CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. SZPUNAR
van 9 september 2014 ( 1 )
Zaak C‑282/13
T‑Mobile Austria GmbH
tegen
Telekom-Control-Kommission
[verzoek van het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Elektronische communicatie — Bescherming van de rechten ontleend aan de rechtsorde van de Unie voor de nationale rechter — Recht op beroep tegen een beslissing van een nationale regelgevende instantie — Begrip persoon die wordt ,getroffen' door een beslissing van een nationale regelgevende instantie — Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2002/21/EG — Overdracht van gebruiksrechten voor frequenties — Artikel 5, lid 6, van richtlijn 2002/20/EG”
I – Inleiding
1.
De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid de omvang van de bevoegdheid om beroep in te stellen tegen beslissingen van nationale regelgevende instanties in de sector elektronische communicatie nader te bepalen. Zij biedt tevens de gelegenheid voor een algemene bespiegeling over de mate waarin het recht van de Unie kan ingrijpen in de procesrechtelijke regeling van de lidstaten over de voorwaarden voor beroep tegen bestuurshandelingen.
2.
Het Oostenrijkse Verwaltungsgerichtshof heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het begrip persoon die „getroffen” wordt door een beslissing van een nationale regelgevende instantie in de zin van artikel 4 van richtlijn 2002/21/EG (hierna: „kaderrichtlijn”) ( 2 ) in het kader van een procedure over de overdracht van gebruiksrechten voor frequenties, zoals bepaald in artikel 5, lid 6, van richtlijn 2002/20/EG (hierna: „machtigingsrichtlijn”) ( 3 ).
3.
De vraag van de verwijzende rechter heeft betrekking op de kring van personen die het recht hebben beroep in te stellen tegen een beslissing van een regelgevende instantie in een concrete procedure op het gebied van elektronische communicatie. Het antwoord op die vraag zal niettemin een ruimere strekking hebben, aangezien vergelijkbare voorschriften zijn opgenomen in andere rechtshandelingen van de Unie over gereguleerde markten. ( 4 )
II – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
4.
Het geharmoniseerde recht inzake elektronische communicatie van de Unie berust op de kaderrichtlijn en bijzondere richtlijnen, waaronder de machtigingsrichtlijn.
5.
Artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn bepaalt:
„De lidstaten zorgen ervoor dat er op nationaal niveau doeltreffende regelingen voorhanden zijn krachtens welke iedere gebruiker of onderneming die elektronischecommunicatienetwerken en/of ‑diensten aanbiedt, die door een beslissing van een nationale regelgevende instantie is getroffen, het recht heeft om tegen die beslissing beroep in te stellen bij een lichaam van beroep dat onafhankelijk is van de betrokken partijen. Dit lichaam, bijvoorbeeld een rechtbank, bezit de nodige deskundigheid om zijn taken effectief te kunnen uitoefenen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de feiten van de zaak op afdoende wijze in aanmerking worden genomen en dat er een doeltreffend mechanisme voor het instellen van beroep aanwezig is. […]”
6.
Artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn bepaalt:
„De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat radiofrequenties daadwerkelijk en efficiënt worden gebruikt in overeenstemming met de artikelen 8[, lid 2,] en 9, lid 2, van [de kaderrichtlijn]. Zij zorgen er ook voor dat de mededinging niet wordt verstoord als gevolg van een overdracht of accumulatie van gebruiksrechten voor radiofrequenties. Voor dergelijke doeleinden nemen de lidstaten passende maatregelen zoals een vermindering, intrekking of gedwongen verkoop van een recht om radiofrequenties te mogen gebruiken.”
B – Oostenrijks recht
7.
§ 8 van het Allgemeine Verwaltungsverfahrensgesetz 1991 (algemene wet inzake administratieve rechtspleging van 1991; hierna: „AVG”) (BGBl 51/1991), in de versie van 2004 (BGBl I, 10/2004), bepaalt:
„Personen die een overheidsinstantie verzoeken op te treden of waarop de activiteit van deze overheidsinstantie betrekking heeft, zijn belanghebbenden; voor zover zij ten aanzien van het voorwerp van deze activiteit over een recht of een juridisch belang beschikken, zijn zij partijen.”
8.
De procedure voor de toewijzing van de in artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn bedoelde frequenties is geregeld in de §§ 54 tot en met 57 Telekommunikationsgesetz 2003 (telecommunicatiewet 2003; hierna: „TKG 2003”) (BGBl I, 70/2003).
9.
§ 56 TKG 2003 bepaalt inzonderheid:
„1. Voor de overdracht van rechten op het gebruik van de door de regelgevende instantie toegewezen frequenties is voorafgaande machtiging vereist. De regelgevende instantie maakt het verzoek tot overdracht van rechten op het gebruik van de frequenties en haar besluit ter zake bekend. De regelgevende instantie stelt haar besluit vast op basis van een beoordeling van geval tot geval van de invloed, ook technisch, op de mededinging. De machtiging kan afhankelijk worden gesteld van verbintenissen, indien deze noodzakelijk zijn om een risico van verstoring van de mededinging te voorkomen. De machtiging wordt in elk geval geweigerd indien, ondanks de verbintenissen, een risico van verstoring van de mededinging bestaat.
[...]
2. Voor wezenlijke wijzigingen van de eigendomsstructuur van de vennootschappen waaraan door middel van de in § 55 neergelegde procedure rechten op het gebruik van frequenties zijn toegewezen, is voorafgaande machtiging van de regelgevende instantie vereist. Lid 1, derde tot en met laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.”
III – Hoofdgeding
10.
De procedure voor de verwijzende rechter betreft het beroep van een exploitant van een mobieletelefonienetwerk, de vennootschap T‑Mobile Austria GmbH (hierna: „T‑Mobile”) tegen een besluit van de Telekom-Control-Kommission (Oostenrijkse regelgevende instantie voor de telecommunicatiesector; hierna: „TCK”). Bij dit besluit heeft de TCK een verzoek van T‑Mobile afgewezen om te worden erkend als partij in de procedure betreffende de machtiging voor de overdracht van rechten op het gebruik van frequenties tussen twee andere Oostenrijkse exploitanten van mobieletelefonienetwerken.
11.
Deze overdracht van frequenties houdt verband met de verwerving van de vennootschap Orange Austria Telecommunication GmbH (hierna: „Orange”) door Hutchison 3G Austria Holdings GmbH en Hutchison 3G Austria GmbH (die naderhand zijn gefuseerd tot Hutchison Drei Austria Holdings GmbH; hierna gezamenlijk: „Hutchison”).
12.
Zoals voortvloeit uit de beslissing van de verwijzende rechter beschikken na de concentratie nog slechts drie exploitanten van mobielecommunicatienetwerken in Oostenrijk over rechten op het gebruik van frequenties, namelijk A1 Telekom Austria AG (hierna: „A1”), T‑Mobile en Hutchison.
13.
De concentratie en de daarmee verbonden transacties waren het voorwerp van een procedure bij de Europese Commissie en bij de Oostenrijkse autoriteiten.
A – Procedure voor de Commissie
14.
Uit het dossier volgt dat Hutchison en Orange de voorgenomen concentratie overeenkomstig artikel 4 van verordening (EG) nr. 139/2004 ( 5 ) op 7 mei 2012 bij de Commissie hebben aangemeld.
15.
In de loop van de procedure heeft de Commissie ernstige twijfels geuit over de verenigbaarheid van de voorgenomen concentratie met de interne markt. Op basis van een marktonderzoek heeft de Commissie de vinger gelegd op problemen op het vlak van de mededinging die voortvloeien uit het verdwijnen van Orange van de markt. Volgens de Commissie werd deze markt op dat moment al gekenmerkt door een hoge mate van concentratie en door het – in de praktijk – ontbreken van de mogelijkheid tot deze markt toe te treden. In verband daarmee heeft Hutchison een pakket verbintenissen voorgesteld met betrekking tot onder meer de afstoting van frequenties waarover zij na de concentratie zou beschikken ten gunste van een potentiële nieuwe exploitant en de garantie van toegang, onder bepaalde voorwaarden, tot haar netwerk voor virtuele exploitanten.
16.
De Commissie heeft T‑Mobile toegelaten tot interventie als belanghebbende in de concentratiecontroleprocedure.
17.
Bij besluit van 12 december 2012 ( 6 ) heeft de Commissie de concentratie verenigbaar met de interne markt verklaard onder de voorwaarde dat Hutchison de vastgestelde verbintenissen volledig nakomt.
18.
Uit dit besluit vloeit voort dat de Commissie twee andere transacties die als voorwaarden voor de concentratie waren gesteld, niet heeft onderzocht: ten eerste de afstoting van een door Orange gecontroleerde vennootschap aan A1 en ten tweede de overdracht van enkele frequenties waarover Orange vóór de concentratie beschikte aan A1. In haar besluit heeft de Commissie aangegeven dat voor de overdracht van frequenties onder meer de machtiging van de TCK vereist is. ( 7 )
B – Procedure voor de TCK
19.
Op 23 mei 2012 hebben Hutchison en Orange de TCK overeenkomstig § 56, lid 2, TKG 2003 om machtiging voor de wijziging van de eigendomsstructuur met het oog op de concentratie verzocht. Op 9 juli 2012 hebben zij samen met A1 de TCK overeenkomstig § 56, lid 1, TKG 2003 verzocht om machtiging voor de overdracht van bepaalde frequenties aan A1.
20.
T‑Mobile heeft de TCK haar opmerkingen doen toekomen en verzocht om de aan de concentratie deelnemende vennootschappen verbintenissen op te leggen om te voorkomen dat de mededinging wordt verstoord.
21.
Bovendien heeft T‑Mobile de TCK op 10 december 2012 verzocht om haar te erkennen als partij bij de procedures tot machtiging van de wijziging van de eigendomsstructuur en de overdracht van frequenties.
22.
Bij besluit van 13 december 2012 heeft de TCK machtiging verleend voor de wijziging van de eigendomsstructuur en de overdracht van de gebruiksrechten voor de frequenties aan A1. Het verzoek van T‑Mobile van 10 december 2012 om te worden erkend als partij in de bestuursrechtelijke procedure heeft de TCK echter afgewezen.
23.
In verband met het verzoek van T‑Mobile heeft de TCK vastgesteld dat noch het nationale recht, noch het Unierecht in het kader van de bestuurlijke procedures over de machtiging voor de wijziging van de eigendomsstructuur en de overdracht van de frequenties vereist dat personen die concurreren met de exploitanten van mobieletelefonienetwerken die om een dergelijke machtiging hebben verzocht, als partij worden erkend.
C – Hoofdgeding en prejudiciële vraag
24.
T‑Mobile heeft tegen de beslissing van de TCK van 13 december 2012 beroep ingesteld bij het Verwaltungsgerichtshof.
25.
Ter onderbouwing van haar beroep voerde T‑Mobile aan dat zij een concurrent is van de deelnemers aan de onderhavige transactie en zelf over frequenties op dezelfde markt beschikt. Zij zou dus erkend moeten worden als onderneming die door de bestreden beslissing van de TCK is „getroffen” in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn. Naar nationaal recht zou T‑Mobile ook moeten worden toegelaten tot interventie in de bestuurlijke procedure die voorafgaat aan deze beslissing.
26.
De verwijzende rechter wijst erop dat de erkenning van de status van partij in de bestuurlijke procedure krachtens § 56 TKG 2003 en artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn er in het licht van de Oostenrijkse rechtspraak van afhangt of T‑Mobile door de beslissing van de TCK in het kader van die procedure is „getroffen” in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn. In het Oostenrijks recht bestaat er namelijk een nauw verband tussen de status van partij in de bestuurlijke procedure en het recht van beroep tegen de beslissing dat in artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn is neergelegd.
27.
Volgens de verwijzende rechter kan de kwestie aan de hand van het arrest Tele2 Telecommunication ( 8 ) niet eenduidig worden opgelost.
28.
Enerzijds moet volgens de verwijzende rechter worden erkend, zoals ook de TCK beweert, dat een beslissing in het kader van een procedure voor machtiging voor de wijziging van de eigendomsstructuur en de overdracht van frequenties niet onmiddellijk rechten in het leven roept voor derden. Hun rechtspositie verandert niet voor zover zij de aan hen toegewezen frequenties kunnen blijven gebruiken.
29.
Anderzijds wijst de verwijzende rechter erop dat de concentratie tussen Orange en Hutchison volgens het standpunt dat door T‑Mobile is ingenomen van invloed is op haar situatie, aangezien zij onder meer de verhoudingen wijzigt op het vlak van de frequenties die zijn toegewezen aan de verschillende exploitanten die actief zijn op de markt. De beslissing over de overdracht van de frequenties heeft een vergelijkbare impact, aangezien zij ertoe strekt de negatieve gevolgen van de concentratie voor de mededinging te lenigen.
30.
Daarop heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moeten de artikelen 4 en 9 ter van [de kaderrichtlijn], juncto artikel 5, lid 6, van [de machtigingsrichtlijn] aldus worden uitgelegd dat op grond daarvan een concurrent in een in artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn bedoelde nationale procedure de hoedanigheid van getroffen onderneming in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn heeft?”
IV – Procesverloop voor het Hof
31.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingekomen bij het Hof op 24 mei 2013.
32.
Bij beschikking van 30 september 2013 heeft de president van het Hof het verzoek van de verwijzende rechter om behandeling van de zaak volgens een versnelde procedure in de zin van artikel 23 bis van het Statuut van het Hof en artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering afgewezen.
33.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door T‑Mobile, Hutchison, A1, de Oostenrijkse regering en de Commissie. T‑Mobile en de TCK, die niet aan de schriftelijke behandeling had deelgenomen, hebben om een pleitzitting verzocht.
34.
Aan de pleitzitting, die op 15 mei 2014 heeft plaatsgevonden, is deelgenomen door T‑Mobile, de TCK, Hutchison, A1 en de Commissie.
V – Beoordeling
A – Inleidende opmerkingen
35.
Vooraf merk ik op dat het geschil dat in de procedure voor de verwijzende rechter aan de orde is, niet rechtstreeks betrekking heeft op het recht beroep in te stellen tegen beslissingen van de regelgevende instantie in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn. In het hoofdgeding betwist T‑Mobile in feite niet de beslissing ten gronde over de overdracht van de frequenties, maar de weigering haar de status van partij in die procedure voor de regelgevende instantie toe te kennen.
36.
Het belang van de prejudiciële vraag voor de beslechting van het geschil in het hoofdgeding vloeit voort uit de Oostenrijkse rechtspraak, waarin de erkenning van de status van partij in de bestuurlijke procedure afhankelijk is gesteld van de vraag of een persoon krachtens artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn het recht heeft om tegen de beslissing ter afsluiting van de procedure beroep in te stellen. De verwijzende rechter wijst erop dat een persoon die „getroffen” wordt door een beslissing van een regelgevende instantie in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn, tevens het recht heeft partij te zijn in een geding in de zin van § 8 AVG, aangezien de partijen immers diegenen zijn die het recht hebben om tegen deze beslissing in beroep te gaan.
37.
Voor het antwoord op de vraag van de verwijzende rechter is een uitlegging nodig van zowel artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn als van artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn.
38.
Voordat ik begin met het onderzoek van deze bepalingen, bespreek ik eerst de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn.
B – Artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn en de omvang van de autonomie van het nationale procesrecht
39.
In zijn beslissing beroept de verwijzende rechter zich niet alleen op artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn, maar ook op de nationale voorschriften en rechtspraak over de actieve procesbevoegdheid voor de bestuursrechter.
40.
Onderzocht moet worden of deze rechtsbronnen wezenlijk zijn voor de vaststelling wie op het gebied van het door de Unie geregelde elektronischecommunicatierecht actieve procesbevoegdheid toekomt.
41.
Bij gebreke van relevante voorschriften van Unierecht wordt in de rechtsorde van elke lidstaat een stelsel van beroepsmogelijkheden en procedures geschapen dat ertoe strekt de rechten te beschermen die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen. Deze beroepsmogelijkheden worden door het nationale recht autonoom geregeld, behoudens de verplichting het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht te nemen. ( 9 )
42.
Naar mijn overtuiging mag het beginsel van de procesautonomie niet de mogelijkheid zelf omvatten om een proces in te leiden ter bescherming van rechten die de justitiabele aan het Unierecht ontleent. Het beginsel van de procesautonomie kan pas worden ingeroepen in het stadium van de vaststelling van afzonderlijke voorschriften en procedures voor de verwezenlijking van rechten die aan het Unierecht worden ontleend. Het begrip omvat echter niet de vaststelling wie op een door de Unie geregeld gebied actieve procesbevoegdheid toekomt. Dat geldt temeer voor gevallen waarin – zoals in de onderhavige zaak – het Unierecht concrete bepalingen met een bepaalde beroepsmogelijkheid behelst.
43.
Mijns inziens heeft de Uniewetgever dit beginsel ook in artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn tot uitdrukking gebracht.
44.
Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn hebben gebruikers of ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en/of ‑diensten aanbieden en door een beslissing van een nationale regelgevende instantie zijn „getroffen”, het recht om tegen die beslissing beroep in te stellen.
45.
Volgens de rechtspraak van het Hof is het begrip persoon die door een beslissing in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn is „getroffen”, een autonoom begrip van Unierecht, dat moet worden beoordeeld in het licht van het doel dat de bepaling nastreeft. ( 10 ) In het licht van deze rechtspraak vormt deze bepaling een uitdrukking van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, krachtens hetwelk de rechterlijke instanties van de lidstaten de bescherming dienen te verzekeren van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen. ( 11 )
46.
Mijns inziens is het doel van deze bepaling niet louter het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming te weerspiegelen, dat immers al in primair recht is neergelegd, te weten in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
47.
Het doel van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn is de omvang van de actieve procesbevoegdheid van particulieren op het gebied van de elektronische communicatie eenvormig vaststellen.
48.
Met deze bepaling moet verhinderd worden dat een persoon – bij identieke feiten – in een bepaalde lidstaat bevoegd is beroep in te stellen tegen een beslissing van een regelgevende instantie om zijn rechten te beschermen, maar in een andere lidstaat niet. Dergelijke verschillen in de toegang tot rechtsbeschermingsmiddelen zouden ertoe leiden dat de inhoud van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht op het gebied van elektronische communicatie ontlenen in de lidstaten uiteenlopend wordt opgevat. Dergelijke verschillen kunnen er ook toe leiden dat in sommige lidstaten dat soort rechten zelf ter discussie wordt gesteld.
49.
Bij de uitlegging van de genoemde bepaling moeten de overwegingen over het doel van de bepaling in het vorige punt als richtsnoer dienen.
50.
De uitlegging van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn moet zo gedetailleerd zijn, dat kan worden verhinderd dat wezenlijke verschillen op het gebied van de actieve procesbevoegdheid ontstaan tussen de lidstaten, aangezien – zoals ik al in punt 48 zei – deze verschillen de eenvormige toepassing van de bepalingen van Unierecht op het gebied van de elektronische communicatie zouden ondergraven. De eenvormige toepassing van deze bepalingen zou niet mogelijk zijn als het nationale recht beslissend was voor de vraag wie actieve procesbevoegdheid toekomt.
C – Uitlegging van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn
1. Arrest Tele2 Telecommunication
51.
In het arrest Tele2 Telecommunication heeft het Hof zich al uitgesproken over de uitlegging van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn.
52.
In dat arrest heeft het Hof in het voetspoor van de conclusie van advocaat-generaal Poiares Madura geoordeeld dat het recht beroep in te stellen tegen een beslissing van een regelgevende instantie toekomt aan gebruikers of ondernemingen die zelf geen adressaat van deze beslissing zijn, maar hierdoor „in hun rechten worden aangetast”. Deze uitlegging behelst ook de situatie waarin gebruikers en concurrerende ondernemingen subjectieve rechten aan het Unierecht, inzonderheid de telecommunicatierichtlijnen, ontlenen, en deze rechten kunnen worden geschonden door een beslissing van een nationale regelgevende instantie. ( 12 )
53.
Met betrekking tot de bestuursrechtelijke procedure die aan het arrest Tele2 Telecommunication ten grondslag lag – de marktanalyseprocedure van artikel 16 van de kaderrichtlijn – heeft het Hof erop gewezen dat zij ertoe kan leiden dat een onderneming met aanmerkelijke marktmacht regelgevingsverplichtingen worden opgelegd. Dergelijke verplichtingen, met name het discriminatieverbod en de verplichting concurrenten toegang tot netwerkfaciliteiten te verlenen, zijn beschermende maatregelen in het belang van de concurrenten. Zij kunnen derhalve een bron van subjectieve rechten zijn voor concurrenten die corresponderen met de verplichtingen die worden opgelegd aan de onderneming met aanzienlijke marktmacht. ( 13 )
54.
Het Hof heeft zijn beslissing dus gebaseerd op de vaststelling dat de verplichtingen die een exploitant met aanmerkelijke marktmacht bij een besluit van een regelgevende instantie worden opgelegd, een potentiële bron van rechten voor derden zijn, die als gevolg van een dergelijk besluit kunnen worden aangetast.
55.
In de zaak Arcor, over de uitlegging van artikel 5 bis, lid 3, van richtlijn 90/387/EEG ( 14 ) – die een met artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn vergelijkbare regeling bevatte – heeft het Hof zijn oordeel op een vergelijkbare uitlegging gebaseerd.
56.
In die zaak heeft het Hof geoordeeld dat het recht beroep in te stellen tegen een besluit waarbij tarieven voor toegang tot een lokaal netwerk worden goedgekeurd, niet enkel toekomt aan de netwerkexploitant, maar ook aan een onderneming die recht heeft op ontbundelde toegang tot het netwerk en met de exploitant van het netwerk een overeenkomst heeft gesloten. Het Hof nam in aanmerking dat het besluit van invloed was op de subjectieve rechten van de verzoekende onderneming als partij bij een overeenkomst. Het Hof wees er echter op dat een contractuele band niet vereist is voor de bevoegdheid beroep in te stellen. ( 15 )
2. Problemen bij de toepasselijkheid van het arrest Tele2 Telecommunication
57.
Zoals ik al vermeldde, komt de bevoegdheid beroep in te stellen tegen een beslissing van een regelgevende instantie volgens het arrest Tele2 Telecommunication toe aan ondernemingen wier subjectieve rechten als gevolg van de beslissing kunnen worden aangetast.
58.
Deze invalshoek, hoewel ongetwijfeld juist ( 16 ), behelst mijns inziens geen afdoende nauwkeurige criteria voor een eenvormige uitlegging van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn.
59.
Dat de twijfels over de actieve procesbevoegdheid door het arrest Tele2 Telecommunication niet worden weggenomen, blijkt uit de omstandigheden van de onderhavige zaak, het derde verzoek om een prejudiciële beslissing over deze kwestie op het terrein van de elektronische communicatie.
60.
Ten eerste wordt in dat arrest niet uitgesloten dat artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn aldus wordt opgevat dat de actieve procesbevoegdheid ervan afhangt dat de verzoekende partij aantoont dat hem een concreet subjectief recht toekomt dat is ontleend aan het recht van de Unie.
61.
Inzonderheid is, zoals voortvloeit uit de schriftelijke opmerkingen van de Oostenrijkse regering, volgens de Oostenrijkse rechtspraak de voorwaarde dat de verzoeker door het besluit „getroffen” is, enkel vervuld in de situatie dat de overheidsdienst zich uitspreekt (of zich zou moeten uitspreken) over subjectieve rechten van de verzoeker. ( 17 ) In de onderhavige zaak beroepen zowel de TCK als de Oostenrijkse regering zich op deze rechtspraak en voeren zij aan dat artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn geen subjectieve rechten ten gunste van concurrerende ondernemingen behelst, maar uitsluitend spreekt van de mogelijkheid van „passende maatregelen” door de lidstaten om verstoringen van de mededinging te voorkomen.
62.
Een dergelijke – mijns inziens onjuiste – uitlegging van het arrest Tele2 Telecommunication voert tot een vervaging van het onderscheid tussen het recht een procedure in te leiden en het voorwerp van deze procedure. De voorwaarden voor het inleiden van een procedure mogen niet afhangen van het resultaat ervan, dat wil zeggen van de vaststelling van de rechten van de verzoekers.
63.
Ten tweede moet de omstandigheid worden meegewogen dat het begrip „subjectieve rechten” afhankelijk van de context uiteenlopende betekenissen kan hebben en ook in verschillende rechtsorden op uiteenlopende wijze kan worden opgevat.
64.
De arresten Tele2 Telecommunication en Arcor bieden geen eenduidig antwoord op de vraag of het criterium voor de procesbevoegdheid, dat verzoekers door de beslissing „in hun rechten worden aangetast”, betrekking heeft op:
—
hun subjectieve rechten jegens de overheidsdienst,
—
hun rechten die overeenkomen met de regelgevingsverplichtingen die een andere particulier zijn opgelegd, of
—
andersoortige rechten, bijvoorbeeld rechten die voortvloeien uit een privaatrechtelijke overeenkomst.
65.
Zo heeft het Hof in het arrest Tele2 Telecommunication zijn beslissing onder meer gebaseerd op de aanname dat het bestreden besluit de subjectieve rechten van concurrenten aantast, die overeenkomen met de verplichtingen opgelegd aan een onderneming met aanmerkelijke marktmacht. ( 18 ) In de zaak Arcor daarentegen heeft het Hof erop gewezen dat de verzoekster als partij bij een overeenkomst met de aangemelde exploitant over toegang tot het aansluitnetwerk door het besluit van de regelgevende instantie in haar rechten werd aangetast. ( 19 ) Geen van de genoemde arresten gaat in op de subjectieve publiekrechtelijke rechten van de verzoeker.
66.
In de onderhavige zaak voeren Hutchison, A1 en de Oostenrijkse regering onder verwijzing naar de uitlegging in het arrest Tele2 Telecommunication aan dat door de machtiging (of niet-machtiging) voor de overdracht van frequenties geen verplichtingen worden opgelegd die rechten voor derden jegens de deelnemers bij de transactie zouden kunnen scheppen. Volgens hen volgt dat uit de aard van de procedure voor de overdracht van frequenties, die er niet toe dient regelgevingsvereisten vast te stellen ten gunste van derden, maar doeltreffende mededinging in algemene zin te verzekeren.
67.
De verwijzende rechter wijst er echter onder verwijzing naar het arrest Arcor op dat de beslissing van een regelgevende instantie over de overdracht van frequenties van invloed is op de rechten van partijen bij de transactie en andere potentiële verkrijgers van frequenties. Hutchison stelt voorts dat T‑Mobile nooit het voornemen heeft geuit frequenties te verwerven en derhalve geen potentiële verkrijger is.
68.
Bovenstaande twijfels tonen aan dat de criteria voor de actieve procesbevoegdheid krachtens artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn nader moeten worden bepaald.
3. Voorstel voor een uitlegging van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn
69.
Het vereiste van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn dat een persoon „getroffen” moet worden door een beslissing moet mijns inziens aldus worden begrepen dat de bestuurlijke beslissing een uitwerking moet hebben op de juridisch beschermde belangen van een persoon. ( 20 )
70.
De erkenning van actieve procesbevoegdheid vereist echter niet dat de verzoekende partij aantoont dat concrete subjectieve rechten zijn geschonden.
71.
Bij nadere beschouwing heeft het Hof artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn in het arrest Tele2 Telecommunication niet aldus uitgelegd dat de vervulling van het vereiste dat een persoon door de beslissing „getroffen” wordt, ervan afhangt of daadwerkelijk een subjectief recht is geschonden. Het ging er eerder om of door de beslissing rechten konden worden aangetast die „potentieel toekomen” aan een verzoekende partij. ( 21 )
72.
Bovendien strekt de uit te leggen bepaling er mijns inziens niet uitsluitend toe rechten tegenover andere particulieren te beschermen – zoals in de bovengenoemde schriftelijke opmerkingen van de procesdeelnemers wordt gesuggereerd – maar ook om subjectieve publiekrechtelijke rechten te beschermen, opgevat als een aanspraak dat de regelgevende instantie zich in overeenstemming met het recht gedraagt. ( 22 )
73.
Ik twijfel er niet aan dat elke beslissing het belang van de adressaat ervan raakt. Om na te gaan of dat vereiste is vervuld bij derden die geen adressaat van de beslissing zijn, is echter een nader onderzoek vereist.
74.
Ik herinner eraan dat artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn ziet op twee categorieën personen: gebruikers en ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en/of ‑diensten aanbieden. Binnen deze tweede categorie kan voorts de categorie ondernemingen worden onderscheiden die met de adressaat van een beslissing concurreren op de markten voor elektronischecommunicatiediensten.
75.
Deze laatste categorie komt in samenhang met de regeling van elektronische communicatie een wezenlijke betekenis toe. Op deze plaats moet ik erop wijzen dat deze regeling ertoe dient de mededinging op het vlak van de toegang tot netwerken en diensten te bevorderen.
76.
Inzonderheid legt artikel 8, lid 2, onder b), van de kaderrichtlijn de lidstaten immers de verplichting op, ervoor te zorgen dat de regelgevende instanties alle redelijke maatregelen treffen die gericht zijn op het bevorderen van de mededinging bij het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten, door erop toe te zien dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de mededinging is, en door de resterende belemmeringen voor het aanbieden van deze diensten op te heffen. ( 23 )
77.
Het elektronischecommunicatierecht berust op een ex-anteregulering van de markt en omvat ook bepalingen die voor handelingen of transacties die tot een aanmerkelijke wijziging van de situatie op de relevante markt kunnen leiden en daarmee tot verstoring van de mededinging, de voorwaarde stelt dat een machtiging van de regelgevende instantie moet worden verkregen.
78.
Het elektronischecommunicatierecht dient er wat dat betreft niet enkel toe de mededingingsstructuur van de markt als zodanig te beschermen, maar ook de rechten van concurrerende ondernemingen.
79.
Hierbij moet worden opgemerkt dat de voorschriften van het mededingingsrecht niet uitsluitend of hoofdzakelijk zijn bedoeld om de belangen van de concurrenten te beschermen, maar om de structuur van de markt en daarmee de mededinging als zodanig veilig te stellen. ( 24 ) Niettemin kan het openbare belang van de bevordering van de mededinging overlappen met het belang van individuele concurrerende ondernemingen, dat bestaat in de bescherming tegen handelingen die van invloed zijn op hun marktpositie.
80.
Een beslissing van een regelgevende instantie in een procedure ter bescherming van de mededinging tast ongetwijfeld de individuele belangen van een onderneming aan, wier marktpositie aanmerkelijke veranderingen kan ondergaan als gevolg van de handelingen die het voorwerp van de beslissing zijn.
81.
Een dergelijk belang bestaat niet louter op feitelijk niveau, maar vormt – gezien het eerdergenoemde doel van de regeling – ook een rechtsbelang. De situatie van concurrerende ondernemingen wordt in aanmerking genomen door een voorschrift van Unierecht, dat vergt dat de regelgevende instantie maatregelen treft om een dergelijke wezenlijke wijziging van de marktpositie van concurrerende ondernemingen te voorkomen, die zou kunnen leiden tot een verstoring of beperking van de mededinging.
82.
Met betrekking tot de ondernemingen die concurreren met de adressaat van de beslissing is aan het vereiste dat een persoon door de beslissing wordt „getroffen” in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn mijns inziens voldaan wanneer de regelgevende instantie een beslissing neemt in het kader van een in het Unierecht geregelde procedure ter bescherming van de mededinging en die beslissing handelingen of transacties betreft die de marktpositie van de verzoekende partij wezenlijk beïnvloeden.
83.
Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen vermeldt, is de procesbevoegdheid van ondernemingen die concurreren met de adressaat van de beslissing in het Unierecht op analoge wijze omschreven in het kader van de uitlegging van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
84.
Op het terrein van de controle op staatssteun is de bevoegdheid een besluit van de Commissie over de beoordeling ten gronde van steun of een besluit vastgesteld na een formele procedure aan te vechten voorbehouden aan die met de begunstigde van de steun concurrerende ondernemingen wier marktpositie door de toekenning van de steun wezenlijk wordt beïnvloed. ( 25 )
85.
Op analoge wijze wordt de bevoegdheid beroep in te stellen tegen een besluit van de Commissie over de controle op concentraties toegekend aan een onderneming die noch partij is bij de concentratie, noch adressaat van het bestreden besluit, maar onder andere aantoont dat zij ten minste potentieel een concurrent is en dat de transactie haar positie op de relevante markten wezenlijk kan beïnvloeden. ( 26 )
86.
In deze voorbeelden uit het Europese procesrecht wordt de actieve procesbevoegdheid dus niet afhankelijk gesteld van het vereiste dat subjectieve rechten zijn geschonden. Over een eventuele schending van subjectieve rechten beslist pas de instantie die de zaak ten gronde onderzoekt.
87.
Gelet op het voorgaande meen ik dat artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het recht om beroep in te stellen tegen een beslissing van een regelgevende instantie toekomt aan een onderneming die daadwerkelijk of potentieel concurreert met de adressaat van de beslissing indien de regelgevende instantie een beslissing neemt in het kader van een in het Unierecht geregelde procedure ter bescherming van de mededinging en die beslissing handelingen of transacties betreft die de marktpositie van de verzoekende partij wezenlijk kunnen beïnvloeden.
4. Toepassing van deze uitlegging op artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn
88.
Dan moet nu worden onderzocht of de bovenstaande uitlegging toepassing vindt op beslissingen van een regelgevende instantie over de in artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn genoemde overdracht van gebruiksrechten op frequenties.
89.
Frequenties zijn een schaars (beperkt voorradig) goed waarmee de potentiële vraag van alle exploitanten niet kan worden gedekt. Anderzijds zijn zij onontbeerlijk voor de uitvoering van verschillende soorten economische activiteiten op het gebied van de elektronische communicatie, met name voor diensten met gebruikmaking van een eigen mobieletelefonienetwerk.
90.
Een bovenmatige concentratie van frequenties in handen van een enkele onderneming kan leiden tot verstoring van de mededingingsvoorwaarden in de economische sector waarvoor frequenties onontbeerlijk zijn. De machtiging tot gebruik van een schaars openbaar goed verschaft de gemachtigde marktdeelnemer voordelen tegenover andere personen die deze bron eveneens willen benutten. ( 27 )
91.
Deze premisse is in enkele bepalingen van de kaderrichtlijn en de machtigingsrichtlijn in aanmerking genomen.
92.
Zo bepaalt artikel 9, lid 1, van de kaderrichtlijn dat machtigingen voor het gebruik van frequenties worden afgegeven aan de hand van objectieve, doorzichtige, niet-discriminerende en proportionele criteria. Artikel 9 ter, lid 2, van deze richtlijn behelst de verplichting het voornemen om de rechten op het gebruik van frequenties over te dragen mee te delen aan de regelgevende instantie en bekend te maken.
93.
Overeenkomstig artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn zorgen de regelgevende instanties in de lidstaten ervoor dat de mededinging niet wordt verstoord als gevolg van een overdracht of accumulatie van gebruiksrechten voor radiofrequenties. Voor dergelijke doeleinden nemen de lidstaten passende maatregelen zoals een vermindering, intrekking of gedwongen verkoop van een recht om frequenties te gebruiken.
94.
Ondanks de facultatieve formulering in de meeste taalversies van de laatste zin van de aangehaalde bepaling (de lidstaten „kunnen” passende maatregelen nemen) vloeit uit de voorgaande zin van de bepaling duidelijk voort dat een lidstaat die machtigt tot overdracht van gebruiksrechten voor frequenties tussen exploitanten in werkelijkheid ook de verplichting heeft een passend rechtskader te scheppen voor de regeling van deze transacties, om te vermijden dat de mededingingsvoorwaarden worden verstoord. ( 28 )
95.
Ik ben het eens met het standpunt in de schriftelijke opmerkingen van T‑Mobile dat hier een analogie kan worden getrokken tussen de oorspronkelijke toewijzing van frequenties en de latere overdracht van rechten.
96.
Ongetwijfeld moeten de lidstaten bij de oorspronkelijke toewijzing van frequenties met name rekening houden met de noodzaak de mededingingsstructuur van de markt te waarborgen. Dit beginsel zou zonder werking blijven als de mededingingsstructuur door een latere overdracht van rechten tussen concurrerende ondernemingen kon worden aangetast.
97.
In het licht van deze overwegingen dient de controle van de overdracht van frequenties overeenkomstig artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn, en dus ook de TCK-procedure die het voorwerp van het hoofdgeding is, bovenal de bescherming van de mededingingsstructuur van de markt.
98.
Volgens de door mij voorgestelde uitlegging van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn moeten concurrenten het recht hebben beroep in te stellen tegen een in het kader van een dergelijke procedure genomen beslissing, voor zover de betrokken transactie hun marktpositie wezenlijk kan beïnvloeden.
99.
Het staat aan de verwijzende rechter, die de uit te leggen bepaling van Unierecht op een concreet feitencomplex heeft toe te passen, te beslissen over de invloed van de transactie tussen Hutchison en A1 op de marktpositie van T‑Mobile.
100.
Niettemin wil ik erop wijzen dat uit de verwijzingsbeslissing voortvloeit dat de verzoekende partij in het hoofdgeding rechtstreeks concurreert met de partijen bij de transactie over de overdracht van de frequenties. Bovendien zijn de concurrenten actief op een oligopolide markt die onder meer wordt gekenmerkt door hoge toegangsdrempels.
101.
Deze omstandigheden wijzen er duidelijk op dat de transactie de marktpositie van de concurrerende onderneming wezenlijk beïnvloedt. ( 29 )
102.
Daarnaast verdient vermelding dat de genoemde omstandigheden, zoals naar voren komt in de schriftelijke opmerkingen van de Commissie, in aanmerking zijn genomen om T‑Mobile in de concentratiecontroleprocedure voor de Commissie over de fusie van Hutchison en Orange de hoedanigheid van belanghebbende toe te kennen.
103.
Zoals de Commissie terecht opmerkt, zijn de doelstellingen van de procedure in artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn bovendien vergelijkbaar met die van de concentratiecontrole, maar gaat het daarbij louter om kwesties van overdracht van frequenties als gevolg van een fusie. Met het vereiste van een voorafgaande machtiging van de regelgevende instantie moet voorkomen worden dat de overdracht van gebruiksrechten voor frequenties leidt tot een concentratie van dergelijke rechten of tot een mededingingsverstorende versterking van de positie van een onderneming.
104.
In het licht van de bovenstaande overwegingen moet artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn aldus worden uitgelegd dat het recht om beroep in te stellen tegen een beslissing van een regelgevende instantie over de machtiging voor de in artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn genoemde overdracht van gebruiksrechten voor frequenties toekomt aan een onderneming die concurreert met de personen die deelnemen aan de transactie, indien deze transactie haar marktpositie wezenlijk kan beïnvloeden.
VI – Conclusie
105.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vraag van het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) te beantwoorden als volgt:
„Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten (kaderrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, moet aldus worden uitgelegd dat het recht om beroep in te stellen tegen een beslissing van een regelgevende instantie over de machtiging voor de overdracht van gebruiksrechten op frequenties als bedoeld in artikel 5, lid 6, van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten (machtigingsrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, toekomt aan een onderneming die concurreert met de personen die deelnemen aan de transactie, indien deze transactie haar marktpositie wezenlijk kan beïnvloeden.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Pools.
( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB L 337, blz. 37).
( 3 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten (machtigingsrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB L 337, blz. 37).
( 4 ) Zie onder meer artikel 22, lid 3, van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PB 1998, L 15, blz. 14), zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/6/EG van 20 februari 2008 (PB L 52, blz. 3), artikel 37, lid 17, van richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (PB L 211, blz. 55), alsook artikel 41, lid 17, van richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG (PB L 211, blz. 94).
Deze laatste bepaling is aan de orde in de zaak E.ON Földgáz Trade (C‑510/13), die aanhangig is bij het Hof.
( 5 ) Verordening van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24, blz. 1).
( 6 ) Besluit van de Commissie waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst (zaak COMP/M.6497 – Hutchison 3G Austria/Orange Austria) (samenvatting bekendgemaakt in PB 2013, C 224, blz. 12).
( 7 ) Ibidem, punten 7‑11.
( 8 ) Arrest Tele2 Telecommunication (C‑426/05, EU:C:2008:103).
( 9 ) Zie arresten Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Zentral (33/76, EU:C:1976:188, punt 5) en Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 102).
( 10 ) Arrest Tele2 Telecommunication (EU:C:2008:103, punt 27).
( 11 ) Ibidem, punt 30.
( 12 ) Ibidem, punten 33 en 48.
( 13 ) Ibidem, punten 34, 36 en 39.
( 14 ) Richtlijn van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de totstandbrenging van de interne markt voor telecommunicatiediensten door middel van de tenuitvoerlegging van Open Network Provision (ONP) (PB L 192, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 (PB L 295, blz. 23).
( 15 ) Arrest Arcor (C‑55/06, EU:C:2008:244, punten 175‑177).
( 16 ) Zij berust op de veronderstelling dat het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming de lidstaten verplicht de bescherming te verzekeren van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen. Zie bijvoorbeeld arrest Unibet (C‑432/05, EU:C:2007:163, punten 37 en 38).
( 17 ) Arrest van het Verwaltungsgerichtshof van 26 maart 2008, VwSlg 17.406 A/2008.
( 18 ) Arrest Tele2 Telecommunication (EU:C:2008:103, punt 36).
( 19 ) Arrest Arcor (EU:C:2008:244, punt 177).
( 20 ) De actieve procesbevoegdheid van particulieren uit hoofde van artikel 263, vierde alinea, VWEU, is evenmin gekoppeld aan het bewijs van een subjectief recht, maar – volgens een van de drie hypothesen in deze bepaling – daaraan dat een handeling de rechtspositie van een verzoeker rechtstreeks en individueel raakt.
( 21 ) Zie arrest Tele2 Telecommunication (EU:C:2008:103, punt 36).
( 22 ) Zie over de verschillende opvattingen van subjectief publiekrechtelijk recht Wróbel, A., ,Prawo podmiotowe publiczne', System prawa administracyjnego, tom 1 – Instytucje prawa administracyjnego, Instytut Nauk Prawnych PAN, Warschau, C.H. Beck 2010, blz. 307‑344.
( 23 ) Zie arresten Centro Europa 7 (C‑380/05, EU:C:2008:59, punt 81) en Commissie/Polen (C‑227/07, EU:C:2008:620, punten 62 en 63).
( 24 ) Zie de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak British Airways/Commissie (C‑95/04 P, EU:C:2006:133, punt 68) en arrest GlaxoSmithKline Services/Commissie e.a. (C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punt 63).
( 25 ) Zie arresten Cofaz e.a./Commissie (169/84, EU:C:1986:42, punten 22‑25) en Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum (C‑78/03 P, EU:C:2005:761, punten 37 en 70).
( 26 ) Zie arresten Air France/Commissie (T‑3/93, EU:T:1994:36, punt 82), Kaysersberg/Commissie (T‑290/94, EU:T:1997:186), ARD/Commissie (T‑158/00, EU:T:2003:246, punten 78 en 95) en BaByliss/Commissie (T‑114/02, EU:T:2003:100, punten 96‑100).
( 27 ) Zie voor een rechtvaardiging van bijdragen voor het gebruik van frequenties arrest Belgacom e.a. (C‑375/11, EU:C:2013:185, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 28 ) Zie Nihoul, P., en Rodford, P., EU Electronic Communications Law, Oxford, 2011, blz. 101 en 116.
( 29 ) Zie arrest BaByliss/Commissie (EU:T:2003:100, punt 100).
Full & Egal Universal Law Academy