CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 4 september 2014 ( 1 )
Gevoegde zaken C‑464/13 en C‑465/13
Europäische Schule München
tegen
Silvana Oberto (C‑464/13),
Barbara O’Leary (C‑465/13)
[verzoeken van het Bundesarbeitsgericht (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Statuut van de Europese scholen — Bevoegdheid van de kamer van beroep van de Europese scholen of van plaatselijke rechtbanken ter zake van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur tussen de Europese school en een niet door een lidstaat gedetacheerde of aangestelde docent”
I – Inleiding
1.
Vallen geschillen betreffende de beperking van de duur van arbeidsovereenkomsten die gedurende verschillende jaren opeenvolgend zijn gesloten tussen de directeur van een Europese school en de hieraan verbonden docenten met een beperkte leeropdracht onder de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van het vestigingsland van deze school of onder de bevoegdheid van de kamer van beroep van de Europese scholen als bepaald in artikel 27, lid 2, van het op 21 juni 1994 tussen de lidstaten en de Europese Gemeenschappen te Luxemburg gesloten verdrag houdende het Statuut van de Europese scholen (hierna: „verdrag van 1994”)? ( 2 )
2.
Dat is de kern van de prejudiciële vragen die door het Bundesarbeitsgericht (federaal arbeidshof, Duitsland) zijn gesteld in het kader van twee zaken tussen de Europäische Schule München (Europese school te München) en twee van haar docenten met een beperkte leeropdracht, te weten Silvana Oberto en Barbara O’Leary, die sinds respectievelijk 1998 en 2003 als leerkracht werkzaam zijn op basis van arbeidsovereenkomsten van een jaar die door de directeur van deze school periodiek zijn vernieuwd op de rechtsgrondslag van het door de raad van bestuur van de Europese scholen vastgestelde statuut van de tussen 1 september 1994 en 31 augustus 2011 aangestelde docenten met een beperkte leeropdracht (hierna: „statuut van docenten met een beperkte leeropdracht”). ( 3 )
3.
Met twee bij het Arbeitsgericht München (rechter in arbeidszaken te München) ingestelde beroepen komen Oberto en O’Leary op tegen de beperking tot een jaar van de duur van hun arbeidsovereenkomsten, waarvan de laatste eindigden in augustus 2011. Zij betogen voor het Arbeitsgericht München dat de Duitse rechter bevoegd is om te oordelen over de geldigheid van de beperking van hun aanstelling bij de Europäische Schule München. Laatstgenoemde meent evenwel niet te zijn onderworpen aan de Duitse jurisdictie, aangezien de hoofdgedingen onder de uitsluitende bevoegdheid van de kamer van beroep van de Europese scholen zouden vallen.
4.
In een tussenvonnis heeft het Arbeitsgericht München het beroep ontvankelijk verklaard, hetgeen in hoger beroep is bevestigd. In het kader van een door de Europäische Schule München bij hem ingesteld beroep tot „Revision” vraagt het Bundesarbeitsgericht zich af hoe artikel 27, lid 2, eerste volzin, van het verdrag van 1994 moet worden uitgelegd.
5.
Het Bundesarbeitsgericht heeft dan ook besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1)
Moet artikel 27, lid 2, eerste volzin, van het verdrag [van 1994] aldus worden uitgelegd dat door een Europese school aangestelde docenten met een beperkte leeropdracht, die niet door de lidstaten gedetacheerd worden, onder de in het verdrag bedoelde personen vallen en niet – zoals het administratief en dienstpersoneel – van de toepassing van de regeling zijn uitgesloten?
2)
Indien het Hof de eerste vraag bevestigend beantwoordt:
Moet artikel 27, lid 2, eerste volzin, van het verdrag [van 1994] aldus worden uitgelegd dat deze regeling zich ook uitstrekt tot de rechtmatigheid van bezwarende besluiten die de directeur van een school in de uitoefening van zijn bevoegdheden krachtens dit verdrag neemt tegen de docenten met een beperkte leeropdracht en die op het verdrag of de in het kader hiervan vastgestelde voorschriften berusten?
3)
Indien het Hof de tweede vraag bevestigend beantwoordt:
Moet artikel 27, lid 2, eerste volzin, van het verdrag [van 1994] aldus worden uitgelegd dat ook het sluiten van een overeenkomst tussen de directeur van een Europese school en een docent met een beperkte leeropdracht ter zake van de beperking van de aanstellingsduur van laatstgenoemde, een ten aanzien van die docent genomen en hem bezwarend besluit van de directeur vormt?
4)
Indien het Hof de tweede of de derde vraag ontkennend beantwoordt:
Moet artikel 27, lid 2, eerste volzin, van het verdrag [van 1994] aldus worden uitgelegd dat de hierin bedoelde kamer van beroep bij uitsluiting bevoegd is om, nadat de bestuurlijke procedure is doorlopen, in eerste en laatste instantie uitspraak te doen in geschillen betreffende de beperking van de duur van een arbeidsovereenkomst die de directeur van een school met een docent met een beperkte leeropdracht sluit, wanneer deze overeenkomst in beslissende mate berust op het besluit van de raad van bestuur in punt 1.3 van het Statuut van docenten met een beperkte leeropdracht [...], inhoudende dat de duur van de arbeidsovereenkomsten tot een jaar is beperkt?”
6.
Ter zake van deze vragen zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de partijen in de hoofdgedingen alsmede door de Europese Commissie. Deze belanghebbende partijen zijn ook gehoord tijdens de mondelinge behandeling van 15 mei 2014.
II – Analyse
A – Bevoegdheid van het Hof om de prejudiciële vragen te beantwoorden
7.
De Europäische Schule München trekt in haar schriftelijke opmerkingen de bevoegdheid van het Hof om de prejudiciële vragen te beantwoorden in twijfel op grond van het internationale karakter van het verdrag van 1994. Hoewel de Europäische Schule München deze twijfels tijdens de mondelinge behandeling heeft laten varen, verdient dit vraagstuk – dat overigens van openbare orde is – enige aandacht.
8.
Het is juist dat de Europese scholen, die tot doel hebben het gezamenlijk kleuter- tot en met middelbaar onderwijs ( 4 ) aan de kinderen van het personeel van de instellingen van de Europese Unie te verzorgen, vanaf hun oprichting vallen onder het op 12 april 1957 te Luxemburg ondertekende verdrag houdende een Statuut van de Europese school ( 5 ) en het Protocol van 13 april 1962 betreffende de oprichting van Europese scholen ( 6 ), vastgesteld onder verwijzing naar het Statuut van de Europese school, welke rechtsinstrumenten zijn gesloten tussen de zes oprichtende lidstaten van de Europese Gemeenschappen zonder dat deze laatste zelf partij hierbij waren.
9.
Het Hof heeft zich op grond van het intergouvernementele karakter van het verdrag van 1957 onbevoegd verklaard om de bepalingen ervan uit te leggen en zulks zowel in de context van een prejudiciële verwijzing als in die van een beroep krachtens artikel 226 EG wegens niet-nakoming door een lidstaat van zijn verplichtingen uit hoofde van het EG-verdrag. ( 7 ) Aangezien het verdrag van 1957 een tussen de lidstaten gesloten internationale overeenkomst was, maakte het immers geen deel uit van het gemeenschapsrecht. ( 8 )
10.
Het verdrag van 1957 en het protocol betreffende de oprichting van Europese scholen zijn evenwel buiten werking gesteld en vervangen door het verdrag van 1994, ingevolge artikel 34 daarvan.
11.
Het verdrag van 1994 is niet alleen gesloten door de lidstaten, maar tevens door de Europese Gemeenschappen, krachtens besluit 94/557/EG, Euratom, van de Raad van 17 juni 1994 waarbij de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gemachtigd het verdrag houdende het Statuut van de Europese scholen te ondertekenen. ( 9 )
12.
Dit verdrag is dus een door de Raad van de Europese Unie gesloten overeenkomst die vanaf de inwerkingtreding ervan op 1 oktober 2002 integrerend deel uitmaakt van de rechtsorde van de huidige Europese Unie. Het Hof is derhalve bevoegd om in het kader van een prejudiciële procedure het verdrag van 1994 uit te leggen. ( 10 )
13.
Hieraan wordt niet afgedaan door het arrest Miles e.a. ( 11 ), waarin het niet ging om de aard van het verdrag van 1994 uit het oogpunt van de rechtsorde van de Unie, maar om de kwalificatie van de kamer van beroep van de Europese scholen als „rechterlijke instantie van een der lidstaten” in de zin van artikel 267 VWEU.
14.
Verder ben ik van mening dat de bevoegdheid van het Hof om de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter met betrekking tot de uitlegging van de bepalingen van het verdrag van 1994 te beantwoorden zich mede uitstrekt tot de handelingen die op de grondslag van deze bepalingen zijn vastgesteld en waarnaar laatstgenoemde verwijzen en zulks vooral omwille van een beter begrip ervan. Deze handelingen maken het namelijk mogelijk om de precieze inhoud van deze bepalingen te achterhalen. Zij zijn onlosmakelijk met de verdragsbepalingen verbonden en kunnen daarom niet door het Hof buiten beschouwing worden gelaten.
15.
Zoals uit de hiernavolgende uiteenzettingen met betrekking tot de beantwoording van de prejudiciële vragen zal blijken, maakt in casu het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht deel uit van deze handelingen. Bij dit statuut gaat het om een handeling met een algemene strekking, vastgesteld door de raad van bestuur van de Europese scholen, zijnde het belangrijkste gemeenschappelijk besluitvormend orgaan van de scholen, waarin vertegenwoordigers van de lidstaten en de Europese Commissie zitting hebben. ( 12 ) Het feit dat de verwijzende rechter ten behoeve van de uitlegging van artikel 27, lid 2, van het verdrag van 1994 in de vierde prejudiciële vraag zelf uitdrukkelijk het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht vermeldt, toont overigens aan dat hij heel goed beseft dat deze handelingen in aanmerkingen moeten worden genomen.
16.
Nu de bevoegdheid van het Hof om de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden volgens mij buiten kijf staat, dien ik mij vervolgens te buigen over deze vragen die er in wezen allemaal op neerkomen dat moet worden nagegaan of artikel 27, lid 2, van het verdrag van 1994 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling eraan in de weg staat dat de verwijzende rechter als rechterlijke instantie van de staat van vestiging van de Europäische Schule München bevoegd is om kennis te nemen van de door Oberto en O’Leary bij hem ingestelde beroepen, omdat krachtens dit artikel deze beroepen bij de kamer van beroep van de Europese scholen hadden moeten worden ingesteld.
B – Artikel 27, lid 2, van het verdrag van 1994 en de omvang van de bevoegdheid van de kamer van beroep van de Europese scholen
17.
Anders dan het verdrag van 1957 dat geen specifiek mechanisme voor de beslechting van geschillen tussen de in dit verdrag bedoelde personen en de Europese scholen bevatte, heeft het verdrag van 1994 een over „nauwkeurig omschreven bevoegdheden” beschikkende kamer van beroep in het leven geroepen met de bedoeling een „adequate rechterlijke bescherming tegen handelingen van de raad van bestuur of het dagelijks bestuur [van deze scholen] te waarborgen voor het onderwijzend personeel alsmede voor andere in [het statuut van deze scholen] bedoelde personen”. ( 13 )
18.
De eerste prejudiciële vraag vermeldt twee categorieën personeelsleden van de Europese scholen: in de eerste plaats onderwijzend personeel en, in de tweede plaats, administratief en dienstpersoneel.
19.
Met betrekking tot de bevoegdheid van de kamer van beroep van de Europese scholen blijkt uit artikel 27, lid 2, eerste alinea, van het verdrag van 1994 dat deze kamer bevoegd is om in eerste en laatste instantie en na uitputting van de bestuurlijke procedure uitspraak te doen „in alle geschillen betreffende de toepassing van dit verdrag op de hierin bedoelde personen, met uitsluiting van het administratief en dienstpersoneel, en betreffende de wettigheid van een besluit dat gebaseerd is op het verdrag of op grond van dit verdrag vastgestelde regels waardoor die personen benadeeld worden en dat genomen is door de raad van bestuur of het dagelijks bestuur binnen de uitoefening van de bevoegdheden die hun bij dit verdrag zijn verleend”.
20.
Uit deze bepaling blijkt dat de omvang ratione personae van de bevoegdheid van de kamer van beroep zich uitstrekt tot geschillen, waarbij de in het verdrag van 1994 bedoelde personen, met uitsluiting van het administratief en dienstpersoneel, partij zijn.
21.
Bijgevolg vallen geschillen tussen het administratief en dienstpersoneel en de Europese scholen onder de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de staat van vestiging van deze scholen.
22.
Deze uitlegging vindt om te beginnen steun in artikel 27, lid 7, van het verdrag van 1994, volgens hetwelk „[d]e overige geschillen waarin de [Europese] scholen partij zijn”, dat wil zeggen die geschillen die niet onder de exclusieve en nauwkeurig omschreven bevoegdheid van de kamer van beroep vallen, „[...] tot de bevoegdheid van de nationale gerechten [behoren]”.
23.
Voorts vindt deze uitlegging steun in artikel 36 van het op 17 en 18 april 2007 in Lissabon door de raad van bestuur vastgestelde statuut van het administratief en dienstpersoneel, waarin wordt bepaald dat deze rechterlijke instanties enkel bevoegd zijn ten aanzien van geschillen, waarin een lid van het administratief en dienstpersoneel en een Europese school tegenover elkaar staan en het gaat om de rechtmatigheid van een voor het betrokken personeelslid nadelige toepassing van het statuut. ( 14 )
24.
Artikel 27, lid 2, eerste alinea, van het verdrag van 1994 bepaalt daarentegen dat geschillen tussen docenten en de Europese scholen onder de exclusieve bevoegdheid van de kamer van beroep van de Europese scholen vallen.
25.
Een dergelijke constatering vormt evenwel geen voldoende antwoord op de door de verwijzende rechter opgeworpen problematiek met betrekking tot geschillen tussen een Europese school en haar docenten met een beperkte leeropdracht.
26.
In de eerste plaats blijkt uit het verdrag van 1994 dat de hierin bedoelde categorie „onderwijzend personeel” of „leerkrachten” niet, stricto sensu, ook docenten met een beperkte leeropdracht omvat.
27.
Uit artikel 3, lid 2, van het verdrag van 1994 blijkt namelijk dat het onderwijs wordt gegeven door leerkrachten die door de lidstaten zijn gedetacheerd of aangesteld, dat wil zeggen leerkrachten die, verbonden als docenten aan scholen in hun respectieve lidstaten, ingevolge artikel 12, lid 4, sub a, van dit verdrag tijdens hun detachering of aanstelling bij de Europese scholen onvoorwaardelijk de door hun nationale rechtspositie gewaarborgde rechten op bevordering en pensionering behouden. ( 15 )
28.
Bovendien maakt artikel 27, lid 2, tweede alinea, van het verdrag van 1994 een onderscheid tussen de door de raad van bestuur krachtens artikel 12, lid 1, van dit verdrag vastgestelde „bepalingen betreffende de rechtspositie van het onderwijzend personeel” ( 16 ) en de „regeling welke van toepassing is op docenten met een beperkte leeropdracht”.
29.
Docenten met een beperkte leeropdracht vallen dus niet onder het „administratief en dienstpersoneel”, noch onder het „onderwijzend personeel” in de zin van het verdrag van 1994.
30.
Mijns inziens vallen deze docenten veeleer onder de andere door dit verdrag „bedoelde personen”, ten aanzien waarvan, in geval van geschillen tussen hen en de Europese scholen, ingevolge artikel 27, lid 2, eerste alinea, van het verdrag van 1994 in beginsel de kamer van beroep van de Europese scholen bevoegd is.
31.
Er zij, in de tweede plaats, evenwel aan herinnerd dat artikel 27, lid 2, tweede alinea, van het verdrag van 1994 voor de „voorwaarden en uitvoeringsbepalingen” betreffende de bij de kamer van beroep ingestelde beroepen verwijst naar de „regeling welke van toepassing is op docenten met een beperkte leeropdracht”.
32.
De regeling die van toepassing is op docenten met een beperkte leeropdracht is neergelegd in het door de raad van bestuur vastgestelde statuut van docenten met een beperkte leeropdracht dat ook in de hoofdgedingen de arbeidsverhouding tussen O’Leary en Oberto en de Europäische Schule München regelt.
33.
Uit dit statuut blijkt dat docenten met een beperkte leeropdracht worden aangesteld ter vervulling van bepaalde taken om te voorzien in tijdelijke onderwijsbehoeften en dat de duur van de arbeidsovereenkomsten tot een jaar is beperkt. ( 17 )
34.
Terwijl ingevolge artikel 3.2. van het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht verschillende bepalingen van het statuut van het gedetacheerd personeel van de Europese scholen, waaronder artikel 80 ervan, betreffende de procedure voor de kamer van beroep van de Europese scholen, „van toepassing [zijn] op de door de directeur aangestelde leerkrachten”, bepaalt artikel 3.4. van het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht, onder het kopje „Wetgeving van het land waar de school is gevestigd”, dat de „voorwaarden voor aanstelling en ontslag van de leerkrachten met beperkte opdracht, [...] worden geregeld door de wetgeving van het land waar de school gevestigd is, voor zover het de werkverhoudingen, de sociale voorzieningen en de belastingen betreft, ongeacht de aan dit artikel voorafgaande bepalingen” en dat „[e]ventuele conflicten [...] aan de plaatselijke rechtbanken [kunnen] worden voorgelegd”.
35.
Op basis van de verwijzing in artikel 27, lid 2, tweede alinea, van het verdrag van 1994 naar de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen in de regeling die van toepassing is op docenten met een beperkte leeropdracht, verbindt artikel 3.4. van het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht dus de bevoegdheid van de kamer van beroep en de hiervoor geldende procedure in een nog nader te bepalen omvang aan geschillen tussen deze docenten en de Europese scholen.
36.
Onder verwijzing naar de beslissing van 21 augustus 2012 van de kamer van beroep in zaak 12/12 (hierna: „beslissing in zaak 12/12”) betoogt de Europäische Schule München in haar schriftelijke opmerkingen in wezen dat ingevolge artikel 3.2 van het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht de kamer van beroep van de Europese scholen bevoegd is voor alle arbeidsgeschillen tussen een docent met een beperkte leeropdracht en een Europese school.
37.
Nog los van het feit dat de zienswijze van de kamer van beroep het Hof op generlei wijze bindt, ben ik van mening dat de conclusie die de Europäische Schule München uit de beslissing in zaak 12/12 trekt om twee redenen aanzienlijke nuancering behoeft.
38.
In de eerste plaats werd in zaak 12/12 de kamer van beroep van de Europese scholen aangezocht met betrekking tot de rechtmatigheid van de weigering van de directeur van de Europäische Schule München om aan een van zijn docenten met een beperkte leeropdracht het in de overuren uitgeoefende toezicht te vergoeden. De kamer van beroep heeft dit beroep eerst en vooral niet-ontvankelijk verklaard op grond dat vooraf niet de in het statuut opgenomen bezwaarprocedure was doorlopen. ( 18 ) Uit het voorwerp van het geschil alsmede uit de subsidiaire motivering ten principale van de beslissing van de kamer van beroep blijkt dat het in deze zaak ging om de betaling van de docenten met een beperkte leeropdracht en niet om de op hen van toepassing zijnde „voorwaarden voor aanstelling en ontslag” bedoeld in artikel 3.4 van het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht.
39.
In de tweede plaats is het juist dat de kamer van beroep – alvorens het beroep niet-ontvankelijk te verklaren – niettemin heeft benadrukt zich ter zake van een dergelijk beroep bevoegd te achten op grond van de verwijzing in artikel 3.2 van het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht naar artikel 80 van het statuut van het gedetacheerd personeel, welk artikel 3.2 „voorrang heeft op [artikel] 3.4 van het statuut [van docenten met een beperkte leeropdracht], dat voorziet in de bevoegdheid van plaatselijke rechtbanken, in dat geval de rechter voor arbeidszaken in München, evenwel ‚ongeacht de aan dit artikel voorafgaande bepalingen’ en bijgevolg subsidiair”. ( 19 ) Met alle respect voor de kamer van beroep wijs ik erop dat uit de bewoordingen van artikel 3.4 van het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht, welke in punt 34 van deze conclusie zijn weergegeven, evenwel ondubbelzinnig blijkt dat de zinsnede „ongeacht de aan dit artikel voorafgaande bepalingen” (eerste volzin in fine van dit artikel) in het geheel niet verwijst naar de tweede volzin van dit artikel, welke betrekking heeft op „[e]ventuele conflicten” die aan de plaatselijke rechtbanken kunnen worden voorgelegd.
40.
Samenvattend: de in artikel 3.4, eerste volzin, van het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht opgenomen formulering „ongeacht de aan dit artikel voorafgaande bepalingen” houdt uitsluitend verband met de „voorwaarden voor aanstelling en ontslag van de leerkrachten met beperkte opdracht” en kan daarom enkel worden begrepen als een verwijzing naar de materiële en niet naar de procedurele voorwaarden die in de andere bepalingen van het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht zijn opgenomen.
41.
Deze benadering lijkt mij in lijn met de reeds nader uiteengezette doelstelling van het verdrag van 1994 die is gericht op een strikte afbakening van de bevoegdheid van de kamer van beroep van de Europese scholen, zonder al te veel afbreuk te doen aan de in artikel 27, lid 7, van dit verdrag bedoelde residuele bevoegdheid van de rechterlijke instanties van het vestigingsland van de scholen.
42.
Wat dit betreft – en om elke mogelijke twijfel weg te nemen – is het bijgevolg zonneklaar dat ook het door de Europäische Schule München aangevoerde algemene argument dat de Europese scholen als internationale organisaties immuniteit ten aanzien van de nationale jurisdictie genieten, niet kan worden aanvaard. ( 20 )
43.
Het verdrag van 1994 en de op de grondslag hiervan vastgestelde handelingen geven immers ten overvloede blijk van de wil van de verdragsluitende partijen om een evenwichtige verdeling te waarborgen van de respectieve bevoegdheden van de kamer van beroep van de Europese scholen en de rechterlijke instanties van de staten van vestiging van de Europese scholen en deze scholen geen volledige immuniteit toe te kennen ten aanzien van de nationale jurisdictie – ook niet wat arbeidsrechtelijke zaken betreft – en zulks zowel voor het personeel dat een kerntaak op de Europese scholen uitoefent, namelijk lesgeven, als voor personeel dat enkel ondersteunend of indirect hiervoor werkzaam is.
44.
Volgens mij volgt hieruit dat de kamer van beroep van de Europese scholen bevoegd is voor geschillen tussen een docent met een beperkte leeropdracht en een Europese school, met uitsluiting van, in de eerste plaats, geschillen die betrekking hebben op de voorwaarden voor aanstelling en ontslag van deze personeelsleden, ingevolge artikel 27, lid 2, tweede alinea, van het verdrag van 1994 juncto artikel 3.4 van het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht en, in de tweede plaats, andere geschillen waarin de scholen partij zijn, in het bijzonder aangelegenheden inzake civielrechtelijke of strafrechtelijke aansprakelijkheid bedoeld in artikel 27, lid 7, van het verdrag van 1994.
45.
Aangezien in casu de hoofdgedingen betrekking hebben op het opeenvolgende gebruik van jaarcontracten ( 21 ) en bijgevolg op een kernvoorwaarde van de aanstelling van docenten met een beperkte leeropdracht, is ingevolge artikel 3.4 van het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht in casu dus de rechter van de plaats van vestiging van de Europäische Schule München bevoegd.
46.
De erkenning van een dergelijke bevoegdheid van de rechtbanken van de plaats van vestiging van de Europese scholen lijkt mij des te meer juist en gerechtvaardigd, nu zij tegelijkertijd een doeltreffende bescherming, vanuit het oogpunt van het materiële recht, waarborgt van de rechten van de docenten met een beperkte leeropdracht wat hun voorwaarden voor aanstelling en ontslag betreft, aangezien een dergelijke bescherming, in weerwil van met name de status van werknemer van deze docenten met een beperkte leeropdracht, niet voor de volle honderd procent was verzekerd door de in het verdrag van 1994 opgenomen beroepsgang.
47.
Volgens vaste rechtspraak is iedere onderdaan van de Unie die in een andere lidstaat dan zijn staat van herkomst werkt en een betrekking bij een internationale organisatie heeft aanvaard, onverminderd een werknemer in de zin van artikel 45 VWEU. ( 22 ) De erkenning en de handhaving van deze werknemersstatus zijn des te belangrijker wanneer de betrokken personen, zoals de door de Europese scholen aangestelde docenten met een beperkte leeropdracht, voor een belangrijk deel onder de wettelijke bepalingen op het gebied van de werkverhoudingen, de sociale voorzieningen en de inkomstenbelasting van de staat van vestiging van de betrokken internationale organisatie vallen.
48.
Ook zij benadrukt dat Oberto en O’Leary met hun respectieve bij de rechter van de plaats van vestiging van de Europäische Schule München ingestelde beroepen, in wezen de bescherming trachten te verkrijgen van de Duitse wetgeving ter omzetting van richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de op 18 maart 1999 door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten en bij deze richtlijn gevoegde raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd ( 23 ), en in het bijzonder clausule 5, punt 1, van deze raamovereenkomst.
49.
Deze clausule beoogt uitvoering te geven aan een van de doelstellingen van de raamovereenkomst, namelijk de vaststelling van een kader voor het opeenvolgende gebruik van arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd, dat als een mogelijke bron van misbruik ten nadele van de werknemers wordt beschouwd, door te voorzien in een aantal minimale beschermende bepalingen om te vermijden dat werknemers in een precaire situatie komen te verkeren. ( 24 )
50.
In die zin legt richtlijn 1999/70 de lidstaten de verplichting op om ten minste één van de drie in clausule 5, punt 1, sub a tot en met c, van de raamovereenkomst genoemde maatregelen daadwerkelijk en bindend vast te stellen, teneinde misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen. Deze maatregelen betreffen respectievelijk de objectieve redenen die een vernieuwing van dergelijke arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen rechtvaardigen, de maximale totale duur van deze opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen en het aantal malen dat dergelijke overeenkomsten of verhoudingen mogen worden vernieuwd. ( 25 )
51.
Artikel 2, eerste alinea, van richtlijn 1999/70 schrijft hiertoe met name voor dat de lidstaten „te allen tijde” de in deze richtlijn voorgeschreven resultaten moeten kunnen waarborgen.
52.
Bovendien heeft de Unierechter ook verklaard dat de bij richtlijn 1999/70 uitgevoerde clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst de specifieke uitdrukking van het verbod van misbruik van recht vormt, één van de algemene rechtsbeginselen, zodat, in de verhoudingen tussen de instellingen van de Unie en hun voor een bepaalde duur aangestelde functionarissen, de op deze functionarissen van toepassing zijnde bepalingen zo veel mogelijk moeten worden uitgelegd op een wijze die in overeenstemming is met de doelstellingen en de minimumvoorschriften van de raamovereenkomst en, uiteindelijk, met het verbod van misbruik van recht. ( 26 )
53.
Bijgevolg moeten zowel door werknemers in de lidstaten als door de instellingen van de Unie voor een bepaalde duur aangestelde werknemers kunnen vertrouwen op de bescherming door een gemeenschappelijk basispakket aan minimumvoorschriften dat wordt geboden door de bij richtlijn 1999/70 uitgevoerde clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst of het in deze clausule tot specifieke uitdrukking gebrachte beginsel van het verbod van misbruik van recht.
54.
De lidstaten en de Europese Unie die, zoals gezegd, de enige partijen bij het verdrag van 1994 zijn, kunnen met de ondertekening van dit verdrag niet rechtsgeldig de bedoeling hebben gehad om de door dit gemeenschappelijke basispakket aan de werknemers van de Unie geboden bescherming los te laten, terwijl tegelijkertijd de op deze werknemers, zoals de docenten met een beperkte leeropdracht van de Europese scholen, van toepassing zijnde regeling voor een groot deel onder de nationale wetgeving van de lidstaat van vestiging van deze scholen valt.
55.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft voorts ook de Commissie niet ontkend dat de minimumvoorschriften van de bij richtlijn 1999/70 uitgevoerde clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst van toepassing kunnen zijn op de arbeidsverhouding tussen de Europese scholen en hun docenten met een beperkte leeropdracht, maar in wezen enkel betoogd dat het op de grondslag van het verdrag van 1994 vastgestelde statuut van docenten met een beperkte leeropdracht niet is aangepast aan de ontwikkeling van het recht zoals dat volgt uit voornoemde clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst als specifieke uitdrukking van het beginsel van het verbod van misbruik van recht.
56.
Als Unierechtelijke handeling moet het verdrag van 1994 worden uitgelegd in het licht van het algemeen beginsel van het verbod van misbruik van recht, dat wat de arbeidsverhoudingen binnen de Unie betreft specifiek tot uitdrukking komt in de bij richtlijn 1999/70 uitgevoerde clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst die de vaststelling voorschrijft van minimumvoorschriften ter voorkoming van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of ‑verhoudingen van bepaalde duur.
57.
Vastgesteld moet evenwel worden dat hoewel de aan de Europese scholen aangestelde docenten met een beperkte leeropdracht werknemers in de zin van artikel 45 VWEU zijn, het verdrag van 1994 niet waarborgt dat zij zich voor de hierbij in het leven geroepen rechterlijke instantie daadwerkelijk en doeltreffend op een dergelijk gemeenschappelijk basispakket aan Unierechtelijke minimumvoorschriften kunnen beroepen.
58.
Op grond van het sui generis-karakter van het bij het verdrag van 1994 in het leven geroepen stelsel van samenwerking en de kwalificatie als orgaan van een internationale organisatie ( 27 ), heeft de kamer van beroep van de Europese scholen namelijk eerder al verklaard dat de internationale instrumenten, zoals het Unierecht, waarbij de Europese scholen zelf geen partij zijn, deze scholen als zodanig rechtens niet kunnen verbinden. ( 28 )
59.
De kamer van beroep wil weliswaar erkennen dat de fundamentele beginselen – en zelfs de algemene beginselen – waarnaar deze instrumenten verwijzen en die in de rechtsorde van de Unie en de lidstaten zijn aanvaard, „kunnen” dienen als richtsnoer, naast hun eigen rechtsregels, voor het optreden van de organen van de Europese scholen. ( 29 )
60.
Dit neemt niet weg dat de beoordelingsmarge die de kamer van beroep van de Europese scholen zich op deze wijze voorbehoudt bij de bepaling van de met name uit het Unierecht voortvloeiende regels en beginselen die enkel kunnen dienen als richtsnoer bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het optreden en de handelingen van de Europese scholen, niet kan waarborgen dat ten aanzien van werknemers die, zoals de docenten met een beperkte leeropdracht, voor een groot deel onder de wettelijke bepalingen op het gebied van arbeid, sociale zekerheid en inkomstenbelasting van de lidstaat van vestiging van de Europese scholen vallen, het algemene beginsel van het verbod van misbruik van recht in acht wordt genomen, welk beginsel, wat de arbeidsverhoudingen binnen de Unie betreft, zijn specifieke uitdrukking vindt in een door deze lidstaat „te allen tijde” te waarborgen gemeenschappelijk basispakket dat bestaat uit de minimumvoorschriften van de bij richtlijn 1999/70 uitgevoerde clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst.
61.
Een dergelijke beoordelingsmarge lijkt mij des te meer reden tot bezorgdheid te geven nu de kamer van beroep van de Europese scholen in eerste en in laatste aanleg uitspraak doet en, zoals uit het arrest Miles e.a. ( 30 ) blijkt, niet bevoegd is het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU.
62.
Het feit dat de instelling bij het verdrag van 1994 van een kamer van beroep een bepaalde mate van rechtsbescherming van de in het verdrag bedoelde personen kan waarborgen, garandeert op zichzelf uiteraard niet dat, vanuit materieelrechtelijk oogpunt, deze personen zich daadwerkelijk en met absolute zekerheid kunnen beroepen op de minimumvoorschriften van de bij richtlijn 1999/70 uitgevoerde clausule 5 van de raamovereenkomst als specifieke uitdrukking van een algemeen rechtsbeginsel dat bindend is voor alle partijen bij het verdrag van 1994 en waaraan de bij dit verdrag in het leven geroepen organen mijns inziens niet voorbij mogen gaan.
63.
Ik ben dan ook van mening dat het niet volstaat dat een dergelijke rechtsgang in het leven is geroepen. ( 31 ) Deze procedure moet ook verzekeren dat de rechten die zijn toegekend aan de in het verdrag van 1994 bedoelde personen, in casu die welke voortvloeien uit het Unierecht betreffende de voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, op doeltreffende wijze voor de bij dit verdrag in het leven geroepen rechterlijke instantie inroepbaar zijn. ( 32 )
64.
Aangezien, zoals zojuist is aangetoond, de inroepbaarheid van deze rechten voor dit orgaan niet zonder meer is gegarandeerd, ben ik van mening dat, zolang het bij het verdrag van 1994 in het leven geroepen stelsel van rechterlijke bescherming niet zodanig wordt gewijzigd dat met name de kamer van beroep van de Europese scholen de bevoegdheid krijgt om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen ( 33 ), het gerechtvaardigd is dat in casu de toetsing van de inachtneming van de rechten van de docenten met een beperkte leeropdracht met betrekking tot hun voorwaarden voor aanstelling en ontslag door de Europese scholen door de rechterlijke instanties van de lidstaat van de plaats van vestiging van deze scholen wordt verzekerd.
65.
Een omgekeerde benadering zou erop neerkomen dat geschillen die objectief gezien, op zijn minst gedeeltelijk, verband houden met de toepassing en de uitlegging van het Unierecht, worden onttrokken aan de bevoegdheid van de nationale rechter, terwijl de bij het verdrag van 1994 in het leven geroepen rechterlijke instantie op dit moment geen deel uitmaakt van het rechterlijk stelsel van Unie. Een dergelijke benadering lijkt mij, naar analogie met de motivering in het advies van het Hof met betrekking tot de voorgenomen overeenkomst tot invoering van een gemeenschappelijk stelsel voor octrooigeschillenbeslechting ( 34 ), niet verenigbaar met het primaire Unierecht.
66.
Bijgevolg ben ik van mening dat zowel de bewoordingen van artikel 27 van het verdrag van 1994, gelezen in het licht van het statuut van docenten met een beperkte leeropdracht, als de samenhang en de geest waarbinnen deze instrumenten moeten worden bezien, ervoor pleiten dat de voorwaarden voor aanstelling en ontslag van de docenten met een beperkte leeropdracht vallen onder de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat van vestiging van de Europese scholen.
67.
Anders dan hetgeen de Europäische Schule München tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof heeft betoogd, betekent de erkenning van een dergelijke bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat van vestiging van de Europese scholen in het geheel niet dat de docenten met een beperkte leeropdracht aan uiteenlopende regelingen worden onderworpen. Behalve dat namelijk zowel de Europäische Schule München als de Commissie tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat een aantal Europese scholen reeds niet langer enkel jaarcontracten aan hun docenten met een beperkte leeropdracht aanbiedt en dat, bijgevolg, deze werknemers niet onderworpen zijn aan volledig uniforme aanstellingsvoorwaarden, vormen de minimumvoorschriften van de bij richtlijn 1999/70 uitgevoerde clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst, zijnde de specifieke uitdrukking van het verbod van misbruik van recht, waarvan de nationale rechter de toepassing moet verzekeren, een basispakket dat geldt voor alle lidstaten, in het bijzonder die lidstaten waar krachtens het verdrag van 1994 de Europese scholen zijn gevestigd.
68.
Tot slot wil ik nogmaals benadrukken dat de aanpak die ik wat de onderhavige zaken betreft aan het Hof in overweging geef, geen vraagtekens beoogt te plaatsen bij de immuniteit die internationale organisaties uit hoofde van hun constitutieve instrumenten ten aanzien van de nationale jurisdictie genieten.
69.
Het tegendeel is waar. Deze aanpak is juist gebaseerd op zowel de herhaaldelijk vermelde zeer nauwe en functionele banden die de Europese scholen onderhouden met de instellingen van de Unie, als op de structuur van het verdrag van 1994 en de op de grondslag ervan vastgestelde handelingen, die de residuele bevoegdheid van de nationale rechter erkennen om kennis te nemen van de andere geschillen tussen de in dit verdrag bedoelde personen en de Europese scholen, dan die welke aan de kamer van beroep van de Europese scholen zijn voorbehouden.
III – Conclusie
70.
Gelet op bovenstaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesarbeidsgericht als volgt te beantwoorden:
„Artikel 27, leden 2 en 7, van het op 21 juni 1994 in Luxemburg tussen de lidstaten en de Europese Gemeenschappen gesloten verdrag houdende het statuut van de Europese scholen moet aldus worden uitgelegd dat op basis van deze bepaling de rechterlijke instanties van de lidstaat van vestiging van de Europese scholen bevoegd zijn om kennis te nemen van een geschil tussen deze scholen en hun docenten met een beperkte leeropdracht ter zake van hun voorwaarden voor aanstelling en ontslag, in de zin van het door de raad van bestuur van deze scholen vastgestelde statuut van de tussen 1 september 1994 en 31 augustus 2011 aangestelde docenten met een beperkte leeropdracht van de Europese scholen.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB L 212, blz. 3. Het verdrag is op 1 oktober 2002 in werking getreden.
( 3 ) Ref.: 2011‑06-D-24-fr-1.
( 4 ) Zie de artikelen 1 en 3 van het verdrag van 1994. Dit verdrag geldt voor de momenteel veertien Europese scholen die samen bijna 23000 leerlingen tellen en het Europees baccalaureaatsdiploma afgeven. Vijf van deze scholen zijn gevestigd in België, drie in Duitsland (waaronder de Europäische Schule München), twee in Luxemburg, een in Spanje, een in Italië, een in Nederland en een in het Verenigd Koninkrijk. Vooral vanwege de aanwezigheid van agentschappen van de Unie en andere soortgelijke organen in de overige lidstaten heeft de raad van bestuur van de Europese scholen besloten tot de oprichting vanaf 2005 van een bepaald aantal erkende Europese scholen, de zogenoemde type II-scholen, die hetzelfde onderwijs verzorgen als de veertien Europese scholen en eveneens het Europees baccalaureaatsdiploma mogen afgeven. Deze erkende Europese scholen, waarvan er op dit moment negen zijn (twee in Frankrijk, een in Duitsland, een in Finland, een in Griekenland, een in Ierland, een in Italië, een in Nederland en een in het Verenigd Koninkrijk), worden evenwel niet vermeld in bijlage I bij het verdrag van 1994.
( 5 ) United Nations Treaty Series, deel 443, blz. 129 (hierna: „verdrag van 1957”).
( 6 ) United Nations Treaty Series, deel 752, blz. 267.
( 7 ) Zie respectievelijk arresten Hurd (44/84, EU:C:1986:2, punten 20‑22), en Commissie/België (C‑132/09, EU:C:2010:562, punt 45).
( 8 ) Zie met name arrest Commissie/België (EU:C:2010:562, punt 44). Voorts hadden de Europese Gemeenschappen niet de verplichtingen van de lidstaten op zich genomen binnen de organen die in het leven waren geroepen bij het verdrag van 1957 en bevatte dit verdrag geen bepaling die het Hof van Justitie als bevoegde rechter aanwees.
( 9 ) PB L 212, blz. 1.
( 10 ) Zie naar analogie arresten Bogiatzi (C‑301/08, EU:C:2009:649, punt 23) en Air Transport Association of America e.a. (C‑366/10, EU:C:2011:864, punt 73). Zie met betrekking tot het verdrag van 1994 mijn conclusie in de zaak Commissie/België (C‑132/09, EU:C:2010:342, voetnoot 46).
( 11 ) C‑196/09, EU:C:2011:388.
( 12 ) Zie artikelen 8 en 10 van het verdrag van 1994.
( 13 ) Zie vierde overweging van de preambule van het verdrag van 1994.
( 14 ) Ref.: 2007-D-153-fr-6, blz. 18.
( 15 ) Zie in die zin arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑545/09, EU:C:2012:52, punten 41 en 48). Eerder had de kamer van beroep van de Europese scholen de opeenvolgende jaarcontracten tussen een docente met een beperkte leeropdracht en de Europese school van Brussel II gekwalificeerd als arbeidsverhoudingen die „onder het privaatrecht vallen en zorgvuldig moeten worden gescheiden van de arbeidsverhoudingen die gelden voor de bij de Europese scholen gedetacheerde docenten”, ervan uitgaande dat laatstgenoemde categorie docenten, in tegenstelling tot docenten met een beperkte leeropdracht, door de nationale autoriteiten met hun werkzaamheden worden belast. Zie de beslissing van de kamer van beroep van 22 juni 2001, beroep 01/001, blz. 7. Deze beslissing kan, evenals alle andere beslissingen van de kamer van beroep, worden geraadpleegd op de site van deze instantie: http://schola‑/cree/
( 16 ) Zie het statuut van het gedetacheerd personeel van de Europese scholen, zoals laatstelijk gewijzigd op 5 december 2013 (ref. 2011‑04-D-14-fr-3).
( 17 ) Zie respectievelijk artikelen 1.2., 2, sub a, en 1.3. van het statuut van de docenten met een beperkte leeropdracht. In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Europäische Schule München niettemin gepreciseerd dat de docenten met een beperkte leeropdracht bijna 40 % van het personeel van deze school uitmaakt. Verder blijkt uit een van het secretariaat-generaal van de Europese scholen afkomstig en door de raad van bestuur goedgekeurd document van 23 april 2009 met betrekking tot de hervorming van het stelsel van deze scholen (ref.: 2009-D-353-fr-4, blz. 5), dat een minimumaantal docenten met een beperkte leeropdracht van ongeveer 25 % van het totale leerkrachtenbestand noodzakelijk is.
( 18 ) Punt 9, sub b, van de beslissing in zaak 12/12. Subsidiair was de kamer van beroep van oordeel dat het beroep hoe dan ook ongegrond was, omdat de aan toezicht bestede uren dienen te worden aangemerkt als een bij het lesgeven horende „andere activiteit” waar geen extra betaling tegenover staat.
( 19 ) Punt 9, sub a, van de beslissing in zaak 12/12.
( 20 ) Zie recentelijk over dit onderwerp in het bijzonder Orzan, M.F., „Le immunità ed i privilegi delle organizzazioni internazionali”, Del Vecchio, A. (a cura di), Diritto delle Organizzazioni Internazionali, Edizioni Scientifiche Italiane, 2012, blz. 243.
( 21 ) Ik wijs er voor alle duidelijkheid op dat ingevolge artikel 1.3 van het statuut van de docenten met een beperkte leeropdracht dit statuut „arbeidsovereenkomsten van een jaar” kent.
( 22 ) Zie met name arrest Gardella (C‑233/12, EU:C:2013:449, punten 25 en 26), met betrekking tot een werknemer van het Europees Octrooibureau.
( 23 ) PB L 175, blz. 3.
( 24 ) Zie met name arrest Márquez Samohano (C‑190/13, EU:C:2014:146, punt 41 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 25 ) Ibidem, punt 42 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 26 ) Zie met name arrest Adjemian e.a./Commissie (T‑325/09 P, EU:T:2011:506, punten 57 en 62), alsmede beschikking Christoph e.a./Commissie (F‑63/08, EU:F:2013:36, punt 75). Ik herinner eraan dat het Hof in zijn arrest van 5 juli 2007, Kofoed (C‑321/05, EU:C:2007:408, punt 38) uitdrukkelijk heeft verklaard dat het verbod van rechtsmisbruik een algemeen beginsel van Unierecht is.
( 27 ) Zie in die zin arrest Miles e.a. (EU:C:2011:388, punten 39 en 42).
( 28 ) Zie inzonderheid beslissingen van de kamer van beroep van 30 juli 2007, beroep 07/14, punt 18, en 15 oktober 2009, beroep 09/35, punt 12.
( 29 ) Zie de beslissing van de kamer van beroep van 28 augustus 2012, beroep 12/35, punt 11.
( 30 ) Arrest Miles e.a. (EU:C:2011:388, punt 46). Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de voorzitter van de kamer van beroep van de Europese scholen in zijn jaarverslag over 2013 (ref.: 2014‑02-D-16-fr-2, document van 11 en 12 maart 2014, blz. 11), onder instemmende verwijzing naar de „suggestie” van het Hof in het arrest Miles e.a. (EU:C:2011:388, punt 45) dat het aan de verdragspartijen staat om het door het verdrag inzake de Europese scholen ingestelde stelsel van rechterlijke bescherming te herzien, van mening was dat een dergelijke herziening de mogelijkheid biedt van een „doeltreffende inachtneming van de rechten van de in het verdrag bedoelde personen” ter „verzekering van een rechterlijke bescherming van zijn justitiabelen die vergelijkbaar is met die van elke andere Unieburger”.
( 31 ) Hetgeen, uit het oogpunt van de in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ondertekend te Rome op 4 november 1950, neergelegde burgerlijke en processuele rechten, wellicht kan volstaan met betrekking tot in het algemeen interne beroepsprocedures die in het leven zijn geroepen door internationale organisaties die niet zulke nauwe banden onderhouden met de lidstaten en de instellingen van de Unie als de Europese scholen. Zie dienaangaande met name EHRM, arrest van 19 februari 1999, Waite en Kennedy/Duitsland, nr. 26083/94, 1999-I, §§ 67 en 73, en beslissing van 5 maart 2013, Chapman/België, nr. 39619/06, §§ 48 en 54.
( 32 ) Bepaalde nationale rechters gaan zelfs wat het recht op toegang tot een rechter in de zin van artikel 6 EVRM betreft na of het door de internationale organisaties in het leven geroepen mechanisme voor de beslechting van arbeidsgeschillen ook werkelijk doeltreffend is, waarbij zij zich, indien dit niet het geval is, op grond van de aanwezigheid van een aanknopingspunt voor jurisdictie bevoegd verklaren om uitspraak te doen in de aan hen voorgelegde geschillen (zie dienaangaande de door Orzan, aangehaald in voetnoot 20 van deze conclusie, vermelde voorbeelden, blz. 260 en 265).
( 33 ) In zijn in voetnoot 30 van deze conclusie aangehaald jaarverslag over 2013 vermeldt de voorzitter van de kamer van beroep van de Europese scholen dat hij momenteel leiding geeft aan een werkgroep die belast is met de opstelling van een voorstel voor het secretariaat-generaal van de raad van bestuur van de Europese scholen met betrekking tot de „wijze van versterking van de rechterlijke bescherming in het stelsel van de Europese scholen”. Het Hof heeft in algemene zin verklaard dat bij een met derde staten gesloten internationale overeenkomst aan het Hof geldig nieuwe rechterlijke bevoegdheden kunnen worden toegekend, mits de functie van het Hof zoals die in het VEU en het VWEU vorm heeft gekregen, daardoor niet wordt veranderd (zie inzonderheid advies 1/09, EU:C:2011:123, punt 75). Een dergelijke mogelijkheid zou a fortiori moeten worden erkend in geval van een internationale overeenkomst die uitsluitend tussen de lidstaten en de Unie wordt gesloten.
( 34 ) Advies 1/09 (EU:C:2011:123, punten 80‑82).
Full & Egal Universal Law Academy