CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. WATHELET
van 25 februari 2014 ( 1 )
Gevoegde zaken C‑129/13 en C‑130/13
Kamino International Logistics BV (C‑129/13),
Datema Hellmann Worldwide Logistics BV (C‑130/13)
tegen
Staatssecretaris van Financiën
(verzoeken van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing)
„Invordering van douaneschuld — Rechten van verdediging — Beginsel van eerbiediging van rechten van verdediging — Rechtstreekse werking”
I – Inleiding
1.
De aan het Hof voorgelegde gevoegde zaken betreffen de rechten van de verdediging, en meer in het bijzonder het recht om te worden gehoord in het kader van een administratieve procedure.
2.
Met zijn verwijzingsbeslissingen van 22 februari 2013, ingekomen bij het Hof op 18 maart 2013, wenst de Hoge Raad der Nederlanden van het Hof allereerst te vernemen of het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging rechtstreeks toepasselijk is. Bij een bevestigend antwoord wenst de Hoge Raad te vernemen of het recht om te worden gehoord wordt geschonden wanneer de betrokken natuurlijke of rechtspersoon zijn rechtspositie pas kon kennen in het kader van een administratief beroep, dat wil zeggen, nadat het oorspronkelijke besluit was genomen. Ten slotte wenst hij van het Hof te vernemen wat de rechtsgevolgen zijn van een eventuele schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en welke omstandigheden van invloed kunnen zijn op deze rechtsgevolgen.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
1. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
3.
Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), met het opschrift „Recht op behoorlijk bestuur”, bepaalt, in de leden 1 en 2:
„1. Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.
2. Dit recht behelst met name:
a)
het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen;
[...]”
4.
In artikel 51 van het Handvest, met als opschrift „Toepassingsgebied”, wordt in lid 1 bepaald:
„De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.”
2. Verordening (EEG) nr. 2913/92
5.
De artikelen 220 en 221 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek ( 2 ) (hierna: „CDW”), maken deel uit van hoofdstuk 3, afdeling 1, met het opschrift „Boeking en mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar”.
6.
Artikel 220, lid 1, CDW bepaalt:
„Indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf). Deze termijn kan overeenkomstig artikel 219 worden verlengd.”
7.
Artikel 221 CDW luidt:
„1. Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.
[...]
3. De mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor de duur van de procedure van beroep.
[...]”
8.
De artikelen 243 tot en met 245 CDW maken deel uit van titel VIII, met het opschrift „Recht op beroep”.
9.
Artikel 243 CDW bepaalt:
„1. Iedere persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.
De persoon die de douaneautoriteiten om een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving heeft verzocht, doch binnen de in artikel 6, lid 2, bedoelde termijn van deze autoriteiten geen beschikking heeft verkregen, heeft eveneens het recht beroep in te stellen.
Het beroep wordt ingesteld in de lidstaat waar de beschikking is getroffen of waar om een beschikking is verzocht.
2. Het recht op beroep kan worden uitgeoefend:
a)
in een eerste fase (bezwaar), bij de daartoe door de lidstaten aangewezen douaneautoriteit;
b)
in een tweede fase (beroep), bij een onafhankelijke instantie, die overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen, een rechterlijke instantie of een gelijkwaardig gespecialiseerd orgaan kan zijn.”
10.
In artikel 244 CDW wordt bepaald:
„Instelling van beroep heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking.
De douaneautoriteiten schorten de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking evenwel geheel of gedeeltelijk op indien zij gegronde redenen hebben om aan de overeenstemming van die beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.
Indien de aangevochten beschikking tot de toepassing van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer leidt, dient ingeval van opschorting van de tenuitvoerlegging van deze beschikking een zekerheid te bestaan of te worden gesteld. Van die eis kan evenwel worden afgezien wanneer deze, gezien de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, ernstige economische of sociale moeilijkheden zou kunnen veroorzaken.”
11.
Artikel 245 CDW bepaalt:
„De bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de beroepsprocedure worden vastgesteld door de lidstaten.”
B – Nederlands recht
12.
Volgens artikel 4:8, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: „Awb”) stelt een bestuursorgaan voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien (i) de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en (ii) die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
13.
Artikel 4:12, lid 1, Awb luidt:
„Het bestuursorgaan kan toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 voorts achterwege laten bij een beschikking die strekt tot het vaststellen van een financiële verplichting of aanspraak indien:
a.
tegen die beschikking bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld, en
b.
de nadelige gevolgen na bezwaar of administratief beroep volledig ongedaan kunnen worden gemaakt.”
14.
Artikel 6:22 Awb bepaalt:
„Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.”
15.
In artikel 7:2 Awb wordt bepaald:
„1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
2. Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.”
16.
Tegen administratieve besluiten kan vervolgens beroep worden ingesteld, met de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie.
III – Feiten, procedure in de hoofdgedingen en prejudiciële vragen
A – Aan de prejudiciële vragen ten grondslag liggende feiten
17.
In beide hoofdgedingen die aanhangig zijn bij de nationale rechter, heeft een douane-expediteur, te weten Kamino International Logistics BV in zaak C‑129/13 en Datema Hellmann Worldwide Logistics BV in zaak C‑130/13 (hierna: „belanghebbenden”), in opdracht van dezelfde onderneming in 2002 en in 2003 aangiften ingediend voor het in het vrije verkeer brengen van bepaalde goederen, omschreven als „tuinpaviljoens/partytenten en zijwanden”. De belanghebbenden hebben deze goederen aangegeven onder postonderverdeling 6 601 10 00 („tuinparasols en dergelijke artikelen”) van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: „GN”). De douane heeft douanerechten geheven naar het bij die post behorende tarief van 4,7 %.
18.
Vervolgens hebben de Nederlandse douaneautoriteiten bij de opdrachtgever van belanghebbenden een onderzoek ingesteld naar de juistheid van deze tariefindeling. Naar aanleiding van dat onderzoek, heeft de bevoegde Nederlandse autoriteit, te weten de belastinginspecteur, geconcludeerd dat deze indeling onjuist was en dat de betrokken goederen moesten worden ingedeeld onder GN-postonderverdeling 6 306 99 00 („tenten en kampeerartikelen”) waarvoor een hoger tarief geldt (12,2 %).
19.
Gelet op het verschil van de tarieven die van toepassing zijn op de bovengenoemde posten, heeft de belastinginspecteur bij besluit van 2 april 2005 de méér verschuldigde douanerechten nagevorderd (in beide gevallen een bedrag van ongeveer 10000 EUR). Elk van de belanghebbenden heeft daartoe een uitnodiging tot betaling (hierna: „UTB”) ontvangen, vastgesteld op basis van artikel 220 CDW.
20.
Belanghebbenden zijn voorafgaand aan de uitreiking van de UTB’s niet in de gelegenheid gesteld hun argumenten naar voren te brengen.
B – Verloop van de administratieve en rechterlijke procedures
21.
Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt tegen de UTB’s bij de belastinginspecteur, die hen in de gelegenheid heeft gesteld om hun standpunt kenbaar te maken, maar hun bezwaren ongegrond heeft verklaard.
22.
De door belanghebbenden tegen dit besluit van de belastinginspecteur ingestelde beroepen zijn door de Rechtbank te Haarlem ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft het Gerechtshof te Amsterdam de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem bevestigd voor zover belanghebbenden daarbij werden verplicht te voldoen aan hun verplichtingen ingevolge de UTB’s.
23.
Daarop hebben belanghebbenden cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. In het kader van die procedure zijn de prejudiciële vragen gesteld.
24.
In zijn verwijzingsbeslissingen herinnert de Hoge Raad der Nederlanden eraan dat het Gerechtshof te Amsterdam in hoger beroep heeft geoordeeld dat de belastinginspecteur het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschonden, aangezien hij belanghebbenden niet in de gelegenheid heeft gesteld om zich voorafgaande aan de uitreiking van de UTB’s uit te laten over de elementen waarop de navordering van douanerechten was gebaseerd.
25.
Niettemin merkt de Hoge Raad op dat noch het CDW, noch het toepasselijke nationale recht procedurele bepalingen bevat op grond waarvan de douaneautoriteiten verplicht zouden zijn om, alvorens over te gaan tot de in artikel 221, lid 1, CDW bedoelde mededeling van een douaneschuld, degene die de douanerechten verschuldigd is in de gelegenheid te stellen zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de elementen die waarop de navordering is gebaseerd.
26.
Op basis van die vaststelling vraagt de Hoge Raad der Nederlanden zich allereerst af of het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging zich leent voor rechtstreekse toepassing door de nationale rechter. Vervolgens wenst hij te vernemen of, indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, het juist is, zoals het Gerechtshof te Amsterdam heeft geconcludeerd, dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging (en meer in het bijzonder het recht om te worden gehoord) is geschonden in een situatie waarin belanghebbenden weliswaar hun argumenten niet hebben kunnen inbrengen voorafgaand aan het eerste besluit van de belastinginspecteur, doch hun standpunt wel tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure hebben kunnen verdedigen. Ten slotte wenst de Hoge Raad der Nederlanden van het Hof te vernemen wat de rechtsgevolgen zijn van een schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en of deze gevolgen moeten worden bepaald volgens het nationale of het Unierecht. Om precies te zijn, en uitgaande van de hypothese dat deze rechtsgevolgen door het Unierecht worden bepaald, wenst de Hoge Raad der Nederlanden te vernemen of, in geval van schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, de nationale rechter gehouden is om het bestreden besluit nietig te verklaren, of dat hij bij zijn beoordeling rekening kan houden met het feit dat zonder de betrokken schending, het besluit identiek zou zijn geweest.
C – Prejudiciële vragen
27.
In die omstandigheden heeft de Hoge Raad der Nederlanden besloten de behandeling van de zaken te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende, in elk van de gevoegde zaken gelijkluidende prejudiciële vragen:
„1)
Leent het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging door de administratie van de rechten van de verdediging zich voor rechtstreekse toepassing door de nationale rechter?
2)
Indien [het antwoord op de eerste vraag] bevestigend [is]:
a)
moet het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging door de administratie van de rechten van de verdediging aldus worden geïnterpreteerd dat het beginsel is geschonden indien de adressaat van een voorgenomen beslissing weliswaar niet is gehoord voordat de administratie jegens hem een bezwarende maatregel nam maar in een nadien volgende bestuurlijke (bezwaar)fase, die voorafgaat aan een rechtsingang bij de nationale rechter, alsnog in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord?
b)
worden de rechtsgevolgen van schending door de administratie van het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging bepaald door het nationale recht?
3)
Indien het antwoord op [de tweede vraag, sub b] ontkennend is: welke omstandigheden kan de nationale rechter bij het bepalen van de rechtsgevolgen in aanmerking nemen, en met name kan hij in aanmerking nemen of aannemelijk is geworden dat de procedure zonder de schending door de administratie van het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging een andere afloop zou hebben gehad?”
IV – Procesverloop voor het Hof
28.
De verzoeken om een prejudiciële beslissing zijn bij het Hof neergelegd op 18 maart 2013. Bij beschikking van de president van het Hof van 24 april 2013 zijn de zaken gevoegd.
29.
Belanghebbenden, de Nederlandse, de Belgische, de Griekse, en de Spaanse regering alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Tijdens de terechtzitting van 15 januari 2014 hebben belanghebbenden, de Nederlandse, de Belgische en de Griekse regering alsmede de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.
V – Juridische analyse
A – Eerste prejudiciële vraag
30.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging zich leent voor rechtstreekse toepassing door de nationale rechter.
31.
Er bestaat geen twijfel over dat „de rechten van de verdediging, die het recht om te worden gehoord [...] omvatten, deel uit[maken] van de grondrechten die bestanddeel zijn van de rechtsorde van de Unie en verankerd zijn in het Handvest”. ( 3 )
32.
Voorts heeft het Hof in een zaak betreffende de navordering van douanerechten bij invoer gepreciseerd dat „[d]it beginsel vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren”. ( 4 ) Met andere woorden: „[h]et recht om te worden gehoord waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden”. ( 5 )
33.
Bovendien maakt „het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen” thans, ingevolge artikel 41, lid 2, van het Handvest uitdrukkelijk deel uit van het recht op behoorlijk bestuur.
34.
Het valt niet te betwisten dat in de onderhavige zaak, die betrekking heeft op een procedure inzake de navordering van douanerechten en derhalve inzake de tenuitvoerlegging van het Unierecht, artikel 41 van het Handvest door de lidstaten moet worden geëerbiedigd, overeenkomstig artikel 51, lid 1, van het Handvest.
35.
Aangaande de rol van de nationale rechter heeft het Hof in het bovengenoemde arrest Sopropé reeds gepreciseerd dat het aan hem staat om „zich ervan [...] te vergewissen of de termijn [bestemd voor het verzamelen van de opmerkingen van belanghebbenden] die de administratie dienovereenkomstig in een concreet geval heeft toegekend, beantwoordt aan de specifieke situatie van de betrokken persoon of onderneming en hun, met inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel, de mogelijkheid heeft geboden om hun rechten van verdediging uit te oefenen”. ( 6 )
36.
Bijgevolg lijkt mij uit het voorgaande niet alleen voort te vloeien dat de nationale bestuursorganen verplicht zijn om de rechten van de verdediging te eerbiedigen wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen, maar ook dat de belanghebbenden zich voor de nationale rechter rechtstreeks op de eerbiediging ervan moeten kunnen beroepen, om te voorkomen dat deze rechten een dode letter blijven of er louter voor de vorm zijn. ( 7 )
B – Tweede prejudiciële vraag, sub a
37.
De tweede prejudiciële vraag bestaat uit twee deelvragen.
38.
In de tweede vraag, sub a, gaat het erom of de rechten van de verdediging van de adressaat van een besluit worden geschonden indien deze niet voordat het besluit (in casu de UTB) wordt genomen, is gehoord, terwijl hij zijn standpunt wel kenbaar heeft kunnen maken tijdens een latere administratieve bezwaarfase. In de tweede vraag, sub b, gaat het om de rechtsgevolgen van een schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging. Deze laatste vraag heeft betrekking op dezelfde thematiek als de derde door de verwijzende rechter gestelde vraag. Ik zal deze vragen dus later tezamen onderzoeken en mijn uiteenzetting thans beperken tot de tweede vraag, sub a.
39.
Voorafgaand aan dit onderzoek zou ik evenwel een kwestie willen aansnijden die ter terechtzitting uitgebreid is besproken en ook door de verwijzende rechter wordt genoemd, namelijk de vraag of de procedure tussen de UTB en de beslissing op het op basis van de Awb gemaakte bezwaar één enkele procedure vormt (in welk geval de rechten van de verdediging van de adressaat van de beschikking, die per definitie uniek is, noodzakelijkerwijs zouden moeten worden geëerbiedigd), of dat deze procedure daarentegen bestaat uit twee fases en twee beslissingen, waarbij de tweede beslissing enkel wordt genomen wanneer tegen de uitspraak op bezwaar beroep wordt ingesteld (in welk geval de vraag rijst of de rechten van de verdediging zijn geëerbiedigd, aangezien de adressaat van de beschikkingen pas is gehoord na de aanvankelijke beschikking en het beroep daartegen).
40.
Ook al is het bestuursorgaan hetzelfde gedurende de gehele procedure (hoewel de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering er ter terechtzitting op wees dat dit orgaan een beroep kon doen op een andere instantie, maar onder zijn bevoegdheid en onder zijn gezag), de tweede mogelijkheid heeft duidelijk mijn voorkeur.
41.
De vaststelling en verzending van de UTB vormen immers een beschikking met eigen rechtsgevolgen, die de adressaat verplichten tot betaling, in casu, van een hoger bedrag aan douanerechten. Deze gevolgen zijn definitief indien de adressaat, die in dat stadium niet is gehoord, geen bezwaar indient. Pas in het kader van een eventueel bezwaar zou het bevoegde bestuursorgaan de belanghebbende moeten horen, het dossier volledig moeten heroverwegen, en een nieuwe beschikking moeten geven, dan wel de uitgevaardigde UTB moeten bevestigen.
42.
Bovendien volgt uit het onderzoek van het toepasselijke Unierecht en nationale recht dat het bezwaar geen automatisch schorsende werking heeft, aangezien de betaling van de nagevorderde douanerechten opeisbaar blijft. Dat om schorsing kan worden verzocht (en, zoals de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering ter terechtzitting heeft verklaard, een ministeriële circulaire voorschrijft dat deze schorsing – behalve wanneer er sprake is van fraude – moet worden verleend), verandert niets aan het feit dat de UTB een beschikking met autonome rechtsgevolgen vormt.
43.
Derhalve zal ik mijn hiernavolgende betoog op deze hypothese baseren.
1. Het met het recht om te worden gehoord beoogde doel
44.
Om de vraag van de Hoge Raad der Nederlanden te beantwoorden dient om te beginnen te worden herinnerd aan het doel van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en, meer in het bijzonder, van het recht om te worden gehoord.
45.
Volgens het Hof heeft „[d]e regel dat aan de adressaat van een bezwarend besluit de gelegenheid moet worden gegeven om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen, [...] tot doel de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Hij beoogt met name, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon of onderneming, deze laatsten in staat te stellen om een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten.” ( 8 )
46.
Met andere woorden: „[h]et recht om te worden gehoord waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden”. ( 9 )
47.
Het Hof heeft de draagwijdte van het recht om te worden gehoord reeds verduidelijkt in de zaak Gerlach ( 10 ), die betrekking heeft op de procedure voor douanevervoer in de Unie. Volgens het Hof volgt uit de op het moment van de feiten toepasselijke regeling ( 11 ) dat de lidstaat van het kantoor van vertrek pas tot navordering van invoerrechten kan overgaan wanneer hij de aangever vooraf heeft meegedeeld dat deze over een termijn van drie maanden beschikt om de gevraagde bewijzen te leveren en de aangever die bewijzen niet binnen deze termijn heeft geleverd. Het Hof was van oordeel dat, in deze omstandigheden, voornoemde termijn niet voor het eerst kon worden verleend in een bezwaarprocedure tegen de beslissing van de bevoegde autoriteiten om tot invordering van invoerrechten over te gaan. ( 12 ) Het Hof omschreef het recht van de aangever namelijk als het recht „om zijn standpunt over de regelmatigheid van het douanevervoer naar behoren kenbaar te maken vóór de vaststelling van de beslissing tot invordering die tot hem is gericht en die zijn belangen aanmerkelijk beïnvloedt”. ( 13 )
48.
Uit deze rechtspraak volgt dat het feit dat aan de adressaat van een bezwarend besluit het recht is verleend om zijn standpunt te verdedigen na de vaststelling van dat besluit, noch het recht om te worden gehoord, noch de rechten van de verdediging eerbiedigt.
49.
Niettemin is het eveneens vaste rechtspraak dat „de grondrechten, waaronder de eerbiediging van de rechten van de verdediging, geen absolute gelding hebben, maar beperkingen kunnen bevatten, mits deze werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast”. ( 14 ) In het reeds aangehaalde arrest Dokter e.a. preciseert het Hof nog dat een dergelijke beperking „slechts te beschouwen [is] als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de rechten van de verdediging in hun kern worden aangetast, indien de belanghebbenden niet nadien in een procedure tegen die maatregelen zouden kunnen opkomen, en in het kader daarvan naar behoren hun standpunt kenbaar maken”. ( 15 )
2. Beperking van het beginsel van het recht om te worden gehoord
50.
Om de vraag te beantwoorden of de beperking van het recht om te worden gehoord die wordt veroorzaakt door de procedure die door het Koninkrijk der Nederlanden is ingevoerd, voldoet aan de voorwaarden vervat in het reeds aangehaalde arrest Dokter e.a., moet rekening worden gehouden met, ten eerste, de dwingende voorschriften die door het Unierecht zelf zijn opgelegd voor de boeking van het in te vorderen bedrag aan rechten die voortvloeien uit een douaneschuld en, ten tweede, de gehele administratieve procedure, zoals deze is voorzien in de nationale wettelijke regeling.
a) In het CDW gestelde termijnen
51.
In artikel 220, lid 1, CDW wordt bepaald dat indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 CDW, of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten, dient te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen. Artikel 221 CDW voegt hieraan toe dat het bedrag van de rechten onmiddellijk na de boeking aan de schuldenaar dient te worden medegedeeld.
52.
Een dergelijke dwingende termijn van twee dagen lijkt moeilijk verenigbaar met de verplichting om de belanghebbende te horen vóórdat het besluit wordt genomen tot boeking van de na te vorderen rechten.
53.
De vraag of een dergelijke termijn wel verenigbaar is met het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, is overigens al aan de orde gekomen in een niet-nakomingszaak tegen de Italiaanse Republiek. ( 16 ) Hoewel het Hof daarin van oordeel was dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging van toepassing was in een navorderingsprocedure, heeft het dit oordeel desalniettemin aangevuld met een voorbehoud volgens hetwelk dit beginsel „niet tot gevolg [kan] hebben dat het een lidstaat is toegestaan voorbij te gaan aan zijn verplichting om binnen de in de gemeenschapsregeling gestelde termijnen het recht van de [Unie] op de eigen middelen vast te stellen”. ( 17 )
54.
In dat arrest heeft het Hof de verwijzing naar het beginsel dus doen volgen door een voorbehoud. Uit die formulering volgt dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging weliswaar in acht moet worden genomen, doch er niet toe kan leiden dat de door de douaneregeling van de Unie aan de lidstaten dwingend opgelegde termijnen niet worden nageleefd.
55.
Daar het Hof zich bewust was van de beperking van de rechten van de verdediging, heeft het dit voorbehoud afgezwakt, door te preciseren dat „[er] [v]oorts [...]aan [zij] herinnerd dat de boeking en de mededeling van de verschuldigde douanerechten alsook de boeking van de eigen middelen de schuldenaar niet beletten om op grond van de artikelen 243 en volgende van het douanewetboek de hem opgelegde verplichting met alle mogelijke argumenten te betwisten”. ( 18 )
56.
De Uniewetgever zelf lijkt zich bewust te zijn van het feit dat het voor de lidstaten moeilijk is om de belanghebbende te horen vóór de boeking van het in te vorderen bedrag aan rechten.
57.
Enerzijds bepaalt artikel 22, lid 6, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013, tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (herschikking) ( 19 ), thans uitdrukkelijk dat „[v]oordat een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt verleend, [...] de douaneautoriteiten hem mee[delen] op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen een specifieke termijn, die aanvangt op de datum waarop hij die mededeling ontvangt of wordt geacht die te hebben ontvangen.” Punt 27 van de considerans van deze verordening preciseert voorts dat deze verplichting conform het Handvest noodzakelijk is. Anderzijds zal, volgens artikel 105, lid 3, van voornoemde verordening, de boeking van het verschuldigde bedrag aan in- of uitvoerrechten, wanneer de relevante bepalingen toepasselijk zullen zijn ( 20 ), geschieden uiterlijk veertien dagen na de dag waarop de douaneautoriteiten „in staat zijn het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten vast te stellen en een beschikking af te geven” ( 21 ).
b) Kenmerken van de betrokken nationale administratieve procedure
58.
In casu wordt de administratieve procedure geregeld door de Awb. Het in artikel 4:8 Awb neergelegde beginsel vereist dat bestuursorganen voordat zij een beschikking geven waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd, bedenkingen zou kunnen hebben, die belanghebbende in de gelegenheid stellen zijn zienswijze naar voren te brengen met betrekking tot de voorgenomen beschikking.
59.
Volgens artikel 4:12 Awb is dit beginsel evenwel niet van toepassing op beschikkingen van financiële aard, indien (i) tegen die beschikking bezwaar kan worden gemaakt en (ii) de nadelige gevolgen na een beroep in rechte volledig ongedaan kunnen worden gemaakt.
60.
In casu lijkt aan deze twee voorwaarden te zijn voldaan.
61.
Belanghebbenden hebben immers de mogelijkheid gehad om de beschikking door het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de beschikking te doen heroverwegen (voordat zij een beroep in rechte konden instellen met een mogelijkheid van hoger beroep en cassatie).
62.
Volgens de Nederlandse regering vindt deze administratieve heroverweging plaats ex nunc, dat wil zeggen op basis van wettelijke voorschriften en relevante feiten zoals deze zich manifesteren op het tijdstip waarop het besluit op bezwaar wordt genomen. De nadelige gevolgen van het bestreden besluit kunnen dus na afloop van de bezwaarprocedure ongedaan worden gemaakt.
63.
Bovendien bepaalt artikel 7:2 Awb: „[v]oordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord”.
64.
Ik merk evenwel op dat volgens artikel 244, eerste alinea, CDW, de instelling van beroep ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking heeft. De tweede alinea van dit artikel verzacht deze regel weliswaar, door de douaneautoriteiten toe te staan de tenuitvoerlegging van deze beschikking geheel of gedeeltelijk op te schorten, doch deze opschorting is slechts mogelijk indien de douaneautoriteiten gegronde redenen hebben om aan de overeenstemming van die beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden. Voorts verplicht artikel 244, derde alinea, CDW tot het stellen van een zekerheid (tenzij dit voor de debiteur ernstige economische of sociale moeilijkheden zou kunnen veroorzaken).
65.
Volgens de Nederlandse regering kunnen de eventuele nadelige gevolgen van de litigieuze beschikking evenwel achteraf ongedaan worden gemaakt, aangezien betaling kan worden uitgesteld in geval van bezwaar en het besluit kan worden geschorst in afwachting van de uitkomsten van bezwaar (en beroep) krachtens de nationale regels.
66.
Desalniettemin heeft, zoals ik reeds heb opgemerkt, de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering er ter terechtzitting op gewezen dat deze schorsing niet automatisch geschiedt, doch dat de adressaat van de bestreden UTB er in zijn bezwaarschrift om moet verzoeken. Bovendien volgt uit de opmerkingen van de Nederlandse regering ook dat die principiële toekenning weliswaar enkel is voorzien in een ministeriële circulaire, doch deze opschorting in de regel wordt toegekend.
67.
Een dergelijke norm, die – onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter (die in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing geen melding maakt van deze circulaire) – per definitie op elk moment kan worden gewijzigd, is naar mijn mening niet van dien aard dat daarmee de autonome rechtsgevolgen van de UTB en, meer in het bijzonder, de verplichting tot betaling van het hogere bedrag aan douanerechten, tot aan de eventuele herziening van die UTB voldoende automatisch worden opgeschort.
c) Conclusie met betrekking tot de tweede vraag, sub a
68.
In casu is de adressaat van de UTB niet voorafgaand aan een voor haar bezwarend besluit gehoord. Artikel 7:2 Awb bepaalt evenwel uitdrukkelijk dat het bestuursorgaan alvorens te beslissen op het bezwaar, de belanghebbende de mogelijkheid biedt om te worden gehoord.
69.
De noodzaak om onderscheid te maken tussen de rechten die zijn neergelegd, enerzijds, in artikel 41 van het Handvest (administratief beroep) en, anderzijds, in artikel 47 van het Handvest (beroep in rechte), is overigens geëerbiedigd, aangezien de zitting waarop de belanghebbende is gehoord wel degelijk heeft plaatsgevonden in het kader van de administratieve procedure, en niet enkel tijdens een beroep voor de rechter.
70.
Ik ben derhalve van mening dat hier geen sprake is van een geval waarin, om de bewoordingen van het reeds aangehaalde arrest Dokter e.a. te herhalen, „de belanghebbenden niet nadien in een procedure tegen [het bestreden besluit hebben] kunnen opkomen, en in het kader daarvan naar behoren hun standpunt kenbaar [hebben kunnen] maken”. ( 22 )
71.
Deze elementen lijken mij evenwel niet voldoende om een gerechtvaardigde beperking te vormen van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, en wel om drie redenen.
72.
Ten eerste zie ik niet in welke redenen kunnen worden aangevoerd als doel van algemeen belang dat het niet vooraf horen zou kunnen rechtvaardigen. De uit het Unierecht voortvloeiende vereisten in verband met termijnen kunnen mijns inziens op zichzelf niet als een dergelijke rechtvaardiging worden aanvaard.
73.
Voorts kan de beschikking die is genomen zonder de adressaat te horen, enkel op initiatief van die adressaat voorwerp vormen van een nieuw administratief besluit.
74.
Ten slotte en bovenal heeft deze bezwaarprocedure geen automatische opschortende werking. Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat dit kenmerk van doorslaggevend belang is bij het onderzoek of er eventueel sprake is van een rechtvaardiging van de beperking van het recht om voorafgaand aan een bezwarend besluit te worden gehoord.
75.
In zijn arrest Texdata Software ( 23 ) heeft het Hof met name geoordeeld dat „oplegging van een eerste sanctie van 700 EUR, zonder voorafgaande ingebrekestelling noch mogelijkheid om te worden gehoord [vóór] de sanctie wordt opgelegd, de wezenlijke inhoud van het betrokken grondrecht niet [kan] aantasten aangezien door de instelling van het met redenen omkleed beroep tegen de dwangsombeschikking deze beschikking [onmiddellijk] buiten toepassing wordt gesteld en een gewone procedure op gang wordt gebracht waarin het recht om te worden gehoord kan worden geëerbiedigd” (cursivering van mij).
76.
In casu is, hoewel de tweede voorwaarde is vervuld (de adressaat is gehoord in het kader van de bezwaarprocedure), aan het eerste vereiste (onmiddellijke buitentoepassingstelling van het bezwarend besluit in geval van een beroep) niet voldaan.
77.
In deze omstandigheden ben ik van mening dat een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, afbreuk doet aan het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging van de justitiabele en, meer bepaald, aan het recht om te worden gehoord.
78.
Indien het Hof mijn analyse niet volgt, behoeft de tweede vraag, sub b, niet te worden beantwoord, evenmin als de derde vraag, voor zover deze vragen betrekking hebben op de rechtsgevolgen van een schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging.
C – Tweede vraag, sub b, en derde vraag
79.
Met zijn tweede vraag, sub b, en zijn derde vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof te preciseren of (i) de rechtsgevolgen van de schending door de administratie van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging al dan niet worden bepaald door het nationale recht en (ii), indien dit niet het geval is, welke omstandigheden door de nationale rechter in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van zijn onderzoek. Met zijn derde vraag doelt de verwijzende rechter uitdrukkelijk op de inaanmerkingneming van de hypothese dat de afloop van het besluitvormingsproces identiek zou zijn geweest wanneer het geschonden recht wél geëerbiedigd zou zijn geweest.
80.
Deze vragen vinden een duidelijk, nauwkeurig en ondubbelzinnig antwoord in het reeds aangehaalde arrest G. en R. Het Hof heeft immers geoordeeld:
„35
Deze verplichting tot eerbiediging van de rechten van de verdediging van de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, rust op de administratieve overheden van de lidstaten wanneer zij maatregelen nemen die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. Wanneer – zoals in het hoofdgeding – noch de voorwaarden waaronder de eerbiediging van de rechten van de verdediging [...] moet worden gewaarborgd, noch de gevolgen van schending van die rechten door het Unierecht zijn vastgesteld, zijn deze voorwaarden en deze gevolgen een aangelegenheid van het nationale recht, mits de in dat verband vastgestelde maatregelen dezelfde draagwijdte hebben als die voor particulieren in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten van de verdediging in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt (effectiviteitsbeginsel) [...].
36
Dat het de lidstaten vrijstaat om de uitoefening van de rechten van de verdediging van deze onderdanen op dezelfde wijze te laten plaatsvinden als in interne situaties, betekent echter nog niet dat de wijze van uitoefening ervan niet met het Unierecht in overeenstemming hoeft te zijn en met name afbreuk mag doen aan het nuttig effect van richtlijn 2008/115.
[...]
38
Met betrekking tot de door de verwijzende rechter gestelde vragen moet worden opgemerkt dat schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, naar Unierecht pas tot nietigverklaring van het na afloop van de administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben [...].” ( 24 )
81.
De regel is niet nieuw. Het Hof heeft deze oplossing ook reeds bepleit in de zaak Distillers Company/Commissie ( 25 ), waarin de verzoekende partij onder andere stelde dat de bevoegde instantie niet alle tijdens de mondelinge behandeling ter ondersteuning van haar beroep aangevoerde argumenten, noch de diverse aanvullingen op haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar van de Commissie in aanmerking had kunnen nemen. In zijn arrest oordeelde het Hof evenwel dat „een onderzoek van [deze] procedurefouten niet nodig [was, en dat] dit [...] slechts anders [zou zijn geweest] indien de administratieve procedure, waren deze fouten niet gemaakt, eventueel tot een ander resultaat had kunnen leiden”. ( 26 )
82.
Aangezien het Hof deze oplossing in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest G. en R. – ondanks dat deze betrekking had op een maatregel die de vrijheid van personen net zo sterk beperkte als de verlenging (van zes naar achttien maanden) van de bewaring van een vreemdeling die in afwachting is van terugkeer naar zijn land – heeft gehandhaafd, kan ik mij niet voorstellen dat dit anders zou kunnen zijn in het kader van een procedure waarin enkel financiële belangen op het spel staan.
83.
Bovendien merk ik op dat, in het onderhavige dossier, het op bezwaar genomen administratieve besluit, alsook de uitspraken van de rechterlijke instanties in eerste aanleg en in beroep, het oorspronkelijke besluit hebben bevestigd en dit nadat de belanghebbenden hun argumenten hadden kunnen inbrengen.
84.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging om de tweede vraag, sub b, te beantwoorden door aan te verwijzende rechter te kennen te geven dat de voorwaarden waaronder de eerbiediging van de rechten van de verdediging moet worden gewaarborgd en de rechtsgevolgen van de schending van die rechten, worden bepaald door het nationale recht, mits de in dat verband vastgestelde maatregelen dezelfde draagwijdte hebben als die voor particulieren in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten van de verdediging in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt (effectiviteitsbeginsel).
85.
De toepassing van deze oplossing op douanegebied is geboden, aangezien artikel 245 CDW uitdrukkelijk verwijst naar het nationale recht door te preciseren dat „[d]e bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de beroepsprocedure worden vastgesteld door de lidstaten”.
86.
Aangezien de volle werking van het Unierecht moet worden verzekerd, geef ik het Hof in overweging de derde vraag te beantwoorden door de verwijzende rechter erop te wijzen dat schending van de rechten van de verdediging – in het bijzonder het recht om te worden gehoord – naar Unierecht pas tot nietigverklaring van het na afloop van de administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.
87.
Deze oplossing is in casu te meer geboden daar de belanghebbenden zelf toegeven dat de bezwaarprocedure geen andere afloop had kunnen hebben indien zij voorafgaand aan de litigieuze beschikking waren gehoord, aangezien zij de door de belastinginspecteur gemaakte tariefindeling niet betwisten. Zoals ik reeds eerder heb opgemerkt, hebben het op bezwaar genomen administratieve besluit, alsook de uitspraken van de rechterlijke instanties in eerste aanleg en in beroep, het oorspronkelijke besluit bevestigd.
VI – Conclusie
88.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de door de Hoge Raad der Nederlanden gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
Particulieren kunnen zich tegenover de nationale rechterlijke instanties rechtstreeks beroepen op het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging door het bestuursorgaan.
2)
a)
Een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin de adressaat van een bezwarend besluit niet de mogelijkheid wordt geboden om te worden gehoord voordat de beschikking wordt gegeven, maar wel de mogelijkheid om tijdens een latere administratieve fase te worden gehoord, zonder dat dit beroep evenwel leidt tot een automatische schorsing van het bezwarend besluit, doet afbreuk aan het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging van de justitiabele en, meer bepaald, aan het recht om te worden gehoord.
b)
De voorwaarden waaronder het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging moet worden gewaarborgd en de gevolgen van de schending van dat beginsel worden bepaald door het nationale recht, mits de in dat verband vastgestelde maatregelen dezelfde draagwijdte hebben als die voor particulieren in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten van de verdediging in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt (effectiviteitsbeginsel).
3)
Aangezien de nationale rechter verplicht is om de volle werking van het Unierecht te verzekeren, kan hij, wanneer hij de gevolgen van een schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, beoordeelt, rekening houden met de omstandigheid dat een dergelijke schending pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB L 302, blz. 1, verordening zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 (PB L 311, blz. 17).
( 3 ) Arrest van 10 september 2013, G. en R. (C‑383/13 PPU, punt 32). Zie in die zin ook arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, punt 99).
( 4 ) Arrest van 18 december 2008, Sopropé (C-349/07, Jurispr. blz. I-10369, punt 37).
( 5 ) Arrest van 22 november 2012, M. (C‑277/11, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 6 ) Reeds aangehaald arrest Sopropé (punt 44).
( 7 ) Dit is ook het standpunt dat ik heb verdedigd in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest G. en R. Die zaak betrof richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348, blz. 98). Zie punt 52 van mijn standpuntbepaling in die zaak.
( 8 ) Reeds aangehaald arrest Sopropé (punt 49). Cursivering van mij.
( 9 ) Reeds aangehaald arrest M. (punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Cursivering van mij.
( 10 ) Arrest van 8 maart 2007 (C-44/06, Jurispr. blz. I-2071).
( 11 ) Verordening (EEG) nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer (PB L 38, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 474/90 van de Raad van 22 februari 1990 (PB L 51, blz. 1), en verordening (EEG) nr. 1062/87 van de Commissie van 27 maart 1987 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer (PB L 107, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1429/90 van de Commissie van 29 mei 1990 (PB L 137, blz. 21).
( 12 ) Reeds aangehaald arrest Gerlach (punt 36).
( 13 ) Ibidem (punt 37). Cursivering van mij.
( 14 ) Arrest van 15 juni 2006, Dokter e.a. (C-28/05, Jurispr. blz. I-5431, punt 75).
( 15 ) Ibidem (punt 76).
( 16 ) Zie arrest van 17 juni 2010, Commissie/Italië (C-423/08, Jurispr. blz. I-5449).
( 17 ) Ibidem (punt 45).
( 18 ) Ibidem (punt 46).
( 19 ) PB L 269 blz. 1, met rectificatie in PB 2013, L 287, blz. 90.
( 20 ) Overeenkomstig artikel 288, lid 2, van verordening nr. 952/2013 zijn de artikelen 22 en 105 van toepassing met ingang van 1 mei 2016.
( 21 ) Terwijl het in casu toepasselijke artikel 220, lid 1, CDW slechts voorziet in een termijn van twee dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen.
( 22 ) Punt 76 van dat arrest.
( 23 ) Arrest van 26 september 2013 (C‑418/11, punt 85).
( 24 ) Reeds aangehaald arrest G. en R. Cursivering van mij.
( 25 ) Arrest van 10 juli 1980 (30/78, Jurispr. blz. 2229).
( 26 ) Ibidem (punt 26).
Full & Egal Universal Law Academy