden zijn vervuld. [...]
b)
het bevoegde orgaan stelt op basis van het sub a bedoelde theoretische bedrag vervolgens het werkelijke uitkeringsbedrag vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgeving van alle betrokken lidstaten zijn vervuld.”
10.
Artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 luidt:
„Voor de vaststelling van de aan deze verordening te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering, alsmede eventueel met elk tijdvak van arbeid of wonen, dat krachtens de wetgeving van een lidstaat vóór 1 oktober 1972 of vóór de datum van haar toepassing op het grondgebied van deze lidstaat of op een deel van het grondgebied van deze staat is vervuld.”
B – Bulgaars recht
11.
Artikel 4 KSO bepaalt:
„[...]
(3) De volgende personen zijn verplicht tegen invaliditeit door ziekte, tegen ouderdom en tegen overlijden verzekerd:
[...]
5.
personen die werkzaamheden anders dan in loondienst verrichten en daarvoor een maandelijkse vergoeding ontvangen die na aftrek van de volgens de regelgeving erkende kosten ten minste gelijk is aan een minimumloon, wanneer zij voor de betreffende maand niet op een andere grondslag verzekerd zijn;
6.
personen die werkzaamheden anders dan in loondienst verrichten en voor de betreffende maand op een andere grondslag verzekerd zijn, ongeacht de hoogte van de vergoeding.
[...]”
12.
Bij arrest nr. 5 van de Konstitutsionen sad (grondwettelijk hof) van 29 juni 2000 ( 4 ) is de verzekerings- en premiebetalingsplicht voor anders dan in loondienst werkzame gepensioneerden ongrondwettig verklaard. Deze zelfstandig werkzame gepensioneerden kunnen zich evenwel vrijwillig tegen de drie in artikel 4, lid 3, KSO genoemde risico’s verzekeren.
13.
Artikel 94 KSO, met het opschrift „Datum van toekenning van het pensioen”, in de versie die vanaf 27 december 2005 tot en met 31 december 2011 op zelfstandigen van toepassing was, bepaalde in lid 1:
„De pensioenen worden toegekend vanaf de datum van verkrijging van het recht en, voor ouderdomspensioenen, vanaf het moment van beëindiging van de verzekering, mits het verzoek, vergezeld van de vereiste bescheiden, binnen zes maanden na de verkrijging van het recht respectievelijk de beëindiging van de verzekering is ingediend. Indien de bescheiden na het verstrijken van de termijn van zes maanden na de verkrijging van het recht respectievelijk de beëindiging van de verzekering worden overgelegd, worden de pensioenen vanaf de datum van overlegging van de bescheiden toegekend.”
14.
De in artikel 94 KSO neergelegde verplichting tot beëindiging van de verzekering is voor zelfstandigen met ingang van 1 januari 2012 geschrapt.
15.
§ 9 van de overgangs- en slotbepalingen van de KSO bepaalt:
„[...]
(3)
Voor het verzekeringstijdvak ten behoeve van pensionering wordt tevens rekening gehouden met het tijdvak waarin de betrokkene de in artikel 68, leden 1 en 2, genoemde leeftijd heeft bereikt maar waarin sprake is van een premiebetalingstekort van vijf jaar tot het moment van verkrijging van het recht op pensioen, en waarin verzekeringspremies zijn afgedragen die zijn berekend op basis van het gegarandeerde minimuminkomen voor zelfstandigen dat krachtens de wet op de financiering van de verplichte staatsverzekering gold op de dag van betaling van deze premies, voor zover genoemd tijdvak niet krachtens een andere bepaling van dit wetboek als verzekeringstijdvak wordt meegeteld.
[...]
(5)
Voor een met toepassing van het derde lid verworven verzekeringstijdvak gaat het recht op pensioen in op de dag waarop de sociale premies worden betaald of op de dag waarop het aflossingsplan voor de betaling in termijnen van deze premies wordt goedgekeurd.”
III – Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16.
Op 18 januari 2007 heeft Somova een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen, waarin zij verklaarde dat zij sinds 4 juni 1996 niet verzekerd was geweest. Bij besluit van 6 februari 2007 is deze aanvraag afgewezen, omdat Somova, die over de periode van 18 januari 1967 tot en met 31 mei 1996 in Bulgarije premie had betaald ( 5 ), niet voldeed aan de door de Bulgaarse wet ten aanzien van leeftijd en verzekeringsduur gestelde voorwaarden.
17.
Op 22 juni 2007 heeft Somova een aanvraag voor een ouderdomspensioen ingediend op grond van § 9 van de overgangs- en slotbepalingen van de KSO in de in 2007 geldende versie. Deze bepaling stelde voor het ontstaan van een recht op een ouderdomspensioen als voorwaarde dat premies werden betaald voor het ontbrekende tijdvak, te weten twee jaar, zes maanden en zeventien dagen. Bij besluit van 5 juli 2007 is, op verzoek van Somova, een aflossingsplan voor de betaling in termijnen van de ontbrekende premies vastgesteld.
18.
Dezelfde dag heeft de dochter van Somova in haar hoedanigheid van gemachtigde van verzoekster schriftelijk bevestigd dat laatstgenoemde sinds 4 juni 1996 geen beroepsactiviteit had uitgeoefend en op 5 juli 2007 niet verzekerd was.
19.
Bij besluit van 11 juli 2007 is aan Somova met ingang van 5 juli 2007 ouderdomspensioen toegekend ten belope van het minimumbedrag, dat meermaals is aangepast.
20.
Nadat Somova in 2011 bij de bevoegde Oostenrijkse socialezekerheidsinstelling een aanvraag voor een ouderdomspensioen had ingediend, kwamen bij de SUSO op 20 september 2011 de formulieren E 001/AT en E 205/AT van deze instelling binnen. Daaruit bleek dat Somova vanaf oktober 1995 tot en met december 2000 en vanaf januari 2001 tot en met juli 2011 als zelfstandige in de zin van de Oostenrijkse federale wet op de sociale zekerheid bij het Oostenrijke stelsel van sociale zekerheid aangesloten was geweest. In de aan de orde zijnde periode oefende Somova het beroep van boerin uit.
21.
De SUSO heeft daaruit afgeleid dat Somova op 5 juli 2007 – de datum waarop haar het ouderdomspensioen werd toegekend – de betaling van socialezekerheidspremies niet had beëindigd. Op die grond heeft de SUSO het besluit tot toekenning van een ouderdomspensioen aan verzoekster alsook de besluiten waarbij het pensioenbedrag was verhoogd, bij drie besluiten nietig verklaard en de op basis van deze besluiten betaalde bedragen, met rente, teruggevorderd.
22.
Somova heeft deze besluiten langs administratieve weg aangevochten. Haar bezwaar is bij de bestreden beschikking van 2 december 2011 van de directeur-generaal van de SUSO afgewezen. Deze heeft geoordeeld dat de verklaring omtrent de beëindiging van de verzekering niet enkel op het socialezekerheidsstelsel in Bulgarije betrekking had, daar Somova krachtens artikel 84 bis van verordening nr. 1408/71 gehouden was de Bulgaarse socialezekerheidsinstelling ervan in kennis te stellen dat zij bij het socialezekerheidsstelsel van een andere lidstaat aangesloten was. Voorts had, zo stelde de directeur-generaal, krachtens de artikelen 44, lid 2, en 45 van voornoemde verordening rekening moeten worden gehouden met het verzekeringstijdvak van Somova in Oostenrijk en had § 9 van de overgangs- en slotbepalingen van de KSO derhalve buiten toepassing moeten blijven.
23.
Volgens Somova doet het feit dat zij ten tijde van de aanvraag van het Bulgaarse pensioen verzekerd was niet ter zake, daar zij sociaal verzekerd was in een andere lidstaat.
24.
In die omstandigheden heeft de door Somova aangezochte Administrativen sad Sofia‑grad besloten, met het oog op de beslechting van het geding de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
„1)
Moeten, in de omstandigheden van het hoofdgeding, de artikelen 48, eerste alinea, [VWEU] en 49, eerste en tweede alinea, [VWEU] aldus worden uitgelegd dat zij een nationale bepaling van een lidstaat toestaan, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde artikel 94, lid 1, [KSO], waarin beëindiging van de verzekering als voorwaarde voor de toekenning van ouderdomspensioen aan een onderdaan van een lidstaat die ten tijde van de pensioenaanvraag als zelfstandige in een andere lidstaat werkzaam is en binnen de werkingssfeer valt van [verordening nr. 1408/71]?
2)
Moet artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 juncto artikel 48, eerste alinea, sub a, VWEU aldus worden uitgelegd dat het een afwijking van de regel van samentelling van verzekeringstijdvakken toestaat wanneer het gaat om verzekeringstijdvakken die vervuld zijn in een andere lidstaat voordat de verordening werd toegepast door de lidstaat waar de pensioenaanvraag werd ingediend, door de verzekerde het recht te verlenen om te kiezen of hij aanvullende tijdvakken opgeeft en of hij samentelling daarvan wenst, wanneer het tijdvak dat alleen is vervuld krachtens het recht van de lidstaat waar de aanvraag werd ingediend, niet toereikend is voor het ontstaan van het recht op het pensioen zonder nabetaling van verzekeringspremies?
Staat in deze omstandigheden artikel 48, eerste alinea, sub a, VWEU toe dat het afzien van de toepassing van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 inzake de samentelling van tijdvakken van verzekering na de datum waarop laatstgenoemde verordening van toepassing is geworden, ter beoordeling staat van de verzekerde, doordat deze in zijn pensioenaanvraag de in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering niet opgeeft?
3)
Moet artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd dat het geen erkenning toestaat van tijdvakken van verzekering op grond van nabetaling van verzekeringspremies, zoals die in het Bulgaarse recht in § 9, lid 3, [van de overgangs- en slotbepalingen van] [de KSO] is voorzien, wanneer, zoals in de omstandigheden van het hoofdgeding, dergelijke erkende tijdvakken van verzekering samenvallen met tijdvakken van verzekering die krachtens het recht van een andere lidstaat zijn vervuld?
4)
Moet artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd dat het toestaat dat een lidstaat de pensioenbetaling beëindigt en alle betalingen uit hoofde van een aan een onderdaan van deze lidstaat krachtens nationaal recht toegekend ouderdomspensioen terugvordert, wanneer aan de voorwaarden van [deze verordening] eerst was voldaan op het moment van toekenning van het ouderdomspensioen, indien daartoe uitsluitend is overgegaan op gronden van nationaal recht (te weten dat op het tijdstip van de toekenning van het pensioen de verzekering van de betrokkene niet was beëindigd, dat krachtens het nationale recht een tijdvak van verzekering op grond van nabetalingen was erkend zonder inaanmerkingneming van de verzekeringstijdvakken die op het tijdstip van toekenning van het pensioen in een andere lidstaat waren vervuld) en geen redenen zijn aangevoerd waarom het pensioen niet op een ander bedrag is vastgesteld?
Indien de terugvordering van pensioenbetalingen is toegestaan, volgt dan uit de Unierechtelijke beginselen van evenredigheid en doeltreffendheid dat ook rente is verschuldigd wanneer het nationale recht van de lidstaat in het geval van terugvordering van een overeenkomstig volkenrechtelijk verdrag toegekend pensioen niet voorziet in rentebetalingen?”
IV – Procesverloop voor het Hof
25.
De Bulgaarse regering, Ierland en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 9 januari 2014 hebben de Bulgaarse regering en de Commissie pleidooi gehouden.
V – Analyse
A – Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen
26.
Ierland is van mening dat het prejudiciële verzoek niet-ontvankelijk is.
27.
Het voert aan dat de voorgelegde vragen waarover de verwijzende rechter in het hoofdgeding een beslissing moet nemen, van zuiver interne aard zijn en dat voor de beantwoording ervan noch de toepassing noch de uitlegging van het Unierecht nodig is. Ierland is met name van oordeel dat de verwijzingsbeslissing onvoldoende informatie over de feitelijke en juridische omstandigheden van het hoofdgeding biedt om duidelijk te maken in welk opzicht het Unierecht op de beslechting van dit geding van invloed zou kunnen zijn.
28.
Ik ben daarentegen van mening dat de prejudiciële vragen ontvankelijk zijn.
29.
Weliswaar heeft het hoofdgeding in wezen betrekking op het in artikel 94, lid 1, KSO neergelegde vereiste van beëindiging van premiebetaling als voorwaarde voor de toekenning van een Bulgaars ouderdomspensioen, maar de omstandigheden van het geschil tussen Somova en de directeur-generaal van de SUSO zijn niet volledig beperkt tot de interne sfeer van een lidstaat. Op het tijdstip waarop Somova in Bulgarije een ouderdomspensioen aanvroeg, was zij immers als zelfstandige werkzaam in Oostenrijk en oefende dus haar recht op vrije vestiging op grond van artikel 49 VWEU uit. ( 6 )
30.
Voorts heeft de verwijzende rechter vastgesteld dat bij Somova sprake is van samenloop van verzekeringstijdvakken in Bulgarije en Oostenrijk, met name ( 7 ) in het tijdvak van twee jaar, zes maanden en zeventien dagen dat krachtens paragraaf 9, lid 3, van de overgangs- en slotbepalingen van de KSO op grond van aanvullende premiebetalingen als verzekeringstijdvak in de zin van het Bulgaarse recht in aanmerking genomen is. Een dergelijke situatie wordt geregeld bij verordening nr. 1408/71.
B – Inhoud van de prejudiciële vragen
1. Eerste vraag
a) Argumenten
31.
In haar schriftelijke opmerkingen stelt de Bulgaarse regering zich op het standpunt dat artikel 94 KSO geen belemmering voor de uitoefening van de door artikel 49 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging oplevert. Zij merkt op dat verordening nr. 1408/71 in een coördinatie en niet een harmonisatie van de socialezekerheidsstelsels voorziet en dat het vereiste van beëindiging van de verzekering als grondslag voor de toekenning van ouderdomspensioen zonder discriminatie op alle aan het Bulgaarse recht onderworpen personen wordt toegepast.
32.
In het Bulgaarse stelsel, zo betoogt de Bulgaarse regering, wordt een ouderdomspensioen alleen toegekend bij beëindiging van een beroepsactiviteit als werknemer of zelfstandige, daar dit pensioen dient ter vervanging van de inkomsten die uit een beroepsactiviteit worden verkregen. Dienaangaande merkt zij op dat een vestiging in een andere lidstaat, rekening gehouden met de verschillen tussen de stelsels en de wettelijke regelingen van de lidstaten op dit gebied, naargelang van het geval, meer of minder voordelig of onvoordelig kan zijn voor de betrokken persoon, naargelang van de combinatie van nationale regelingen die krachtens verordening nr. 1408/71 van toepassing zijn. ( 8 )
33.
Ter terechtzitting van 9 januari 2014 heeft de Bulgaarse regering in antwoord op de schriftelijke en mondelinge vragen van het Hof bevestigd dat de verplichting om de verzekering te beëindigen zoals neergelegd in artikel 94, lid 1, KSO in de ten tijde van de toekenning van een ouderdomspensioen ( 9 ) aan Somova geldende versie, met zich bracht dat een beroepsactiviteit moest worden beëindigd. Zij heeft aangegeven dat deze verplichting een louter formeel vereiste was en dat beëindiging gedurende één dag volstond, waarna de beroepsactiviteit onmiddellijk kon worden hervat en zowel beroepsinkomsten als ouderdomspensioen konden worden genoten.
34.
Zij heeft hieraan toegevoegd dat dit vereiste geen specifiek doel had, en zelfs dat het geen belang diende en niet logisch was.
35.
Juist omdat de Bulgaarse autoriteiten beseften dat dit vereiste in grensoverschrijdende situaties problemen kon opleveren, hebben zij het met ingang van 1 januari 2012 voor zelfstandigen geschrapt en overwegen zij het ook voor werknemers af te schaffen, zo heeft de Bulgaarse regering uiteengezet.
36.
De Commissie is van mening dat artikel 94, lid 1, KSO ertoe leidt dat een werknemer, zodra hij de pensioenleeftijd volgens de Bulgaarse wetgeving bereikt, niet kan gaan werken in een andere lidstaat waar de pensioengerechtigde leeftijd hoger is zonder in Bulgarije zijn recht op pensioen te verliezen. Volgens de Commissie vormt de in geding zijnde nationale regel, waaruit voortvloeit dat de betrokkene geen aanspraak op een Bulgaars pensioen kan maken wanneer hij besluit als zelfstandige in een andere lidstaat te gaan werken, een belemmering voor de uitoefening van zijn recht op vrij verkeer.
37.
Ter terechtzitting van 9 januari 2014 heeft de Commissie aangevoerd dat de rechtspraak van het Hof inzake artikel 49 VWEU naar haar oordeel in de weg staat aan een nationale bepaling als artikel 94, lid 1, KSO, aangezien deze bepaling de uitoefening van de vrijheid van vestiging moeilijker of onmogelijk kan maken, ook al wordt zij zonder onderscheid op grond van nationaliteit toegepast. De Commissie heeft er voorts op gewezen dat een zelfstandige die de door hem in een andere lidstaat uitgeoefende beroepsactiviteit tijdelijk moet beëindigen, mogelijk niet in de gelegenheid zal zijn deze activiteit te hervatten.
b) Beoordeling
38.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de artikelen 48, eerste alinea, VWEU en 49, eerste en tweede alinea, VWEU zich verzetten tegen de toepassing van een maatregel van een lidstaat als artikel 94, lid 1, KSO die aan het recht op ouderdomspensioen in deze staat de voorwaarde verbindt dat de betaling van socialezekerheidspremies wordt beëindigd, ongeacht of de beroepsactiviteit waarop deze premies betrekking hebben in de genoemde staat of in een andere lidstaat uitgeoefend wordt.
39.
De verwijzende rechter suggereert dat het vereiste van beëindiging van premiebetaling, en daarmee de verplichting om de beroepsactiviteit te beëindigen – eventueel voor de duur van slechts één dag, een optie die door de Bulgaarse regering ter terechtzitting is bevestigd – in de praktijk effecten kan hebben die de vrijheid van vestiging belemmeren, met name omdat niet zeker is of een persoon die in een andere lidstaat een beroepsactiviteit uitoefent, deze activiteit na de beëindiging in kwestie kan hervatten.
40.
Ik zou willen opmerken dat een verzekerde volgens de verwijzende rechter na de toekenning van ouderdomspensioen het recht behield een activiteit uit te oefenen en dit ouderdomspensioen met inkomsten uit een beroepsactiviteit kon cumuleren. Een noodzakelijk, rechtstreeks verband tussen de betaling van een dergelijk pensioen krachtens het Bulgaarse recht en de beëindiging van een bezoldigde beroepsactiviteit ontbreekt derhalve. Een en ander is ter terechtzitting door de Bulgaarse regering bevestigd.
41.
Voorts blijkt uit de aan het Hof overgelegde stukken dat gepensioneerden die in loondienst werken, krachtens artikel 4, lid 3, KSO verplicht sociaal verzekerd zijn en dus sociale premies moeten afdragen, terwijl deze verplichting sinds het reeds aangehaalde arrest nr. 5 van de Konstitutsionen sad voor niet in loondienst werkzame gepensioneerden als ongrondwettig wordt beschouwd. Laatstgenoemden kunnen derhalve voortaan kiezen of zij in Bulgarije al dan niet sociale premies blijven afdragen. Wanneer een gepensioneerde (werknemer of zelfstandige) premies voor de sociale zekerheid afdraagt, wordt zijn pensioen naar rato verhoogd. ( 10 )
42.
Voorts staat vast dat Somova in Oostenrijk als zelfstandige heeft gewerkt en uit dien hoofde bij de bevoegde Oostenrijkse socialezekerheidsinstelling verzekerd is geweest vanaf oktober 1995 tot en met december 2000 en vanaf januari 2001 tot en met juli 2011. Vaststaat tevens dat Somova op het tijdstip waarop haar het Bulgaarse pensioen werd toegekend, te weten 5 juli 2007, krachtens artikel 13, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71 onder het Oostenrijkse socialezekerheidsstelsel viel en de betaling van premies in het kader van dit stelsel niet had beëindigd.
i) Is er sprake van discriminatie of belemmering?
43.
Het is vaste rechtspraak dat het bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie ter zake een aangelegenheid van de wetgever van elke lidstaat is, de voorwaarden vast te stellen waaronder een persoon zich bij een stelsel van sociale zekerheid kan of moet aansluiten en waaronder recht op uitkeringen bestaat. Vaststaat evenwel dat de lidstaten, hoewel artikel 48 VWEU verschillen tussen hun socialezekerheidsstelsels en bijgevolg in de rechten van de personen die op hun grondgebied werken laat voortbestaan, bij het uitoefenen van deze bevoegdheid niettemin het recht van de Unie dienen te eerbiedigen. ( 11 )
44.
Het feit dat een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, de voorwaarden voor toekenning van ouderdomspensioen betreft, sluit derhalve de toepasselijkheid van de bepalingen van het VWEU, met name die betreffende het vrije verkeer van personen, niet uit. ( 12 )
45.
Uit vaste rechtspraak volgt tevens dat de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van personen het de onderdanen van de Unie gemakkelijker beogen te maken, op het grondgebied van de Unie om het even welk beroep uit te oefenen, en in de weg staan aan regelingen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit wensen uit te oefenen, zelfs wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn. ( 13 ) Bijgevolg staan de bepalingen van het VWEU betreffende het vrije verkeer van personen in de weg aan elke maatregel die, zelfs wanneer hij zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is, het gebruik van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden door burgers van de Unie kan belemmeren of minder aantrekkelijk kan maken ( 14 ). Elke belemmering van deze vrijheden, hoe gering ook, is verboden ( 15 ), voor zover de gestelde belemmering niet te onzeker en indirect is. ( 16 )
46.
Hieruit volgt dat de Bulgaarse wetgever het recht heeft de voorwaarden voor toekenning van ouderdomspensioen in deze lidstaat vast te stellen, mits de voorwaarden geen onderscheid maken op grond van nationaliteit en geen beperking of belemmering vormen voor het vrije verkeer.
47.
Het komt mij voor, onder voorbehoud van een verificatie door de verwijzende rechter, dat de bestreden bepaling feitelijk en juridisch zonder onderscheid van toepassing is op Bulgaarse onderdanen en op onderdanen van andere lidstaten en dus niet discriminerend is. Zij lijkt mij echter wel een belemmering van het vrije verkeer en in casu de vrijheid van vestiging in te houden.
48.
Uit de bij het Hof neergelegde stukken blijkt immers dat ingevolge artikel 94, lid 1, KSO een formele beëindiging van de premiebetaling van zeer korte duur, zelfs van één dag, volstaat om een pensioen toegekend te krijgen ( 17 ). Een dergelijke beëindiging van de betaling van premies moge in Bulgarije eenvoudig zijn te realiseren en geen gevolgen hebben voor de uitoefening of hervatting van een beroepsactiviteit, in het bijzonder voor zelfstandigen, die kunnen kiezen de betaling van premies al dan niet te hervatten, maar in een andere lidstaat kan dit moeilijk of zelfs onmogelijk zijn. Gezien de administratieve rompslomp die met een dergelijke beëindiging in een andere lidstaat gepaard kan gaan, zou een werknemer die, zoals Somova, een ouderdomspensioen in Bulgarije wenst te verkrijgen, zijn beroepsactiviteit voor een langere, niet-voorzienbare periode moeten beëindigen, met alle gevolgen van dien voor de continuïteit van zijn werk.
49.
Zoals de verwijzende rechter aangeeft, kan een dergelijke beëindiging in een andere lidstaat gepensioneerden in een onzekere arbeidssituatie brengen. Voor een gepensioneerde zou het volstrekt onzeker kunnen zijn of hij na een dergelijke beëindiging naar zijn werk kan terugkeren en zelfs of hij ander werk kan vinden. Daar komt bij dat deze verplichte beëindiging, die het verloop en de ontwikkeling van zijn loopbaan verstoort, ook na zijn terugkeer op de arbeidsmarkt concrete en rechtstreekse gevolgen ( 18 ) kan hebben voor de voordelen die zijn beroepsactiviteiten hem kunnen opleveren.
50.
Ook het alternatief leidt tot nadelen, aangezien cumulatie van beroepsinkomsten met een Bulgaars ouderdomspensioen zonder beëindiging van de premiebetaling en de beroepsactiviteit in de andere lidstaat uitgesloten is.
51.
Ik herinner eraan dat de Bulgaarse regering ter terechtzitting heeft aangegeven dat het verval van deze verplichting voor zelfstandigen verband hield met het besef dat de verplichting in grensoverschrijdende situaties problemen zou kunnen opleveren.
ii) Kan de belemmering worden gerechtvaardigd?
52.
Volgens vaste rechtspraak zijn nationale maatregelen die belemmeringen van het vrije verkeer opleveren slechts toelaatbaar indien zij een doel van algemeen belang nastreven, geschikt zijn om de verwezenlijking daarvan te waarborgen en niet verder gaan dan noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. ( 19 )
53.
De verwijzende rechter is van oordeel dat het in artikel 94, lid 1, KSO neergelegde vereiste van beëindiging van de verzekering geen doel van algemeen belang nastreeft. Voorts herinner ik eraan dat de Bulgaarse regering ter terechtzitting van 9 januari 2014 aangegeven heeft dat onbekend is wat met dit zuiver formele vereiste werd beoogd, en zelfs of er een doel mee werd beoogd. Zij heeft hieraan zelfs toegevoegd dat het vereiste geen belang dient en niet logisch is, dat de in geding zijnde bepaling voor zelfstandigen sinds 1 januari 2012 is geschrapt en dat in Bulgarije momenteel wordt onderzocht of zij ook voor werknemers kan worden geschrapt.
54.
Het is derhalve duidelijk dat de in geding zijnde bepaling niet wordt gerechtvaardigd door een doelstelling van algemeen belang waarvan de verwezenlijking door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregel zou kunnen worden gewaarborgd.
55.
Gelet op het voorgaande moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 49 VWEU in de weg staat aan een nationale wettelijke bepaling van een lidstaat als artikel 94, lid 1, KSO die aan het recht op ouderdomspensioen de voorwaarde verbindt dat de betaling van socialezekerheidspremies wordt beëindigd.
2. Tweede vraag
a) Argumenten
56.
Volgens de Bulgaarse regering wenst de verwijzende rechter met deze vraag in wezen te vernemen of artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 afwijking van de samentellingsregel toestaat in het geval van verzekeringstijdvakken die in een andere lidstaat zijn vervuld voordat deze verordening werd toegepast door de lidstaat waar de pensioenaanvraag is ingediend, wanneer de enkel krachtens het recht van deze lidstaat vervulde tijdvakken niet toereikend zijn voor het verkrijgen van een recht op pensioen, behoudens aanvullende premiebetaling.
57.
In haar schriftelijke opmerkingen stelt de Bulgaarse regering zich op het standpunt dat verordening nr. 1408/71 de binnen haar werkingssfeer vallende personen enkel een keuze biedt wat betreft de toepasselijke wetgeving waar zij dat met zoveel woorden doet.
58.
Volgens de Bulgaarse regering wordt verordening nr. 1408/71 bij artikel 94, lid 2, terugwerkende kracht verleend doordat de lidstaten de verplichting opgelegd wordt rekening te houden met alle tijdvakken van verzekering, van arbeid of van wonen die krachtens de wetgeving van een lidstaat vóór 1 oktober 1972 of vóór de datum van toepassing van deze verordening op het grondgebied of een deel van het grondgebied van deze lidstaat zijn vervuld, wanneer dat noodzakelijk is om het recht van een persoon op een bepaald soort uitkering vast te stellen. De Bulgaarse regering is van oordeel dat deze bepaling tot doel heeft verlies van pensioenrechten te voorkomen en te waarborgen dat deze rechten door eenieder opgebouwd en behouden kunnen worden, ook voor verzekeringstijdvakken die vóór de datum van toepassing van voornoemde verordening zijn vervuld. Dit betekent dat voor de samentelling van de verzekeringstijdvakken in de eerste plaats de regels voor de samentelling van verzekeringstijdvakken moeten worden toegepast die in deze verordening zijn neergelegd en dat de betrokkene eerst daarna, mocht zijn bijdragetijdvak ontoereikend zijn, gebruik kan maken van de mogelijkheid die het nationale recht biedt om de ontbrekende verzekeringspremies alsnog te betalen.
59.
Ter terechtzitting van 9 januari 2014 heeft de Bulgaarse regering betoogd dat, daar waar verordening nr. 1408/71 tot de lidstaten en hun overheden is gericht, verzekerden de keuze moeten hebben de bepalingen van deze verordening al dan niet in te roepen. Indien een verzekerde ervoor kiest zich niet op genoemde verordening te beroepen, zo stelt deze regering, kan de nationale overheid haar niet ambtshalve op hem toepassen. De Bulgaarse regering is van mening dat het standpunt van Ierland en de Commissie dat verzekerden zich niet tegen de toepassing van verordening nr. 1408/71 kunnen verzetten, in tegenspraak is met het doel van deze verordening, namelijk verzekerden een voordeel bieden, en met de betekenis van het begrip subjectief recht.
60.
Ierland is van oordeel dat de formulering van artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 duidelijk en ondubbelzinnig is: deze bepaling is dwingend geformuleerd, aangezien zij bepaalt dat voor de vaststelling van de aan verordening nr. 1408/71 te ontlenen rechten „rekening [wordt] gehouden” met elk tijdvak van verzekering dat vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening op het grondgebied van een lidstaat krachtens de wetgeving van deze lidstaat is vervuld. Bijgevolg, zo stelt Ierland, kunnen de bewoordingen van deze bepalingen niet aldus worden uitgelegd dat zij de aanvrager het recht verlenen te besluiten dat relevante verzekeringstijdvakken bij de samentelling niet in aanmerking worden genomen. Indien verordening nr. 1408/71 particulieren het recht zou verlenen verzekeringstijdvakken uit te sluiten, zou dit volgens Ierland complicaties geven die de coördinatie van de nationale stelsels en daarmee de verwezenlijking van de doelstellingen van de interne markt in gevaar kunnen brengen.
61.
De Commissie is van oordeel dat verordening nr. 1408/71 overeenkomstig artikel 94, lid 2, in de onderhavige zaak van toepassing is. Zij stelt zich op het standpunt dat de toepassing van het bij deze verordening gevestigde collisiestelsel enkel van de objectieve situatie van de betrokken werknemer afhankelijk is. De binnen de werkingssfeer van de verordening vallende sociaal verzekerden kunnen zich niet tegen deze collisieregels verzetten en hebben niet het recht ervan af te wijken.
b) Beoordeling
62.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 sociaal verzekerden het recht verleent tijdvakken van verzekering uit te sluiten die vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening in Bulgarije in een andere lidstaat zijn vervuld. Wat in wezen wordt gevraagd, is of artikel 94, lid 2, van voornoemde verordening al dan niet dwingend is. ( 20 )
63.
Het is vaste rechtspraak dat waar verordening nr. 1408/71 de onder haar werkingssfeer vallende sociaal verzekerden een keuzerecht met betrekking tot de toepasselijke wetgeving biedt, zij dit met zoveel woorden doet. ( 21 )
64.
Artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat „[v]oor de vaststelling van de aan deze verordening te ontlenen rechten [...] rekening [wordt] gehouden met elk tijdvak van verzekering [...] dat krachtens de wetgeving van een lidstaat vóór 1 oktober 1972 of vóór de datum van haar toepassing op het grondgebied van deze lidstaat [...] is vervuld”. ( 22 ) Met Ierland ben ik van mening dat artikel 94, lid 2, van deze verordening zowel ondubbelzinnig als dwingend is geformuleerd.
65.
Het verplichtende karakter van deze bepaling vloeit duidelijk voort uit de formulering die in de Franse versie van de tekst wordt gebruikt („prise en considération”), maar ook uit die in de andere taalversies. ( 23 ) Deze bepaling laat noch de lidstaten, noch de bevoegde autoriteiten, noch de verzekerden enige speelruimte. Hieruit volgt dat voor de vaststelling van de pensioenrechten van Somova in Bulgarije tevens rekening moet worden gehouden met de verzekeringstijdvakken die zij krachtens de Oostenrijke wetgeving heeft vervuld vóór de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71 in Bulgarije. ( 24 )
66.
Naar mijn mening wordt aan deze beoordeling niet afgedaan door het feit dat het Hof in een arrest, namelijk het reeds genoemde arrest Habelt, heeft geoordeeld dat betrokkenen overeenkomstig artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 „kunnen eisen” ( 25 ) dat voor de vaststelling van de aan deze verordening te ontlenen rechten rekening wordt gehouden met elk tijdvak van verzekering, van arbeid of van wonen dat krachtens de wetgeving van een lidstaat vóór de datum van inwerkingtreding van de verordening is vervuld. Deze uitdrukking is vermoedelijk gebruikt vanwege de specifieke omstandigheden van het aan dit arrest ten grondslag liggende geval, waarin het voordeel dat verordening nr. 1408/71 ter zake van de inaanmerkingneming van in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen biedt, de betrokkenen nu juist onthouden werd.
67.
Derhalve ben ik van oordeel dat voor het vaststellen van de aan verordening nr. 1408/71 te ontlenen rechten overeenkomstig artikel 94, lid 2, van deze verordening met elk tijdvak van verzekering, van arbeid of van wonen dat krachtens de wetgeving van een lidstaat vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening is vervuld, verplicht rekening moet worden gehouden, met inbegrip van tijdvakken betrekking hebbend op het recht op ouderdomspensioen van een werknemer of zelfstandige op wie de wetgeving van twee of meer lidstaten van toepassing is geweest.
68.
Hieruit volgt dat Somova’s aanspraak op een Bulgaars ouderdomspensioen had moeten worden bepaald met samentelling van de door haar in Bulgarije en Oostenrijk vervulde verzekeringstijdvakken overeenkomstig artikel 45 van verordening nr. 1408/71 en niet op basis van § 9 van de overgangs- en slotbepalingen van de KSO.
69.
Voorts zou ik willen opmerken dat volgens de Administrativen sad Sofia‑grad „de in Oostenrijk vervulde tijdvakken toereikend zijn om te voorzien in het naar nationaal recht ontbrekende tijdvak, zonder dat het nodig is een tijdvak krachtens § 9 van de overgangs- en slotbepalingen van de KSO te erkennen”. Dit betekent dat de samentellings- en proratiseringsregels van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 op de berekening van het ouderdomspensioen van Somova van toepassing zijn, aangezien cumulatie van haar in Bulgarije en Oostenrijk vervulde verzekeringstijdvakken met toepassing van artikel 45 van voornoemde verordening volstaat om voor haar in Bulgarije recht op ouderdomspensioen te geven.
70.
Ik ben van oordeel dat de artikelen 45 en 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 eveneens een dwingend karakter hebben ( 26 ) en dat de verzekerde niet van de toepassing ervan kan afzien door in zijn aanvraag voor een ouderdomspensioen vermelding van de in een andere lidstaat vervulde verzekeringstijdvakken achterwege te laten.
71.
Bijgevolg hebben de artikelen 45, 46, lid 2, en 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 mijns inziens een dwingend en bindend karakter en laten zij niet toe dat de verzekerde afziet van de toepassing van de regels voor samentelling en proratisering van verzekeringstijdvakken die hij in een andere lidstaat heeft vervuld vóór de datum waarop voornoemde verordening werd toegepast door de lidstaat waar de pensioenaanvraag is ingediend.
3. Derde vraag
a) Argumenten
72.
Volgens de Bulgaarse regering kan ingevolge artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1408/71 krachtens deze verordening geen recht worden verkregen of gehandhaafd op verscheidene uitkeringen van dezelfde aard die betrekking hebben op eenzelfde tijdvak van verplichte verzekering. Zij is van mening dat artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1408/71 ondanks de uitzonderingen waarin het voorziet, in de weg staat aan de erkenning van een bijdragetijdvak op grond van nabetaling van verzekeringspremies krachtens nationaal recht wanneer het aldus erkende bijdragetijdvak samenvalt met krachtens het recht van een andere lidstaat vervulde verzekeringstijdvakken.
73.
De Commissie is van oordeel dat gelet op haar antwoord op de tweede vraag, deze vraag geen afzonderlijk antwoord behoeft.
b) Beoordeling
74.
Met zijn derde vraag wenst de Administrativen sad Sofia‑grad te vernemen of artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de erkenning van een tijdvak van verzekering op grond van nabetaling van verzekeringspremies overeenkomstig § 9, lid 3, van de overgangs- en slotbepalingen van de KSO wanneer, zoals in het hoofdgeding, het aldus erkende bijdragetijdvak samenvalt met tijdvakken van verzekering die krachtens de wetgeving van een andere lidstaat zijn vervuld.
75.
Gezien mijn antwoord op de tweede vraag inzake het dwingende en bindende karakter van de artikelen 45, 46, lid 2, en 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 is het naar mijn mening niet nodig de derde vraag afzonderlijk te beantwoorden. Zoals de Administrativen sad Sofia‑grad bevestigt, zijn de verzekeringstijdvakken die Somova in Oostenrijk heeft vervuld immers toereikend om te voorzien in het verzekeringstijdvak dat zij te kort kwam om krachtens het Bulgaarse recht aanspraak op ouderdomspensioen te kunnen maken, zonder dat het nog nodig is een tijdvak te erkennen uit hoofde van § 9, lid 3, van de overgangs- en slotbepalingen van de KSO. Bijgevolg was het, met name op grond van de samentellingsregel van artikel 45 van verordening nr. 1408/71, niet nodig en ook niet toegestaan § 9, lid 3, van de overgangs- en slotbepalingen van de KSO in te roepen.
4. Vierde vraag
a) Argumenten
76.
Volgens de Bulgaarse regering staat artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 toe dat een lidstaat de betalingen beëindigt en alle betalingen uit hoofde van een aan een onderdaan krachtens nationaal recht toegekend ouderdomspensioen terugvordert, wanneer de aanvrager op het tijdstip van indiening van de pensioenaanvraag heeft verzaakt aan de op hem rustende verplichting de op het grondgebied van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering door te geven. Zij is van mening dat het pensioen, wanneer nadien aan het licht komt dat in het buitenland een bijdragetijdvak is vervuld, opnieuw, in het licht van de door de andere lidstaat aangetoonde en erkende verzekeringsduur, moet worden berekend.
77.
De Commissie is van mening dat het eerste deel van de vierde vraag gezien haar antwoord op de eerste en tweede vraag reeds beantwoord is. Het tweede deel van de vierde vraag heeft betrekking op de invordering van schuldvorderingen en is gelet op de reeds gegeven antwoorden niet relevant.
b) Beoordeling
78.
Met zijn vierde vraag wenst de Administrativen sad Sofia‑grad te vernemen of artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 toestaat dat de aan Somova uit hoofde van ouderdomspensioen betaalde bedragen worden teruggevorderd vanwege samenloop van deze uitkeringen met andere, in Oostenrijk verworven inkomsten. Uit artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 blijkt immers dat de verminderingsbepalingen waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet in beginsel ( 27 ) van toepassing zijn op personen die voor rekening van deze lidstaat een uitkering genieten, wanneer zij andere socialezekerheidsuitkeringen of andere inkomsten van om het even welke aard kunnen genieten die in het bijzonder krachtens de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen of verworven.
79.
Uit het pleidooi ter terechtzitting van de Bulgaarse regering blijkt duidelijk dat het Bulgaarse recht de samenloop van een bezoldigde beroepsactiviteit en een ouderdomspensioen toestaat. In deze omstandigheden ben ik van oordeel dat artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 niet op de samenloop van de beroepsinkomsten van Somova in Oostenrijk en haar ouderdomspensioen in Bulgarije van toepassing is.
80.
Bovendien en ten overvloede wijs ik erop dat het ouderdomspensioen van Somova, gelet op mijn antwoorden op de tweede en derde vraag, berekend had moeten worden op basis van de samentellings- en proratiseringsregels van de artikelen 45 en 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71. Afgaande op de door de Administrativen sad Sofia‑grad verstrekte gegevens, en onder voorbehoud van een door dit college te verrichten verificatie, lijkt het er overigens op dat het krachtens deze bepalingen van verordening nr. 1408/71 toegekende pensioen niet verschilt van het pensioen dat bij het besluit van de SUSO van 11 juli 2007 is vastgesteld. ( 28 )
VI – Conclusie
81.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de eerste, de tweede en de vierde prejudiciële vraag van de Administrativen sad Sofia‑grad achtereenvolgens te beantwoorden als volgt:
„1)
Artikel 49 VWEU verzet zich tegen een wettelijke regeling van een lidstaat als artikel 94, lid 1, van de Kodeks za sotsialno osiguriavane (Bulgaars wetboek van sociale zekerheid) die aan het recht op ouderdomspensioen de voorwaarde verbindt dat de betaling van socialezekerheidspremies wordt beëindigd.
2)
De artikelen 45, 46, lid 2, en 94, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006, hebben een dwingend en bindend karakter en staan niet toe dat de verzekerde afziet van de toepassing van de regels van samentelling en proratisering van verzekeringstijdvakken die vervuld zijn in een andere lidstaat voordat deze verordening werd toegepast door de lidstaat waar de pensioenaanvraag werd ingediend.
3)
Artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1992/2006, is niet van toepassing op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde samenloop van beroepsinkomsten en socialezekerheidsuitkeringen.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB 1997, L 28, blz. 1.
( 3 ) PB L 392, blz. 1.
( 4 ) Zaak 4/2000, DV nr. 55 voor het jaar 2000.
( 5 ) Dat wil zeggen gedurende 33 jaar, 11 maanden en 17 dagen, blijkens de door de Bulgaarse werkgevers van verzoekster opgestelde documenten over haar aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel en haar beloningen.
( 6 ) Naar het oordeel van de verwijzende rechter zou het vereiste van beëindiging van de verzekering van invloed kunnen zijn op het besluit van verzoekster om zich krachtens artikel 49 VWEU op het grondgebied van een andere lidstaat te vestigen, aangezien zij er niet zeker van kan zijn of zij haar activiteit als zelfstandige na het beëindigen van de verzekering kan voortzetten.
( 7 ) De verwijzende rechter heeft aangegeven dat ook in de periode van oktober 1995 tot en met mei 1996 bij verzoekster samenloop van verzekeringstijdvakken, in dezelfde lidstaten, aan de orde was, zonder te vermelden hoe een dergelijke samenloop zou hebben kunnen ontstaan.
( 8 ) Arrest van 16 juli 2009, von Chamier-Glisczinski (C-208/07, Jurispr. blz. I-6095, punt 85).
( 9 ) In de versie geldend van 27 december 2005 tot en met 31 december 2011, die op de omstandigheden van het hoofdgeding van toepassing is.
( 10 ) Het komt mij voor dat deze bepalingen van het Bulgaarse recht gepensioneerden er veeleer toe aanzetten te blijven werken en premie te betalen.
( 11 ) Zie in die zin arresten van 26 januari 1999, Terhoeve (C-18/95, Jurispr. blz. I-345, punten 33‑35), en 21 februari 2013, Salgado González (C‑282/11, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 35‑37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 12 ) Zie in die zin arrest Terhoeve, reeds aangehaald (punt 35), en arrest van 12 juli 2001, Vanbraekel e.a. (C-368/98, Jurispr. blz. I-5363, punt 42).
( 13 ) Arresten van 15 december 1995, Bosman (C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 96); Terhoeve, reeds aangehaald (punt 39); 27 januari 2000, Graf (C-190/98, Jurispr. blz. I-493, punt 23); 30 september 2003, Köbler (C-224/01, Jurispr. blz. I-10239, punt 74); 2 oktober 2003, Van Lent (C-232/01, Jurispr. blz. I-11525, punt 16); 17 maart 2005, Kranemann (C-109/04, Jurispr. blz. I-2421, punt 26), en 11 januari 2007, ITC (C-208/05, Jurispr. blz. I-181, punt 33).
( 14 ) Zie in die zin arresten van 5 oktober 2004, CaixaBank France (C-442/02, Jurispr. blz. I-8961, punt 11), en 10 maart 2011, Casteels (C-379/09, Jurispr. blz. I-1379, punten 21 en 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 15 ) Zie in die zin arrest van 1 april 2008, regering van de Franse Gemeenschap en Waalse regering (C-212/06, Jurispr. blz. I-1683, punt 52).
( 16 ) Arrest van 27 januari 2000, Graf (C-190/98, Jurispr. blz. I-493, punt 25).
( 17 ) Ervan uitgaande dat alle andere voorwaarden, met name ten aanzien van leeftijd en verzekeringsduur, zijn vervuld.
( 18 ) Zoals een daling in rang of anciënniteit die van invloed zou kunnen zijn op de bevorderingskansen en salarisontwikkeling, verlies van verlofrechten, verlies van economische en handelsrelaties voor zelfstandigen, enz.
( 19 ) Arrest Bosman, reeds aangehaald (punt 104). Zie ook arrest van 16 mei 2013, Wencel (C‑589/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 70).
( 20 ) De verwijzende rechter is van oordeel dat, indien artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 geen dwingende werking heeft, Somova niet verplicht was het door haar krachtens de Oostenrijke wetgeving vervulde verzekeringstijdvak bij haar aanvraag in 2007 van een ouderdomspensioen in Bulgarije te vermelden.
( 21 ) Arresten van 27 mei 1982, Aubin (227/81, Jurispr. blz. 1991, punt 19), en 14 oktober 2010, Van Delft e.a. (C-345/09, Jurispr. blz. I-9879, punt 54). In punt 52 van dit arrest Van Delft e.a. heeft het Hof voor recht verklaard dat „[n]u de conflictregels van verordening nr. 1408/71 dwingend gelden voor de lidstaten, [...] het a fortiori uitgesloten [is] dat de sociaal verzekerden op wie die regels van toepassing zijn de gevolgen ervan teniet kunnen doen doordat zij kunnen kiezen zich eraan te onttrekken. De toepassing van de conflictregels van verordening nr. 1408/71 hangt immers alleen af van de objectieve situatie waarin de betrokken werknemer zich bevindt [...]”.
( 22 ) Ik wijs erop dat Somova in 2007 ouderdomspensioen heeft aangevraagd in Bulgarije, waar zij tevoren in loondienst werkzaam was geweest. Ik stel vast dat het Hof, niettegenstaande het feit dat artikel 94 van verordening nr. 1408/71, met het opschrift „Overgangsbepalingen voor werknemers”, in lid 2 niet uitdrukkelijk verwijst naar elk tijdvak van „werkzaamheden anders dan in loondienst”, in punt 25 van zijn arrest van 7 februari 2002, Kauer (C‑28/00, blz. I‑1343) voor recht heeft verklaard dat „[a]angaande artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 [...] eraan [moet] worden herinnerd, dat de daar gebruikte term ‚tijdvak van verzekering’ in artikel 1, sub r, van deze verordening wordt omschreven als ‚de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van arbeid of van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld [...]’”. Bij verordening (EEG) nr. 1390/81 van de Raad van 12 mei 1981 houdende uitbreiding van verordening nr. 1408/71 tot zelfstandigen en hun gezinsleden (PB L 143, blz. 1) is het in de oorspronkelijke tekst van de verordening ingevoerde stelsel voor werknemers immers uitgebreid tot zelfstandigen. Ik zou hieraan willen toevoegen dat artikel 95, lid 2, van verordening nr. 1408/71 in de op het hoofdgeding van toepassing zijnde versie, met het opschrift „Overgangsbepalingen voor zelfstandigen”, bepaalt dat „[v]oor de vaststelling van de aan deze verordening te ontlenen rechten [...] rekening [wordt] gehouden met elk tijdvak van verzekering alsmede eventueel met elk tijdvak van arbeid, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, dat krachtens de wetgeving van een lidstaat [...] is vervuld”. Naar mijn mening heeft deze laatste bepaling dezelfde juridische inhoud als artikel 94, lid 2, van dezelfde verordening.
( 23 ) Zie onder andere „се вземат предвид” in de Bulgaarse versie, „wordt rekening gehouden” in de Nederlandse versie, „shall be taken into consideration” in de Engelse versie, „se tomará en cuenta” in de Spaanse versie, „é preso in considerazione” in de Italiaanse versie, „será tido em consideração” in de Portugese versie, „λαμβάνεται υπόψη” in de Griekse versie, „sunt luate în considerare” in de Roemeense versie, „figyelembe kell venni” in de Hongaarse versie, „otetaan huomioon” in de Finse versie, „skall beaktas vid” in de Zweedse versie, „skal tages i betragtning” in de Deense versie, „werden [...] berücksichtigt” in de Duitse versie, „sa zohľadnia” in de Slowaakse versie, „se berou v úvahu” in de Tsjechische versie, „ņem vērā” in de Letse versie en „jest uwzględniany” in de Poolse versie.
( 24 ) Zie naar analogie arrest van 18 april 2002, Duchon (C-290/00, Jurispr. blz. I-3567, punt 23). Zie ook arresten van 7 februari 1991, Rönfeldt (C-227/89, Jurispr. blz. I-323, punt 16); 11 juni 1998, Kuusijärvi (C-275/96, Jurispr. blz. I-3419, punt 25); 10 mei 2001, Rundgren (C-389/99, Jurispr. blz. I-373, punten 29 en 30), en 18 december 2007, Habelt e.a. (C-396/05, C-419/05 en C-450/05, Jurispr. blz. I-11895, punt 55).
( 25 ) Zie punt 55 van dit arrest, alsook punt 95, waarin de formulering „kan [...] verlangen” wordt gebruikt. Naar het oordeel van de Administrativen sad Sofia-grad volgt uit het gebruik van deze bewoordingen dat het Hof artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 als een dispositieve bepaling beschouwt, waarvan de toepassing bijgevolg aan de beoordeling van de rechthebbende is overgelaten. Dit zou in het onderhavige geval betekenen dat Somova niet verplicht was in haar aanvraag voor een pensioen krachtens het nationale recht de verzekeringstijdvakken te vermelden die zij vóór de toepassing van deze verordening in een andere lidstaat had vervuld.
( 26 ) Deze bepalingen zelf bieden in hun formulering de verzekerden op wie zij van toepassing zijn geen enkel keuzerecht. Zie naar analogie het reeds aangehaalde arrest Van Delft e.a. (punt 57). Ik ben het eens met de opmerking van Ierland dat de aanvrager van een socialezekerheidsuitkering, met name gelet op artikel 84 bis, lid 1, van verordening nr. 1408/71, „niet het recht heeft een fragmentarisch overzicht van zijn loopbaan en verzekeringstijdvakken over te leggen teneinde zich een financieel voordeel te verschaffen”. Zoals advocaat-generaal Cruz Villalón heeft opgemerkt in punt 67 van zijn conclusie in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Wencel, „zijn de organen en de personen die onder [verordening nr. 1408/71] vallen [ingevolge deze bepaling] gehouden tot wederzijdse informatieverstrekking en samenwerking, die voor de eersten concreet de verplichting inhoudt ‘aan de betrokkenen [...] alle informatie [te verstrekken] die nodig is voor de uitoefening van de uit hoofde van deze verordening toegekende rechten’, en voor de laatsten de verplichting ‘de organen van de bevoegde staat en van de staat waar de betrokkenen wonen, zo spoedig mogelijk in kennis [te stellen] van iedere wijziging in hun persoonlijke of gezinssituatie, die hun recht op prestaties uit hoofde van deze verordening beïnvloedt’”.
( 27 ) Een uitzondering op het beginsel van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 vormt artikel 46 ter, lid 1, van deze verordening, volgens hetwelk in geval van samenloop van uitkeringen van dezelfde aard de verminderingsbepalingen in de nationale wettelijke regeling niet van toepassing zijn op een overeenkomstig artikel 46, lid 2, van voornoemde verordening berekende uitkering.
( 28 ) Gezien mijn antwoord op de derde vraag van de verwijzende rechter zou de vraag kunnen rijzen of Somova krachtens nationaal recht eventueel aanspraak zou kunnen maken op terugbetaling van de premies die zij op grond van § 9 van de overgangs- en slotbepalingen van de KSO heeft betaald. Gegeven de omstandigheid dat haar recht op ouderdomspensioen in Bulgarije had moeten worden bepaald volgens verordening nr. 1408/71 in plaats van § 9 van de overgangs- en slotbepalingen van de KSO, doet deze bepaling in de onderhavige zaak geen enkel recht op pensioen ontstaan. Hieruit volgt dat de door Somova op basis van deze bepaling verrichte betalingen sociale bijdragen vormen die geen recht op uitkering geven. Het staat aan de verwijzende rechter deze kwestie te beslechten door, met name, na te gaan of de SUSO en Somova de krachtens artikel 84 bis van verordening nr. 1408/71 op hen rustende verplichtingen inzake wederzijdse informatieverstrekking en samenwerking nagekomen zijn. Ik wijs erop dat Somova volgens de SUSO te kwader trouw is geweest door haar in Oostenrijk vervulde verzekeringstijdvakken niet te vermelden. De verwijzende rechter heeft evenwel bevestigd dat in geen enkel document van de dienst Pensioenen melding wordt gemaakt van de verplichting voor Somova om in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering door te geven met het oog op de inaanmerkingneming van alle verzekeringstijdvakken overeenkomstig artikel 45 van verordening nr. 1408/71. Bovendien worden volgens deze rechter ook in het aanvraagformulier voor een ouderdomspensioen de uit deze verordening voortvloeiende rechten en plichten niet vermeld.
Full & Egal Universal Law Academy