CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. CRUZ VILLALÓN
van 24 februari 2015 ( 1 )
Zaak C‑506/13 P
Lito Maieftiko Gynaikologiko kai Cheirourgiko Kentro AE
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening — Beroep tot nietigverklaring — Handelingen waartegen beroep kan worden ingesteld — Trans-Europese netwerken — Overeenkomst over financiële bijstand van de Unie ten gunste van het project ‚Ward in Hand’, gesloten in het kader van een specifiek onderzoeksprogramma op het gebied van medische samenwerking — Niet-nakoming van de contractuele verplichtingen door een ontvanger van bijstand — Verplichting tot terugbetaling van de onverschuldigd ontvangen voorschotten — Debetnota — Niet voor beroep vatbare handeling — Handeling die onlosmakelijk verbonden is met de contractuele context ervan — Niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring — Vordering in reconventie van de Commissie — Veroordeling van de ontvanger tot terugbetaling van onverschuldigde bedragen — Vertragingsrente”
1.
In deze zaak wordt het Hof verzocht uitspraak te doen in de hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van de Europese Unie Lito Maieftiko Gynaikologiko kai Cheirourgiko Kentro/Commissie ( 2 ), waarin het Gerecht enerzijds het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk heeft verklaard, dat door Lito Maieftiko Gynaikologiko kai Cheirourgiko Kentro ( 3 ) was ingesteld tegen een debetnota van de Europese Commissie waarbij zij werd gelast bedragen terug te betalen waarvan de Commissie meende haar deze in het kader van een onderzoeksovereenkomst onverschuldigd te hebben betaald, en anderzijds de vordering in reconventie volledig heeft toegewezen die de Commissie daartegen had ingesteld voor de terugbetaling van de litigieuze bedragen, inclusief vertragingsrente.
2.
In casu was het Gerecht van oordeel dat de betrokken debetnota onlosmakelijk verbonden is met de contractuele context waarin zij was opgesteld en dat deze debetnota derhalve geen handeling is waartegen op grond van artikel 263 VWEU beroep kan worden ingesteld.
3.
Het Hof blijkt zich aldus in de eerste plaats te moeten uitspreken over een betrekkelijk constante lijn in de rechtspraak van het Gerecht, die het Hof nog niet eerder heeft kunnen onderzoeken, en die meebrengt dat tegen eenzijdige handelingen die door de instellingen in het kader van de uitvoering van met natuurlijke en rechtspersonen gesloten overeenkomsten zijn vastgesteld, zoals de betrokken debetnota, niet middels het in artikel 263 VWEU bedoelde beroep tot nietigverklaring kan worden opgekomen, maar middels het in artikel 272 VWEU bedoelde beroep op grond van een overeenkomst, daar deze handelingen onlosmakelijk verbonden zijn met hun contractuele context, ook al zouden zij uitvoerbaar zijn in de zin van artikel 299 VWEU. Het Hof dient derhalve te beoordelen, en dat is de principiële vraag die in het eerste middel van de hogere voorziening van Lito Maieftiko aan de orde wordt gesteld, of deze rechtspraak bevestigd, afgezwakt of gerelativeerd moet worden.
4.
Het gaat met andere woorden om het antwoord op de vraag of in het Unierecht de rechterlijke bescherming van natuurlijke of rechtspersonen die met instellingen, organen en instanties van de Europese Unie overeenkomsten sluiten, tegen de eenzijdige handelingen die door die laatsten in het kader van de uitvoering van deze overeenkomsten worden vastgesteld, valt onder de bevoegdheid van de rechter die gerechtigd is om uitspraak te doen in een beroep tot nietigverklaring en, zo ja, onder welke voorwaarden, dan wel of, integendeel, in het kader van het door het VWEU ingestelde systeem van rechtsmiddelen moet worden bevestigd dat er een strikte scheiding bestaat tussen het gebied van contractuele geschillen en het gebied van beroepen tot nietigverklaring, en er derhalve sprake is van hetgeen in bepaalde nationale rechtsordes een exceptie van parallel beroep wordt genoemd. ( 4 )
5.
Naargelang van antwoord van het Hof op deze principiële vraag zal het ook de negen andere middelen die Lito Maieftiko in haar hogere voorziening heeft aangevoerd moeten onderzoeken en de vraag of het Gerecht de vordering tot terugbetaling van de vermeend onverschuldigde betaalde bedragen, inclusief vertragingsrente, in casu terecht gegrond heeft mogen verklaren.
I – Voorgeschiedenis van het geding
6.
Uit de punten 1 tot en met 8 van het bestreden arrest en de door partijen ingediende schriftelijke opmerkingen blijkt dat Lito Maieftiko een kraamkliniek is die, als lid van een consortium in het kader van het eTEN-programma binnen de beleidsmaatregelen op het gebied van trans-Europese netwerken, met de Commissie op 12 mei 2004 overeenkomst C510743 heeft gesloten inzake het project „Ward in Hand” (WIH) ( 5 ), een specifiek onderzoeksprogramma op het gebied van de medische samenwerking.
7.
Artikel 19 van de algemene voorwaarden, die in Bijlage II bij deze overeenkomst ( 6 ) zijn opgenomen, preciseerde:
„1. Indien enig bedrag aan een deelnemer ongerechtvaardigd is betaald of een terugbetaling volgens de voorwaarden van de overeenkomst gerechtvaardigd is, verplicht de ontvanger zich om het betrokken bedrag aan de Commissie terug te betalen op de door haar aan te geven voorwaarden en datum.
2. Indien de ontvanger op de door de Commissie vastgestelde datum niet heeft betaald, zal over het bedrag rente verschuldigd zijn tegen het in artikel [3, lid 6, van de algemene voorwaarden] aangegeven tarief. De vertragingsrente wordt in rekening gebracht over de periode die ingaat op de dag na de voor de betaling vastgestelde datum en eindigt op de datum waarop het verschuldigde bedrag aan de Commissie volledig is terugbetaald.
Iedere gedeeltelijke betaling wordt eerst aan kosten en vertragingsrente toegerekend en daarna aan de hoofdsom.”
8.
In het kader van de uitvoering van dit project, dat op 1 mei 2004 is aangevangen en op 31 januari 2006 is geëindigd, heeft Lito Maieftiko van de Europese Unie in totaal een bedrag van 99349,50 EUR aan financiële bijstand ontvangen.
9.
Bij brief van 29 april 2009 heeft de Commissie Lito Maieftiko laten weten dat zij met betrekking tot haar deelname aan het project WIH financieel zou worden gecontroleerd en zij presentielijsten van de in dat kader ingezette personeelsleden moest overleggen met de arbeidsuren die waren verricht en waarvoor zij om vergoeding verzocht. Bij deze financiële controle die van 4 tot en met 6 augustus 2009 plaats vond, heeft Lito Maieftiko deze lijsten niet kunnen overleggen.
10.
Bij brief van 20 oktober heeft de Commissie Lito Maieftiko het ontwerpauditverslag toegezonden waarin stond dat voornoemde presentielijsten ontbraken en waarbij zij haar verzocht haar opmerkingen hierover in te dienen.
11.
Per e-mails van 13 en 16 november 2009 heeft Lito Maieftiko haar opmerkingen over het ontwerpauditverslag ingediend en de presentielijsten met betrekking tot de aan het project verrichte arbeid overgelegd.
12.
Bij brief van 23 december 2009 heeft de Commissie aan Lito Maieftiko het definitieve auditverslag toegezonden waarin zij de conclusies van het ontwerpauditverslag handhaafde.
13.
Voorafgaande aan een terugvorderingsprocedure heeft de Commissie aan Lito Maieftiko op 25 oktober 2010 een kennisgevingsbrief gestuurd, waarin stond dat een bedrag van 93778,90 EUR moest worden terugbetaald.
14.
Gelet op de opmerkingen van Lito Maieftiko heeft de Commissie bij brief van 24 mei 2011 het terug te betalen bedrag verlaagd tot 83001,09 EUR. Bij brief van 17 juni 2011 heeft Lito Maieftiko haar opmerkingen hierover ingediend.
15.
Op 16 september 2011 heeft de Commissie Lito Maieftiko een debetnota toegezonden, die was opgesteld op 9 september 2011 ( 7 ), met het verzoek om aan haar uiterlijk op 24 oktober 2011 het bedrag van 83001,09 EUR terug te betalen.
16.
Onder het opschrift „Betalingsvoorwaarden” vermeldde de litigieuze debetnota het volgende:
„Betalingsvoorwaarden:
1.
Alle bankkosten zijn voor uw rekening, tenzij richtlijn 2007/64/EG betreffende betalingsdiensten in de interne markt op u van toepassing is;
2.
De Commissie behoudt zich het recht voor om, na voorafgaand bericht, wederzijdse, zekere, vaststaande en invorderbare schuldvorderingen te verrekenen.
3.
Indien het bedrag zich op de vervaldag niet op de rekening van de Commissie bevindt, is over de door de Europese Unie vastgestelde schuldvordering rente verschuldigd tegen de door de Europese Centrale Bank voor haar belangrijkste herfinancieringstransacties toegepaste rentevoet, zoals bekendgemaakt in het [Publicatieblad van de Europese Unie], serie C, die geldt op de eerste kalenderdag van de maand van de vervaldag [oktober 2011, vermeerderd met 3,5 procentpunten].
4.
Indien het bedrag zich op de vervaldag niet op de rekening van de Commissie bevindt, kan de Commissie:
—
op eerste verzoek iedere financiële zekerheid aan spreken;
—
krachtens artikel [ 299 VWEU] overgaan tot iedere gedwongen tenuitvoerlegging;
—
de wanbetaling melden aan een voor de ordonnateurs van de begroting van de Europese Unie toegankelijke gegevensbank tot de betaling volledig is ontvangen;
—
de naam van de debiteur publiceren die bij rechterlijke beslissing veroordeeld is tot terugbetaling.”
17.
Bij brief van 3 november 2011 heeft de Commissie Lito Maieftiko herinnerd aan haar schuldvordering, waarbij zij vermeldde dat hierover een rente van 5 % per jaar verschuldigd was, hetgeen overeenkwam met 11,37 EUR per dag vertraging, zodat de vervallen rente op 18 november 2011 284,25 EUR bedroeg.
II – Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest
18.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 oktober 2011, heeft Lito Maieftiko beroep tot nietigverklaring van de litigieuze debetnota ingesteld.
19.
Bij afzonderlijk verzoek van diezelfde dag heeft Lito Maieftiko ook verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de litigieuze debetnota, welk verzoek bij beschikking Lito Maieftiko Gynaikologiko kai Cheirourgiko Kentro/Commissie is afgewezen. ( 8 )
20.
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht om te beginnen het beroep tot nietigverklaring van Lito Maieftiko niet-ontvankelijk verklaard (punten 19 tot en met 31 van het bestreden arrest), waarbij het in wezen, in de lijn van met name de in de voorafgaande zaak Lito Maieftiko Gynaikologiko kai Cheirourgiko Kentro/Commissie ( 9 ) gegeven beschikking, van oordeel was dat de litigieuze debetnota die is opgesteld binnen de context van de tussen haar en de Commissie gesloten overeenkomst, niet tot de handelingen behoort waarvan op grond van artikel 263 VWEU bij de Unierechter nietigverklaring kan worden gevorderd.
21.
Het Gerecht heeft vervolgens de door de Commissie op grond van artikel 272 VWEU ingestelde vordering in reconventie onderzocht die ertoe strekte Lito Maieftiko te veroordelen om aan haar het bedrag van 83944,80 EUR te betalen, zijnde 83001,09 EUR als hoofdsom en 943,71 EUR aan op 15 januari 2012 vervallen vertragingsrente.
22.
Na de ontvankelijkheid van deze vordering in reconventie en zijn eigen bevoegdheid om hiervan kennis te nemen (punten 35 tot en met 41) te hebben onderzocht, heeft het Gerecht deze vordering toegewezen (punten 42 tot en met 81). Bijgevolg heeft het Gerecht Lito Maieftiko veroordeeld tot betaling aan de Commissie van een bedrag van 83001,09 EUR als hoofdschuld, en van een bedrag van 11,37 EUR per dag aan vertragingsrente, te rekenen vanaf 25 oktober 2011 totdat het hoofdbedrag betaald is. Ook heeft het Gerecht Lito Maieftiko verwezen in alle kosten, de kosten van de kortgedingprocedure daaronder begrepen.
23.
De overwegingen van het bestreden arrest zullen, voor zover nodig, worden weergegeven in het kader van de behandeling van de verschillende middelen van de hogere voorziening.
III – Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen
24.
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 september 2013, heeft Lito Maieftiko de onderhavige hogere voorziening ingesteld.
25.
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 september 2013, heeft Lito Maieftiko op grond van de artikelen 278 VWEU en 279 VWEU een verzoek in kort geding ingediend tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest.
26.
Bij beschikking Lito Maieftiko Gynaikologiko kai Cheirourgiko Kentro/Commissie is het verzoek in kort geding afgewezen. ( 10 )
27.
Met haar hogere voorziening verzoekt Lito Maieftiko het Hof:
—
het bestreden arrest te vernietigen;
—
het geding ten gronde te beoordelen, zo niet de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor afdoening;
—
de vordering in reconventie van de Commissie in haar geheel af te wijzen;
—
de litigieuze debetnota nietig te verklaren, en
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
28.
De Commissie verzoekt het Hof:
—
de hogere voorziening af te wijzen;
—
de reconventionele vordering van de Commissie op alle onderdelen toe te wijzen;
—
het beroep tot nietigverklaring van de litigieuze debetnota te verwerpen, en
—
Lito Maieftiko te verwijzen in alle kosten van het hoofdgeding en in die van de kortgedingprocedure.
IV – Inleidende opmerkingen
29.
Deze hogere voorziening bevat een ingewikkeld aspect als gevolg van het feit dat het Gerecht in het bestreden arrest bij één enkele rechterlijke uitspraak enerzijds, als rechter die bevoegd is om uitspraak te doen in een beroep tot nietigverklaring, een krachtens artikel 263 VWEU ingesteld beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk heeft verklaard, en anderzijds, als rechter die bevoegd is om over de overeenkomst te oordelen, een door de Commissie op grond van artikel 272 VWEU ingestelde vordering in reconventie strekkende tot terugbetaling door Lito Maieftiko van volgens haar onverschuldigd betaalde bedragen, ontvankelijk heeft geacht en ten gronde heeft toegewezen.
30.
Het Gerecht heeft immers, zonder zich hierover expliciet uit te spreken en in afwijking van zijn eigen rechtspraak ( 11 ), het verzoek van Lito Maieftiko in haar repliek in de procedure in eerste aanleg om haar vordering tot nietigverklaring te herkwalificeren als een vordering uit overeenkomst, niet willen toewijzen. ( 12 )
31.
Het Gerecht heeft zich in casu bevoegd verklaard om kennis te nemen van de reconventionele vordering van de Commissie ( 13 ), voornamelijk op grond van het belang van de proceseconomie en de voorrang van de eerst aangezochte rechter ( 14 ), onder verwijzing dienaangaande naar de beschikking Commissie/IAMA Consulting ( 15 ).
32.
Deze nogal ongebruikelijke aanpak ( 16 ), waartegen Lito Maieftiko – vruchteloos – heeft getracht zich in haar memorie van repliek in de procedure voor het Gerecht te verzetten, wordt echter in het kader van deze hogere voorziening niet aangevochten.
33.
Bijgevolg zijn de door Lito Maieftiko in het kader van haar hogere voorziening aangevoerde middelen en argumenten zowel gericht tegen het gedeelte van het arrest waarin haar vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk wordt verklaard, als tegen het gedeelte van het arrest waarin de vordering in reconventie gegrond wordt verklaard. Weliswaar heeft haar eerste middel duidelijk en uitsluitend betrekking op het arrest, voor zover het Gerecht hierin haar vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk verklaart, maar dat neemt niet weg dat de andere middelen veel ambivalenter zijn. Hoewel zij voornamelijk strekken tot vernietiging van de beoordeling ten gronde door het Gerecht van de reconventionele vordering van de Commissie, laken bepaalde middelen in wezen de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering tot nietigverklaring en de gevolgen ervan, hetgeen de beoordeling van de onderhavige hogere voorziening moeilijker maakt.
34.
Gelet op deze aspecten zal ik alle middelen van de hogere voorziening onderzoeken, hoewel ik van mening ben dat, indien het Hof conform mijn verzoek zou vaststellen dat het eerste middel van de hogere voorziening van Lito Maieftiko moet worden toegewezen en het arrest van het Gerecht moet worden vernietigd, deze vernietiging het gehele arrest zou treffen zodat er logischerwijze geen reden meer zou zijn om uitspraak te doen over de andere middelen.
V – Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring
A – Kwalificatie van de litigieuze debetnota (eerste middel)
1. Samenvatting van het arrest van het Gerecht
35.
Het Gerecht heeft in de eerste plaats beklemtoond dat het Lito Maieftiko had verzocht een standpunt in te nemen over de vraag of er bijzondere omstandigheden waren die rechtvaardigden dat het Gerecht de ontvankelijkheid van haar beroep anders zou beoordelen dan in een eerder beroep in een zaak met een soortgelijke strekking, welk beroep niet-ontvankelijk was verklaard bij de beschikking Lito Maieftiko Gynaikologiko kai Cheirourgiko Kentro/Commissie. ( 17 )
36.
Onder verwijzing naar diezelfde beschikking heeft het Gerecht vervolgens herinnerd aan de formulering van zijn rechtspraak, volgens welke de rechterlijke instanties van de Unie krachtens artikel 263 VWEU de rechtmatigheid nagaan van door de instellingen vastgestelde handelingen die ten aanzien van derden rechtsgevolgen beogen te hebben doordat zij hun rechtssituatie aanmerkelijk wijzigen. ( 18 ) Ten eerste heeft het Gerecht erop gewezen dat deze bevoegdheid slechts geldt ten aanzien van de in artikel 288 VWEU bedoelde handelingen die de instellingen met gebruikmaking van hun bevoegdheden van openbaar gezag onder de in het VWEU gestelde voorwaarden verrichten. ( 19 ) Ten tweede heeft het Gerecht hieraan toegevoegd dat de door de instellingen vastgestelde handelingen die zijn verricht in een zuiver contractuele context waarmee zij onlosmakelijk zijn verbonden, naar hun aard niet behoren tot de in artikel 288 VWEU bedoelde handelingen waarvan nietigverklaring kan worden gevorderd krachtens artikel 263 VWEU. ( 20 )
37.
Het Gerecht heeft hieruit afgeleid dat een beroep op basis van artikel 263 VWEU bij hem dus slechts kan worden ingesteld indien de litigieuze debetnota beoogt bindende rechtsgevolgen teweeg te brengen die verder gaan dan die welke uit de overeenkomst voortvloeien en die de uitoefening impliceren van bevoegdheden van openbaar gezag die aan de Commissie handelend als bestuursorgaan zijn toegekend. ( 21 )
38.
Het Gerecht heeft in dit geval allereerst vastgesteld dat de overeenkomst tussen de Commissie en Lito Maieftiko de achtergrond vormt van de litigieuze debetnota, aangezien deze nota tot doel heeft een schuld in te vorderen die haar oorsprong in de bepalingen van de overeenkomst vindt. ( 22 )
39.
Vervolgens heeft het Gerecht geoordeeld dat, anders dan Lito Maieftiko aanvoerde, de litigieuze debetnota niet kon worden losgemaakt uit de contractuele context waarin deze was opgesteld, aangezien niets de zienswijze rechtvaardigt dat de Commissie gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden van openbaar gezag. ( 23 )
40.
Tenslotte was het Gerecht van oordeel dat de bepalingen in de litigieuze debetnota onder het opschrift „Betalingsvoorwaarden” niettegenstaande hun dubbelzinnige karakter, niet ertoe konden leiden dat de litigieuze debetnota als een „definitieve handeling” moest worden aangemerkt. ( 24 )
2. Argumenten van partijen
41.
Volgens Lito Maieftiko heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 28 tot en met 31 van het bestreden arrest te oordelen dat de litigieuze debetnota niet uitvoerbaar was en dat daartegen derhalve geen beroep tot nietigverklaring uit hoofde van artikel 263 VWEU kon worden ingesteld. Zij meent dat deze debetnota juist het uitvoeringsbesluit is ten aanzien waarvan de Commissie zich krachtens de bewoordingen van artikel 19, lid 5, van de algemene voorwaarden het recht heeft voorbehouden om die vast te stellen.
42.
De uitvoerbaarheid van deze debetnota wordt haars inziens bevestigd door het feit dat hierin ten eerste eenzijdig een vervaldatum voor betaling van het gevorderde bedrag wordt vastgesteld, vanaf welke datum vertragingsrente verschuldigd is, en ten tweede uitdrukkelijk wordt verwezen naar de bevoegdheid voor de Commissie om gebruik te maken van de in artikel 299 VWEU bedoelde procedure.
43.
De Commissie voert om te beginnen aan dat dit eerste middel niet-ontvankelijk verklaard moet worden, aangezien hiermee wordt beoogd het in eerste aanleg gewezen oordeel opnieuw te onderzoeken. Volgens haar is het middel hoe dan ook ongegrond, aangezien het Gerecht terecht en overeenkomstig vaste rechtspraak ( 25 ) heeft geoordeeld, dat de litigieuze debetnota geen uitvoerbare handeling is, maar een voorbereidende informatieve handeling die in het kader van een zuiver contractueel geschil is vastgesteld. De Commissie voegt hieraan toe dat in de litigieuze debetnota geen bevoegdheden van openbaar gezag naar voren komen en derhalve niet kan worden geacht buiten de contractuele context te vallen waarin zij is opgesteld. ( 26 )
44.
De Commissie stelt overigens nadrukkelijk dat de omstandigheid dat in de litigieuze debetnota de betalingsvoorwaarden worden omschreven en de vertragingsrente wordt vastgesteld, geen afbreuk kan doen aan de kwalificatie van deze nota als een „niet-uitvoerbare handeling”.
3. Beoordeling
a) Ontvankelijkheid van het middel
45.
Om te beginnen kan, anders dan de Commissie aanvoert, het eerste middel van Lito Maieftiko niet niet-ontvankelijk worden verklaard. De Commissie is namelijk in wezen van mening dat Lito Maieftiko er in feite naar streeft dat het oordeel van het Gerecht opnieuw wordt onderzocht. Lito Maieftiko verzoekt het Hof evenwel vast te stellen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door van oordeel te zijn dat de litigieuze debetnota niet behoort tot de handelingen waarvan krachtens artikel 263 VWEU bij de Unierechter om nietigverklaring kan worden verzocht. Deze beoordeling valt onder de juridische kwalificatie van de feiten, die door het Hof in het kader van de hogere voorziening mag worden getoetst. ( 27 )
b) Gegrondheid van het middel
46.
Het Gerecht heeft – ik herhaal – in het eerste deel van het bestreden arrest het beroep tot nietigverklaring van Lito Maieftiko niet-ontvankelijk verklaard op grond dat de litigieuze debetnota niet behoorde tot de handelingen waarvan krachtens artikel 263 VWEU bij de Unierechter om nietigverklaring kan worden verzocht. ( 28 )
47.
Ik wijs er direct op dat deze slotsom mijns inziens op een onjuiste rechtsopvatting berust.
48.
Het bestreden arrest ligt in de lijn van rechtspraak van het Gerecht die reeds lang geleden is ingezet ( 29 ) en sindsdien regelmatig is toegepast ( 30 ), soms weliswaar met een andere motivering ( 31 ), op beroepen tot nietigverklaring die zijn gericht tegen handelingen, vastgesteld door de instellingen, organen en instanties van de Unie in een contractuele context, zoals die welke in casu aan de orde is, en in het bijzonder tegen debetnota’s die door de Commissie zijn opgesteld voor de terugbetaling van aan medecontractanten in het kader van steun‑ of financieringsprogramma’s onverschuldigd betaalde bedragen. ( 32 ) In al deze uitspraken ( 33 ) is het Gerecht op een zeer algemene wijze van oordeel dat de betrokken debetnota’s onlosmakelijk verbonden zijn met de contractuele context waarin zij zijn vastgesteld en dat hiertegen dan ook geen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld.
49.
Het Hof is echter nog niet eerder in de gelegenheid geweest om deze rechtspraak en de voornaamste overwegingen ervan te onderzoeken, hetgeen ruimschoots rechtvaardigt dat het Hof deze rechtspraak grondig behandelt en zich meer in het bijzonder uitspreekt over de redenering en de criteria op grond waarvan het Gerecht tot het oordeel is gekomen dat de handelingen met de kenmerken en de inhoud van de litigieuze debetnota niet vatbaar zijn voor een beroep op grond van artikel 263 VWEU.
50.
In de litigieuze debetnota eiste de Commissie van Lito Maieftiko dat zij de bedragen terugbetaalt, die volgens haar in het kader van het project WIH onverschuldigd waren betaald en stelde zij een termijn vast met ingang waarvan over deze bedragen rente verschuldigd was. De nota werd overigens als uitvoerbaar voorgesteld, voor zover daarin werd gedreigd met gedwongen tenuitvoerlegging jegens Lito Maieftiko overeenkomstig artikel 299 VWEU. ( 34 ) Juist deze aspecten zijn door Lito Maieftiko aangevoerd om aan te tonen dat de litigieuze debetnota een handeling is waartegen kan worden opgekomen.
51.
Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het beroep tot nietigverklaring open dient te staan met betrekking tot alle door de instellingen getroffen bepalingen – ongeacht hun aard of vorm – die beogen rechtsgevolgen teweeg te brengen ( 35 ) en meer in het bijzonder, bindende rechtsgevolgen die de belangen van de verzoeker kunnen aantasten, doordat zij diens positie aanmerkelijk wijzigen. ( 36 )
52.
Om vast te stellen of een handeling onder artikel 263 VWEU valt, moet derhalve worden gekeken naar het wezen ervan, dus als het ware naar de mogelijke werking ervan. Daarentegen zijn de aard, de vorm, de grondslag waarop, de voorwaarden waaronder en de context waarin een handeling is vastgesteld, in principe niet relevant voor de kwalificatie ervan als handeling waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld. ( 37 )
53.
Deze vaste aanpak van het Hof is ingegeven, en het is van belang dit te benadrukken, door de noodzaak om de effectieve rechterlijke bescherming van de justitiabelen tegen de door de instellingen vastgestelde handelingen te waarborgen ( 38 ), aangezien de rechterlijke toetsing van die handelingen de grondslag is van de idee van een rechtsunie. ( 39 )
54.
Bij zijn beoordeling dat de litigieuze debetnota geen handeling is waartegen kan worden opgekomen heeft het Gerecht echter niet in overweging genomen hetgeen deze handeling in wezen inhoudt, dus de gevolgen die zij beoogde teweeg te brengen, maar alleen het voorwerp ervan ( 40 ), de context waarin de nota was opgesteld en de inhoud van de contractuele bepaling ter uitvoering waarvan dan wel op grondslag waarop de nota was vastgesteld. ( 41 )
55.
Het Gerecht heeft namelijk eerst uiteengezet ( 42 ) dat de bevoegdheid van de Unierechter tot toetsing van de rechtmatigheid van de handelingen van instellingen, organen en instanties van de Unie slechts geldt „ten aanzien van de in artikel 288 VWEU bedoelde handelingen”, een precisering die formeel in strijd is met de rechtspraak van het Hof ( 43 ), en voor zover die handelingen „onder de in het VWEU gestelde voorwaarden” zijn vastgesteld „met gebruikmaking van hun bevoegdheden van openbaar gezag”, preciseringen die niet voorkomen in de rechtspraak van het Hof.
56.
Vervolgens heeft het Gerecht hieraan toegevoegd ( 44 ) dat de door de instellingen vastgestelde handelingen die zijn verricht in een zuiver contractuele context waarmee zij onlosmakelijk zijn verbonden, „naar hun aard niet [behoorden] tot de in artikel 288 VWEU bedoelde handelingen waarvan nietigverklaring kan worden gevorderd krachtens artikel 263 VWEU”.
57.
Ook dit is een stelling die in tegenspraak is met de rechtspraak van het Hof ( 45 ), dat herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het niet gaat om de aard van de bestreden handeling, maar om hetgeen de handeling in wezen inhoudt en de gevolgen die zij ten aanzien van derden beoogt teweeg te brengen.
58.
Ik wil met name opmerken dat deze stelling, die als premisse van de redenering van het Gerecht is gebruikt, tevens diens conclusie is en dat het Gerecht niet aangeeft in hoeverre de litigieuze debetnota onlosmakelijk verbonden is met de contactuele context ervan noch, a fortiori, wat de criteria daarvoor zijn.
59.
De combinatie van deze twee aspecten leidt er uiteindelijk toe dat het Gerecht in punt 24 van het bestreden arrest een „nieuwe definitie” geeft van het begrip „handeling waartegen kan worden opgekomen”.
60.
Het Gerecht zet namelijk uiteen dat het beroep tot nietigverklaring tegen een handeling als de litigieuze debetnota slechts ontvankelijk kan worden verklaard voor zover deze bindende rechtsgevolgen beoogt teweeg te brengen die verder gaan dan die welke uit de overeenkomst voortvloeien en de uitoefening impliceren van bevoegdheden van openbaar gezag die aan de Commissie handelend als bestuursorgaan zijn toegekend.
61.
Volgens het Gerecht is dat in casu om drie redenen niet het geval. Ten eerste zijn de litigieuze bedragen „op grond van de overeenkomst” betaald. Ten tweede is het verzoek tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen in overeenstemming met een recht waarin artikel 19, lid 1, van de algemene voorwaarden voorziet. Ten derde, ten slotte, werd volgens de bewoordingen van de litigieuze debetnota hierin verzocht om terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen „overeenkomstig artikel 19 van de algemene voorwaarden”. Op grond hiervan is het Gerecht tot de conclusie gekomen dat de litigieuze debetnota ertoe strekte rechten te doen gelden die de Commissie ontleende aan de bepalingen van de overeenkomst en niet beoogde rechtsgevolgen teweeg te brengen die hun oorsprong vinden in de uitoefening door de Commissie van bevoegdheden van openbaar gezag waarover zij krachtens het Unierecht beschikt.
62.
Op de omstandigheid dat de litigieuze debetnota uitvoerbaar was omdat artikel 299 VWEU daarin werd genoemd, wordt door het Gerecht, in punt 29 van het bestreden arrest, slechts gezinspeeld. Het Gerecht beklemtoont enkel dat de bepalingen in de litigieuze debetnota onder het opschrift „Betalingsvoorwaarden” niettegenstaande hun dubbelzinnige karakter, niet ertoe kunnen leiden dat de litigieuze debetnota als een „definitieve handeling” moet worden aangemerkt.
63.
Deze precisering, die even onopvallend als stellig naar het arrest IBM ( 46 ) verwijst, volgens hetwelk voorbereidende handelingen niet voor beroep vatbaar zijn, is echter moeilijk te begrijpen, aangezien er geen verband bestaat met de voorafgaande overwegingen.
64.
Het belangrijkste is evenwel dat het Gerecht in feite heeft geweigerd te onderzoeken of de litigieuze debetnota naar haar wezenlijke inhoud in de aangegeven zin en gelet in het bijzonder op de dreiging met gedwongen tenuitvoerlegging, geen autonome rechtsgevolgen teweeg kon brengen en daardoor alleen al los kon worden gemaakt uit de contractuele context ervan en derhalve vatbaar was voor beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU.
65.
Het Gerecht was dan ook van oordeel dat tegen de litigieuze debetnota niet kon worden opgekomen, aangezien deze onlosmakelijk verbonden was met de contractuele context ervan, terwijl het Gerecht gelet op de wezenlijke inhoud ervan en meer in het bijzonder de omstandigheid dat zij als uitvoerbaar werd voorgesteld, van oordeel had moeten zijn dat de nota wel kon worden losgemaakt uit de contractuele context ervan en dat daartegen dus kon worden opgekomen.
66.
Door aan Lito Maieftiko een debetnota te sturen die als uitvoerbaar werd voorgesteld, heeft de Commissie zich namelijk niet als een medecontractant gedragen, maar als een bestuursinstantie die gebruik maakt van haar bevoegdheden van openbaar gezag om de betaling van de door haar terug te vorderen bedragen te verkrijgen.
67.
De omstandigheid dat de vaststelling van die uitvoerbare beslissing specifiek is opgenomen in artikel 19, lid 5, van de algemene voorwaarden kan geen afbreuk doen aan de conclusie dat de litigieuze debetnota moet worden aangemerkt als een handeling waartegen kan worden opgekomen. Tenzij de Commissie kan worden geacht rechter en partij te zijn bij de uitvoering van de betrokken overeenkomst, vereist de rechterlijke bescherming van haar medecontractant namelijk dat tegenover het aldus aan de Commissie toegekende „voorrecht” een recht op beroep tot nietigverklaring staat.
68.
Ik meen derhalve dat het Gerecht met zijn conclusie dat de litigieuze debetnota geen rechtsgevolgen teweeg bracht, is afgeweken van de vaste rechtspraak van het Hof en blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het eerste middel van Lito Maieftiko is dus gegrond en het bestreden arrest moet om die reden worden vernietigd.
B – De gevolgen van de vernietiging van het arrest van het Gerecht
69.
Krachtens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van gegrondheid van de hogere voorziening de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht.
70.
Aangezien het Gerecht het door Lito Maieftiko ingestelde beroep tot nietigverklaring van de litigieuze debetnota niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft het noch de middelen noch de argumenten ten gronde onderzocht die door haar ter ondersteuning van haar beroep waren aangevoerd, zodat de zaak moet worden terugverwezen naar het Gerecht om hierover te beslissen.
71.
Zoals ik hierboven reeds heb opgemerkt ( 47 ), impliceert mijn conclusie dat het gehele bestreden arrest wordt vernietigd, en dus ook voor zover het Gerecht als rechter die bevoegd is om over de overeenkomst te oordelen, de reconventionele vordering van de Commissie ontvankelijk heeft geacht en gegrond heeft verklaard.
72.
Gelet hierop zou het niet nodig zijn om uitspraak te doen over de andere middelen van de hogere voorziening waarbij in het algemeen wordt opgekomen tegen het oordeel van het Gerecht dat de reconventionele vordering van de Commissie gegrond is.
73.
Mijns inziens is het echter van belang, gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak en voor het geval het Hof zou beslissen mijn primaire conclusie niet te volgen, het Hof een volledig beeld over deze zaak – en dus een analyse van de negen andere door Lito Maieftiko aangevoerde middelen – te verschaffen. ( 48 )
VI – Beoordeling van de gegrondheid van de vordering in reconventie
74.
Met haar tweede, vijfde en zevende middel, bestrijdt Lito Maieftiko voornamelijk de beoordeling van het Gerecht van de bewijsmiddelen die zij had aangevoerd ter ondersteuning van haar vorderingen die ertoe strekten dat de reconventionele vordering van de Commissie ongegrond zou worden verklaard. Het Gerecht heeft, meer in het bijzonder, het begrip „onverschuldigd betaald bedrag” onjuist toegepast (tweede middel). Voorts heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de aard van de presentielijsten (vijfde middel) en de aard van de methoden voor de kostenevaluatie („cost models”) (zevende middel).
75.
Met haar derde en zesde middel laakt Lito Maieftiko in wezen een schending door het Gerecht van de beginselen van het recht op een eerlijk proces, aangezien het Gerecht geen rekening heeft gehouden met bepaalde door haar aangevoerde argumenten, en de beginselen van de eerbiediging van de rechten van verweer en van „equality of arms” heeft geschonden.
76.
Met haar achtste middel voert Lito Maieftiko aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot misbruik van bevoegdheid waaraan de Commissie zich schuldig zou hebben gemaakt.
77.
Met haar negende middel laakt zij de afwijzing door het Gerecht van haar middel aangaande de ontoereikende motivering van de litigieuze debetnota.
78.
Haar tiende middel betreft ten slotte een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de beoordeling van haar middel ontleend aan schending van het beginsel van bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen.
79.
De Commissie is van mening dat alle middelen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, aangezien Lito Maieftiko in algemene zin tracht de zaak ten gronde opnieuw te laten onderzoeken en zij alleen maar de bij het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten opnieuw naar voren brengt, zonder specifiek aan te geven welke rechtsregels het Gerecht zou hebben geschonden, en zonder zelfs maar te vermelden welke overwegingen van het bestreden arrest zij precies laakt. Niettemin analyseert zij de verschillende middelen met betrekking tot de vordering ten gronde ( 49 ) en komt tot de conclusie dat zij moeten worden afgewezen, aangezien zij hoe dan ook ongegrond zijn.
A – Onjuiste boordeling door het Gerecht van de bewijsmiddelen voor de ongegrondheid van de vordering in reconventie (tweede, vijfde en zevende middel)
1. Tweede middel: verkeerde opvatting van het begrip „onverschuldigd betaald bedrag”.
80.
In het kader van haar tweede middel voert Lito Maieftiko aan dat het Gerecht het begrip „onverschuldigd betaald bedrag” in de zin van artikel 1376 van het Belgisch burgerlijk wetboek verkeerd heeft opgevat door in de punten 26 en 47 tot en met 69 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie haar het bedrag van 83001,09 EUR onverschuldigd had betaald. Zij meent enerzijds dat volgens die bepaling op de datum van ontvangst van dit bedrag vastgesteld had moeten worden dat dit bedrag onverschuldigd was. Anderzijds is volgens haar alleen aan de voorwaarden van die bepaling voldaan, indien een betaling opzettelijk of bij vergissing is verricht.
81.
Volgens haar is niet bewezen dat de presentielijsten niet waren opgesteld in de periode waarin het project werd uitgevoerd, welke periode voor de beoordeling of de litigieuze betaling onverschuldigd was, de enige relevante periode was.
82.
De door Lito Maieftiko aldus aangevoerde argumenten kunnen niet slagen.
83.
Het Gerecht heeft namelijk om te beginnen geoordeeld dat Lito Maieftiko er niet in was geslaagd om de conclusies in het definitieve auditrapport in twijfel te trekken op basis waarvan de Commissie heeft gemeend dat de uitgaven van het personeel die waren geboekt voor het project WIH, niet voor vergoeding in aanmerking kwamen in de zin van de artikelen 13, lid 1, en 14, lid 1, onder a), van de algemene voorwaarden. ( 50 ) In dit rapport is vastgesteld dat Lito Maieftiko niet had voldaan aan de krachtens artikel 14, lid 1, onder a), van de algemene voorwaarden op haar rustende verplichtingen om minstens een keer per maand alle uit hoofde van de overeenkomst geboekte arbeidstijd te registreren en te certificeren.
84.
De desbetreffende uitgaven zijn derhalve door de Commissie niet aanvaard en van vergoeding uitgesloten.
85.
Overigens blijkt uit punt 56 van het bestreden arrest dat het Gerecht niettemin de door Lito Maieftiko na de financiële controle op 13 november 2009 overgelegde presentielijsten heeft onderzocht en tot de conclusie is gekomen dat deze lijsten niet konden worden gebruikt als bewijs voor de aan het project WIH bestede arbeidstijd, aangezien zij niet waren gedateerd en gecertificeerd door een van de in artikel 14, lid 1, onder a), van de algemene voorwaarden bedoelde personen.
86.
Daarmee heeft het Gerecht de feiten en het door Lito Maieftiko overgelegde bewijs om aan te tonen dat de Commissie ten onrechte de bedragen waarvan terugvordering werd verlangd, van vergoeding heeft uitgesloten, soeverein beoordeeld.
87.
Lito Maieftiko heeft geen enkel gegeven aangevoerd waarmee kan worden aangetoond dat het Gerecht hiermee dit bewijs onjuist heeft opgevat.
88.
Bijgevolg moet het tweede middel van Lito Maieftiko overeenkomstig artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, lid 1 van het Statuut van het Hof en volgens vaste rechtspraak van het Hof ( 51 ), niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Vijfde middel: onjuiste beoordeling van de aard van de presentielijsten
89.
Met haar vijfde middel voert Lito Maieftiko aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn beoordeling van de aard van de presentielijsten en de omvang van de op haar rustende periodieke rapporteringsverplichtingen. Zij stelt dat met deze periodieke verslagen die voor elke werknemer alle tijdseenheden van arbeid voor het gesubsidieerde programma moeten bevatten, ten eerste, kan worden geregistreerd welke arbeid is verricht en, ten tweede, een objectieve meetbare beoordelingsgrondslag kan worden gevormd om de kosten te kunnen rechtvaardigen. Volgens haar kan dan ook in wezen het gebrekkig bijhouden van de periodieke verslagen, gelet op het doel ervan, niet gelijk worden gesteld met het in het geheel niet verstrekken van arbeid, omdat dit kennelijk onevenredig zou zijn. Zij voegt hieraan toe dat het begrip „periodiek verslag” noch in de wetgeving noch in de rechtspraak wordt gedefinieerd, zodat de specifieke inhoud ervan in concreto, gelet op de omstandigheden van het geval, moet worden bepaald.
90.
Om te beginnen moet worden beklemtoond dat Lito Maieftiko in wezen dezelfde argumenten aanvoert als in eerste aanleg, zoals met name blijkt uit punt 43 van het bestreden arrest.
91.
In elk geval heeft het Gerecht in punt 59 van het bestreden arrest vastgesteld dat de betrokken periodieke verslagen slechts een driemaandelijks overzicht bevatten van alle uren die door Lito Maieftiko waren geboekt voor elk onderdeel van het project en niet een maandelijkse uitsplitsing per werknemer van de aan het project bestede uren. Bijgevolg was het Gerecht van oordeel dat die verslagen niet in overeenstemming waren met de formele eisen van artikel 14, lid 1, onder a), derde alinea, van de algemene voorwaarden en dat zij inhoudelijk hoe dan ook niet in de plaats konden komen van de presentielijsten.
92.
Daarmee heeft het Gerecht de feiten en de door Lito Maieftiko aangevoerde bewijsmiddelen om aan te tonen dat de Commissie de bedragen waarvan de terugvordering werd verlangd, ten onrechte van vergoeding heeft uitgesloten, soeverein beoordeeld.
93.
Aangezien Lito Maieftiko geen enkel gegeven heeft aangevoerd waarmee kan worden aangetoond dat het Gerecht dit bewijs onjuist heeft opgevat, moet haar vijfde middel dan ook eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard overeenkomstig artikel 256, lid 1, VWEU en 58, lid 1, van het Statuut van het Hof.
3. Zevende middel: onjuiste beoordeling van de aard van de methoden voor de kostenevaluatie
94.
Met haar zevende middel voert Lito Maieftiko aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn beoordeling van de aard van de methoden voor de kostenevaluatie („cost models”).
95.
Dit middel moet kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
96.
Lito Maieftiko preciseert immers niet welk punt van de overwegingen van het bestreden arrest zij bekritiseert. Evenmin legt Lito Maieftiko uit in welk opzicht het Gerecht dienaangaande blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
97.
Deze tekortkomingen vinden evenwel hun verklaring in het feit dat het Gerecht bij zijn beoordeling van de reconventionele vordering van de Commissie hierover geen uitspraak heeft gedaan.
98.
Uit punt 42 van het bestreden arrest blijkt namelijk dat de reconventionele vordering van de Commissie was gebaseerd, ten eerste, op de niet-naleving door Lito Maieftiko van haar „verplichting, zoals vervat in artikel 14, lid 1, onder a), van de algemene voorwaarden, om presentielijsten bij te houden en de door haar personeel aan het project bestede arbeidsuren te registreren” en, ten tweede, op het feit dat zij zich „ten onrechte had gebaseerd op de ‚methode voor de integrale kostprijs’ voor de berekening van de aan het project WIH indirect toegerekende kosten”.
99.
Uit het bestreden arrest (punten 47 tot en met 64) blijkt echter dat het Gerecht de reconventionele vordering gegrond heeft geacht na te hebben vastgesteld dat de Commissie terecht tot de slotsom was gekomen dat de uitgaven voor personeel die door Lito Maieftiko aan het project waren toegerekend, geen kosten waren die voor vergoeding in aanmerking kwamen in de zin van artikel 13, lid 1, van de algemene voorwaarden. Het Gerecht heeft de tweede grond van de Commissie echter niet onderzocht.
100.
Het zevende middel van Lito Maieftiko kan hoe dan ook niet slagen en moet derhalve worden afgewezen.
B – Onjuiste beoordeling door het Gerecht bij het onderzoek naar misbruik van bevoegdheid door de Commissie (achtste middel)
101.
In het kader van haar achtste middel betoogt Lito Maieftiko in wezen dat de handelswijze van de Commissie getuigt van misbruik, voor zover zij de terugbetaling van de litigieuze bedragen heeft geëist alleen omdat zij niet binnen de gestelde termijnen de vereiste presentielijsten had verstrekt, ook al hadden haar werknemers aan het project WIH deelgenomen. Het verstrekken van deze lijsten kan niet worden gelijkgesteld met een uit de overeenkomst voortvloeiende wezenlijke verplichting, aangezien het doel hiervan de levering was van hetgeen voor het project geleverd moest worden, wat wel was gebeurd en wat blijk gaf van de daadwerkelijke betrokkenheid van het personeel van Lito Maieftiko bij het project. De Commissie heeft dan ook ten onrechte het niet-verstrekken van deze presentielijsten gelijkgesteld met het niet-leveren van hetgeen geleverd moest worden. Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het argument van Lito Maieftiko inzake misbruik van bevoegdheid af te wijzen.
102.
Volgens de Commissie is bij overeenkomsten die betrekking hebben op programma’s waarvoor financiële bijstand wordt toegekend, de ontvanger rechtens verplicht om zijn kosten te registreren en te declareren. De verplichting voor de ontvanger om de toelaatbaarheid van zijn kosten te rechtvaardigen staat dus geheel los van de verplichting om het project uit te voeren of op te leveren.
103.
De Commissie voegt hieraan toe dat zij nooit de goede uitvoering van het project WIH in twijfel heeft getrokken, maar alleen gevolgen heeft verbonden aan de schending van de contractuele verplichtingen door Lito Maieftiko, die er niet in is geslaagd om overtuigend aan te tonen welke arbeidstijd door haar personeel daadwerkelijk aan het project WIH is besteed.
104.
Gesteld al dat dit achtste middel in het kader van een contractueel geding zou kunnen slagen ( 52 ), dan moet het mijns inziens kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard. Lito Maieftiko voert immers enkel misbruik van bevoegdheid aan, zonder precies aan te geven waarin dat misbruik zou bestaan en zij verstrekt evenmin enige aanwijzing voor het feit dat de Commissie uitsluitend, of althans overwegend, zou hebben gehandeld om andere dan de aangegeven doelen te bereiken, dan wel te ontkomen aan de toepassing van een procedure die het Verdrag speciaal heeft voorzien om aan de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden. ( 53 )
C – Schending door het Gerecht van de beginselen van het recht op een eerlijk proces (derde en zesde middel)
1. Argumentatie van partijen
105.
Met haar derde middel betoogt Lito Maieftiko dat het Gerecht, door in de punten 73 tot en met 77 van het bestreden arrest van oordeel te zijn dat de Commissie van haar de terugbetaling mocht eisen van het bedrag van 83001,09 EUR, vermeerderd met vertragingsrente op basis van 5 % met ingang van 25 oktober 2011, geen rekening heeft gehouden met haar argumenten, en aldus haar recht op een eerlijk proces heeft geschonden, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en door de algemene beginselen van het Unierecht.
106.
In antwoord op de door het Gerecht met het oog op de terechtzitting gestelde vragen heeft Lito Maieftiko haars inziens namelijk aangevoerd dat het niet mogelijk was om de door haar verschuldigde vertragingsrente rechtsgeldig te laten ingaan op de datum waarin deze debetnota voorzag, te weten 25 oktober 2011, aangezien de litigieuze debetnota werd gepresenteerd en opgevat als een voorbereidende handeling, dat wil zeggen als een contractueel document van informatieve aard dat geen wijziging in haar rechtssituatie kon brengen. Dit argument was door het Gerecht echter niet onderzocht, aangezien dit niet heeft getoetst of de wijziging van haar rechtssituatie als gevolg van de enkele toezending van de debetnota, rechtmatig was.
107.
In het kader van haar zesde middel betoogt Lito Maieftiko dat het Gerecht haar recht op een eerlijk proces heeft geschonden, en meer in het bijzonder haar rechten van verweer en het beginsel van „equality of arms”, door te oordelen, in punt 56 van het bestreden arrest, dat de door haar overgelegde presentielijsten niet aan de voorwaarden van de overeenkomst voldeden en als bewijs voor de aan het project WIH verrichte arbeidsuren niet toelaatbaar waren en, in punt 63 van het bestreden arrest, dat de door haar overgelegde briefwisseling niet kon aantonen welke arbeidstijd door haar personeel daadwerkelijk aan dit project was besteed. Daarmee heeft het Gerecht, met kennelijke schending van het beginsel van het beginsel van „equality of arms”, haar ieder bewijsmiddel ontzegd.
108.
Zij voegt hieraan toe dat de door haar met de Commissie gesloten overeenkomst onrechtmatig is, voor zover deze op onevenredige wijze de mogelijkheden beperkt om de daadwerkelijke deelname van haar personeel aan het project WIH te kunnen vaststellen.
109.
Voorts voert zij aan dat de Commissie in een situatie als de onderhavige, waarin zij eenzijdig door middel van een financiële controle bepaalt dat contractuele verplichtingen niet zijn nagekomen en vervolgens een vordering in reconventie instelt om de onverschuldigd ontvangen bedragen terug te verkrijgen, zich in de positie van zowel rechter als partij bevindt en over een voordeel beschikt dat het beginsel van „equality of arms” schendt.
110.
De Commissie meent dat het derde door Lito Maieftiko aangevoerde middel geheel ongegrond is. Het Gerecht heeft in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang partijen een specifieke vraag gesteld over het in de vordering in reconventie gevorderde rentepercentage, waarbij Lito Maieftiko de gelegenheid kreeg om zich daarover uit te spreken. Voorts houdt de niet tijdige betaling en de berekening van vertragingsrente niet noodzakelijkerwijs verband met het feit dat de debetnota uitvoerbaar was.
111.
Volgens de Commissie moet ook het zesde middel ongegrond worden verklaard. Lito Maieftiko was immers al van meet af aan op de hoogte van alle bepalingen van de overeenkomst, en met name die betreffende de financiële voorwaarden. Dat zij verschillende bepalingen van de overeenkomst niet was nagekomen, kan deze voorwaarden niet onrechtmatig en onevenredig maken.
2. Beoordeling
a) Derde middel
112.
Uit het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht in casu heeft geoordeeld dat de Commissie recht heeft op betaling van vertragingsrente vanaf 25 oktober 2011 ( 54 ), nadat door hem was vastgesteld dat, indien de verschuldigde bedragen op de door de Commissie vastgestelde datum niet waren terugbetaald, hierover volgens artikel 19, lid 2, van de algemene voorwaarden rente verschuldigd was tegen het percentage als voorzien in artikel 3, lid 6, van deze voorwaarden. ( 55 )
113.
Het Gerecht heeft daarmee eenvoudigweg uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 19, lid 2 juncto artikel 3, lid 6, van de algemene voorwaarden, en aldus de consequenties getrokken uit zijn beoordeling dat het geschil tussen partijen van contractuele aard was en dat de vordering tot terugbetaling van de Commissie gegrond was.
114.
Dat het Gerecht niet formeel een standpunt heeft ingenomen over de argumenten van Lito Maieftiko, kan in die omstandigheden niet worden beschouwd als een schending van haar recht op een eerlijk proces.
115.
Lito Maieftiko verwijt het Gerecht namelijk in het kader van haar derde middel geen rekening te hebben gehouden met haar argument dat het niet mogelijk was dat de litigieuze debetnota vaststelde vanaf welke datum vertragingsrente verschuldigd werd, waardoor haar rechtssituatie in die zin wordt gewijzigd, en dat die nota tegelijkertijd door de Commissie werd voorgesteld als een louter voorbereidende handeling. Zij voert aldus aan dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met het volgens haar te leggen verband tussen de aanvechtbaarheid van de debetnota en de vaststelling van de vertragingsrente. Zij heeft daarentegen op geen enkel tijdstip, noch in haar oorspronkelijk verzoekschrift, noch in haar repliek, noch in haar antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht, formeel de geldigheid van de in casu toegepaste contractuele bepalingen in twijfel getrokken.
116.
Gelet hierop dient het derde door Lito Maieftiko aangevoerde middel ongegrond te worden verklaard.
b) Zesde middel
117.
In casu moet het zesde middel van Lito Maieftiko eveneens kennelijk ongegrond worden verklaard.
118.
Uit het bestreden arrest blijkt namelijk dat het Gerecht niet alleen de door Lito Maieftiko op 13 november 2009 overgelegde presentielijsten ( 56 ) en de door haar aan de Commissie toegezonden periodieke verslagen ( 57 ) heeft onderzocht, maar ook de e‑mailcorrespondentie van 3656 bladzijden die zij had overgelegd als bewijs voor een deel van de door haar personeel aan het project bestede tijd. ( 58 ) Op grond daarvan heeft het Gerecht vastgesteld dat deze verschillende factoren niet konden afdoen aan de conclusies in het definitieve auditrapport.
119.
Bijgevolg heeft het Gerecht Lito Maieftiko geenszins elke bewijsmogelijkheid ontzegd, maar integendeel consciëntieus de door haar aangevoerde argumenten en het dienaangaande verstrekte bewijs onderzocht.
120.
Daarbij moet worden vermeld dat Lito Maieftiko in feite de beoordeling door het Gerecht van deze bewijselementen betwist. Zoals reeds in herinnering is gebracht, levert de beoordeling van de feiten en de bewijselementen, behoudens het geval van een onjuiste opvatting hiervan, geen rechtsvraag op die als zodanig door het Hof in het kader van de hogere voorziening mag worden getoetst.
121.
Lito Maieftiko kan het Gerecht ten slotte niet verwijten dat het bij de beoordeling van de reconventionele vordering van de Commissie niet heeft vastgesteld dat een overeenkomst, waarvan zij overigens niet de geldigheid heeft betwist, onrechtmatig is.
D – Fout bij de beoordeling of de debetnota ontoereikend was gemotiveerd (negende middel)
122.
Met haar negende middel voert Lito Maieftiko aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het het door haar in eerste aanleg aangevoerde argument dat de litigieuze debetnota ontoereikend was gemotiveerd, heeft afgewezen. Zij preciseert hierbij dat de litigieuze debetnota geen motivering bevat aan de hand waarvan de berekeningen kunnen worden gecontroleerd, daar de verwijzing van de Commissie daarin naar haar brieven van 24 mei 2011 en 17 augustus 2011, niet kan worden geacht een toereikende motivering te zijn.
123.
De Commissie stelt daar tegenover dat zij de feiten en de redenen voor haar besluit heeft uitgelegd in de procedure die voorafging aan het opstellen van de litigieuze debetnota en was ingeleid door haar brief van 20 oktober 2009, en in het bijzonder in haar brieven van 24 mei 2011 en 17 augustus 2011 die in punt 26 van het bestreden arrest en in het auditrapport worden vermeld. Zij merkt op dat het Gerecht in elk geval in punt 29 van het bestreden arrest van oordeel was dat de litigieuze debetnota geen definitieve handeling is en verwijst dan ook naar de in haar antwoord op het eerste middel aangevoerde argumenten.
124.
Opgemerkt moet worden dat Lito Maieftiko met dit negende middel het Gerecht in wezen verwijt dat het zich niet heeft uitgesproken over het tweede middel dat zij in eerste aanleg bij het Gerecht heeft aangevoerd in het kader van haar verzoek tot nietigverklaring van de litigieuze debetnota.
125.
Aangezien het verzoek tot nietigverklaring van Lito Maieftiko tegen de litigieuze debetnota niet-ontvankelijk is verklaard, moet inderdaad worden vastgesteld dat het Gerecht dit middel niet heeft onderzocht en ook formeel bij zijn onderzoek naar de gegrondheid van de reconventionele vordering van de Commissie geen uitspraak heeft gedaan over de motivering van de litigieuze debetnota.
126.
Uit het bestreden arrest ( 59 ) blijkt echter dat het Gerecht de berekening van het van Lito Maieftiko gevorderde bedrag van 83000,09 EUR heeft onderzocht op basis van de door de Commissie verstrekte gegevens, waarvan is aangegeven dat zij niet zijn betwist.
127.
Ook blijkt uit het bestreden arrest ( 60 ) dat het Gerecht heeft onderzocht of de Commissie de „terugbetalingsvoorwaarden en de datum van betaling” van de van Lito Maieftiko teruggevorderde bedragen duidelijk kenbaar had gemaakt. In casu was het Gerecht van oordeel dat dit het geval was, onder verwijzing op dit punt naar de brief van 24 mei 2011 en naar de informatie in de litigieuze debetnota onder het opschrift „Betalingsvoorwaarden”.
128.
Gelet hierop moet het negende middel van Lito Maieftiko kennelijk ongegrond worden verklaard.
E – Schending van het beginsel van bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwens (tiende middel)
129.
Met haar tiende middel betoogt Lito Maieftiko dat, vijf jaar na afsluiting van het programma, het bedrag van de laatste tranche hiervan, nog altijd niet is betaald aan haar, terwijl niet wordt betwist dat deze tranche is gerealiseerd en haar driemaandelijkse verslagen zijn aanvaard. Daarmee heeft de Commissie het vertrouwensbeginsel geschonden en het arrest van het Gerecht moet ook om die reden worden vernietigd.
130.
Vastgesteld moet worden dat Lito Maieftiko met dit middel weliswaar stelt dat de Commissie het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, maar dat zij niet aangeeft op welke wijze het Gerecht dit beginsel heeft geschonden. In dat opzicht en om die reden moet dit middel derhalve kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
131.
Dit tiende middel is evenwel een herhaling van het vijfde middel dat Lito Maieftiko in eerste aanleg in haar beroep tot nietigverklaring heeft aangevoerd en waarover het Gerecht zich dus niet heeft uitgesproken. Dat neemt echter niet weg dat het hierin vervatte verzoek weliswaar betrekking heeft op de uitvoering van de betrokken overeenkomst, maar strikt genomen geen verband houdt met het voorwerp van de litigieuze debetnota en dus met het geding.
132.
Het tiende middel moet dus kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
133.
Op grond van het bovenstaande en voor het geval dat het Hof mijn primaire conclusie niet zou volgen, moet de hogere voorziening van Lito Maieftiko mijns inziens worden afgewezen.
VII – Kosten
134.
Aangezien het Hof primair in overweging wordt gegeven om het bestreden arrest te vernietigen en de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen, geef ik ook primair in overweging om beslissing omtrent de kosten van deze hogere voorziening aan te houden.
135.
Echter, voor het geval het Hof mijn primaire conclusie niet zou volgen en de hogere voorziening zou afwijzen, dient Lito Maieftiko overeenkomstig artikel 184, lid 1, juncto artikel 138, lid 1, van het Reglement van de procesvoering van het Hof, te worden verwezen in alle kosten.
VIII – Conclusie
136.
Gelet op een en ander geef ik het Hof primair in overweging te beslissen als volgt:
„1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie Lito Maieftiko Gynaikologiko kai Cheirourgiko Kentro/Commissie (T‑552/11, EU:T:2013:349) wordt vernietigd, voor zover daarbij het beroep tot nietigverklaring van Lito Maieftiko tegen de door de Europese Commissie op 9 september 2011 opgestelde debetnota niet-ontvankelijk is verklaard, en haar wordt gelast het bedrag van 83001,09 EUR uiterlijk op 24 oktober 2011 terug te betalen.
2)
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie voor een uitspraak over de gegrondheid van het beroep.
3)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.”
137.
Subsidiair geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
„1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Verzoekster wordt verwezen in de kosten.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) T‑552/11, EU:T:2013:349 (hierna: „bestreden arrest”).
( 3 ) Hierna: „Lito Maieftiko”.
( 4 ) Zie met name voor het Franse administratieve recht, Wachsmann, P., „La recevabilité du recours pour excès de pouvoir à l’encontre des contrats – Pour le centenaire de l’arrêt Martin”, Revue française de droit administratif, nr. 1 (2006), blz. 24.
( 5 ) Hierna: „project WIH”.
( 6 ) Hierna: de „algemene voorwaarden”.
( 7 ) Hierna: „litigieuze debetnota”.
( 8 ) T‑552/11 R, EU:T:2011:749.
( 9 ) T‑353/10, EU:T:2011:589.
( 10 ) C‑506/13 P‑R, EU:C:2013:882.
( 11 ) Zie met name arrest Lecureur/Commissie (T‑26/00, EU:T:2001:222, punt 38), beschikkingen Musée Grévin/Commissie (T‑314/03 en T‑378/03, EU:T:2004:139, punt 88), Helm Düngemittel/Commissie (T‑265/03, EU:T:2005:213, punten 54‑57), arrest CEVA/Commissie (T‑428/07 en T‑455/07, EU:T:2010:240, punten 57‑64), beschikkingen Lito Maieftiko Gynaikologiko kai Cheirourgiko Kentro/Commissie (EU:T:2011:589, punten 34 en 35), Technion en Technion Research & Development Foundation/Commissie (T‑546/11, EU:T:2012:303, punten 58 en 59), Technion en Technion Research & Development Foundation/Commissie (T‑657/11, EU:T:2012:411, punten 54‑60), arresten GRP Security/Rekenkamer (T‑87/11, EU:T:2013:161, punten 31‑38) en Technische Universität Dresden/Commissie (T‑29/11, EU:T:2014:912, punten 42‑44). Zie voor een weigering om een contractuele vordering als een vordering tot nietigverklaring te herkwalificeren wegens termijnoverschrijding, arrest Helkon Media/Commissie (T‑122/06, EU:T:2008:418, punt 54).
( 12 ) Zie punt 84 van deze memorie van repliek.
( 13 ) Punt 40 van het bestreden arrest.
( 14 ) Zie punt 39 van het bestreden arrest.
( 15 ) C‑517/03, EU:C:2004:326, punt 17.
( 16 ) De in een contractuele context ingestelde vordering in reconventie is stellig niet onbekend in het Unierecht, daar het Hof deze uitdrukkelijk heeft erkend; zie arresten Commissie/Zoubek (426/85, EU:C:1986:501, punt 12) en IDE/Commissie (C‑114/94, EU:C:1997:68, punten 82 en 83). Ik heb evenwel geen enkel precedent gevonden met een configuratie als die van het onderhavige geval, waarbij een in een beroep tot nietigverklaring ingestelde vordering in reconventie wordt onderzocht en toegewezen, terwijl het beroep tot nietigverklaring waarop deze vordering in reconventie is geënt, niet-ontvankelijk is verklaard.
( 17 ) EU:T:2011:589.
( 18 ) Punt 21 van het bestreden arrest.
( 19 ) Punt 22 van het bestreden arrest.
( 20 ) Punt 23 van het bestreden arrest.
( 21 ) Punt 24 van het bestreden arrest.
( 22 ) Punten 25 en 26 van het bestreden arrest.
( 23 ) Punt 28 van het bestreden arrest.
( 24 ) Punt 29 van het bestreden arrest.
( 25 ) De Commissie verwijst naar beschikking Lito Maieftiko Gynaikologiko kai Cheirourgiko Kentro/Commissie (EU:T:2011:589).
( 26 ) Arrest Geotronics/Commissie (C‑395/95 P, EU:C:1997:210).
( 27 ) Zie met name beschikking An Taisce en WWF UK/Commissie (C‑325/94 P, EU:C:1996:293, punt 30) en arrest Parlement/Ripa di Meana e.a. (C‑470/00 P, EU:C:2004:241, punt 41).
( 28 ) Punt 30 van het bestreden arrest.
( 29 ) Beschikking Musée Grévin/Commissie (T‑314/03 en T‑378/03, EU:T:2004:139, punten 61‑89).
( 30 ) Zie voor uitspraken waarin een beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk wordt verklaard met eenzelfde of zeer verwante motivering, beschikking Austrian Relief Program/Commissie (T‑235/06, EU:T:2008:411, punten 34‑38), arresten ArchiMEDES/Commissie (T‑396/05 en T‑397/05, EU:T:2009:184, punten 53‑58) en CEVA/Commissie (EU:T:2010:240, punten 51‑55), beschikkingen Lito Maieftiko Gynaikologiko kai Cheirourgiko Kentro/Commissie (EU:T:2011:589, punten 22‑32), Groupement Adriano, Jaime Ribeiro, Conduril/Commissie (T‑335/09, EU:T:2011:614, punten 22‑36) en Technion en Technion Research & Development Foundation/Commissie (EU:T:2012:303, punten 30‑55).
( 31 ) Zie voor uitspraken waarin een beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk wordt verklaard, maar waarin wordt afgeweken van de oorspronkelijk vastgestelde motivering, beschikking Imelios/Commissie (T‑97/07, EU:T:2008:105, punten 23‑30), arrest Cestas/Commissie (T‑260/04, EU:T:2008:115, punten 67‑77), beschikkingen CPEM/Commissie (T‑106/08, EU:T:2009:228, punten 25‑37), Alisei/Commissie (T‑481/08, EU:T:2010:32, punt 72) en IEM/Commissie (T‑435/10, EU:T:2011:410, punten 26, 30 en 31), arresten CEVA/Commissie (T‑285/09, EU:T:2011:479, punten 45‑48) en EMA/Commissie (T‑116/11, EU:T:2013:634, punten 72‑75) en beschikking Hongarije/Commissie (T‑37/11, EU:T:2012:310, punten 35‑43).
( 32 ) Zie voor gevallen waarin deze rechtspraak ná het wijzen van het bestreden arrest is toegepast, beschikking Evropaïki/Commissie (T‑554/11, EU:T:2013:548, punten 30 en 41), arresten EMA/Commissie (T‑116/11, EU:T:2013:634, punten 71‑75) en Technische Universität Dresden/Commissie (T‑29/11, EU:T:2014:912, punten 29‑35).
( 33 ) Zie voor een uitspraak in tegenovergestelde zin, arrest Applied Microengineering/Commissie (T‑387/09, EU:T:2012:501, punten 36‑52). Ook heeft zich voorgedaan dat het Gerecht overeenkomstig de zogenoemde rechtspraak Boehringer [arrest Raad/Boehringer (C‑23/00 P, EU:C:2002:118, punten 51 en 52] het beroep ten gronde heeft afgewezen, zonder de ontvankelijkheid ervan te onderzoeken, zie arrest Berliner Institut für Vergleichende Sozialforschung/Commissie (T‑73/08, EU:T:2013:433, punten 47 en 48).
( 34 ) Zie de punten 14 en 15 van deze conclusie.
( 35 ) Zie arrest Commissie/Raad (22/70, EU:C:1971:32, punt 42).
( 36 ) Zie met name arresten IBM/Commissie (60/81, EU:C:1981:264, punt 9), Internationaler Hilfsfonds/Commissie (C‑362/08 P, EU:C:2010:40, punt 29) en beschikking Mauerhofer/Commissie (C‑433/10 P, EU:C:2011:204, punt 57).
( 37 ) Zie met name arrest IBM/Commissie (EU:C:1981:264, punt 9) en beschikking Mauerhofer/Commissie (EU:C:2011:204, punt 58).
( 38 ) Zie met name arrest Les Verts/Parlement (294/83, EU:C:1986:166, punten 24‑27).
( 39 ) Zie met name arresten Weber/Parlement (C‑314/91, EU:C:1993:109, punten 8‑12) en Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C‑50/00 P, EU:C:2002:462, punt 38).
( 40 ) Punt 25 van het bestreden arrest.
( 41 ) Punt 26 van het bestreden arrest.
( 42 ) Punt 22 van het bestreden arrest.
( 43 ) Zie arresten Commissie/Raad (22/70, EU:C:1971:32, punt 41) en IBM/Commissie (EU:C:1981:264, punt 9).
( 44 ) Punt 23 van het bestreden arrest.
( 45 ) Arrest IBM/Commissie (EU:C:1981:264, punt 9).
( 46 ) EU:C:1981:264, punt 9.
( 47 ) Zie punt 29 van deze conclusie.
( 48 ) Dienaangaande zou het Hof echter stellig de analyse van het Gerecht dat de litigieuze debetnota onlosmakelijk verbonden is met de contractuele context ervan, kunnen bevestigen, maar evenzeer die analyse kunnen loslaten en met vervanging van gronden van oordeel kunnen zijn dat de geschillen tussen partijen bij een overeenkomst over de uitvoering daarvan bij uitsluiting vallen onder de bevoegdheid van de rechter die bevoegd is om uitspraak te doen over de overeenkomst, en aldus kunnen bevestigen dat er in het Unierecht een echte exceptie van parallel beroep bestaat.
( 49 ) Zij stelt op dit punt voor om het tweede, vierde, vijfde, zesde en achtste middel gezamenlijk te behandelen.
( 50 ) Zie in het bijzonder punt 54 van het bestreden arrest.
( 51 ) Zie met name, naar analogie, arresten Hilti/Commissie (C‑53/92 P, EU:C:1994:77, punt 10), Ismeri Europa/Rekenkamer (C‑315/99 P, EU:C:2001:391, punt 19) en beschikking OCVV/Schräder (C‑38/09 P‑DEP, EU:C:2013:679, punten 69‑75).
( 52 ) Zoals het Hof heeft geoordeeld, heeft het begrip misbruik van bevoegdheid een welbepaalde inhoud en ziet het op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden gebruikt met een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verleend; zie met name arrest O’Hannrachain/Parlement (C‑121/01 P, EU:C:2003:323, punt 46).
( 53 ) In navolging van de formulering van de klassieke definitie van misbruik van bevoegdheid die het Hof gebruikt. Zie met name arresten Nederland/Raad (C‑110/97, EU:C:2001:620), O’Hannrachain/Parlement (EU:C:2003:323, punt 46), Windpark Groothusen/Commissie (C‑48/96 P, EU:C:1998:223, punt 52) en Ramondín e.a./Commissie (C‑186/02 P en C‑188/02 P, EU:C:2004:702, punt 44).
( 54 ) Zie punt 77 van het bestreden arrest.
( 55 ) Zie de punten 75 en 76 van het bestreden arrest.
( 56 ) Punt 56 van het bestreden arrest.
( 57 ) Punt 59 van het bestreden arrest.
( 58 ) Punten 60 en 61 van het bestreden arrest.
( 59 ) Zie de punten 65‑69.
( 60 ) Zie de punten 46 en 70‑72.
Full & Egal Universal Law Academy