AANVULLENDE CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL M. WATHELET
van 15 oktober 2015 ( 1 )
Zaak C‑689/13
Puligienica Facility Esco SpA (PFE)
tegen
Airgest SpA
[verzoek van de Consiglio di giustizia amministrativa per la Regione siciliana (bestuursrechter in hoger beroep van Sicilië, Italië) om een prejudiciële beslissing]
„Heropening van de mondelinge behandeling — Artikel 267 VWEU — Begrip ‚rechterlijke instantie’ — Organisatorische benadering — Functionele benadering”
I – Inleiding
1.
Deze conclusie is de tweede conclusie in de zaak PFE (C‑689/13, EU:C:2015:263). Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft, ten eerste, de uitlegging van artikel 1, lid 3, van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken ( 2 ), zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 ( 3 ), en, ten tweede, de uitlegging van artikel 267 VWEU alsmede van de beginselen van de voorrang van het Unierecht en van conforme uitlegging.
2.
Bij beslissing van 20 januari 2015 heeft het Hof de zaak naar de Vijfde kamer verwezen. Op 11 maart 2015 is een terechtzitting gehouden, waarop Puligienica Facility Esco SpA (PFE), Gestione Servizi Ambientali Srl, de Italiaanse regering alsook de Europese Commissie hun pleidooi hebben kunnen houden. Mijn eerste conclusie in deze zaak heb ik op 23 april 2015 genomen. ( 4 ) Deze kamer heeft tijdens de beraadslaging op 10 juni 2015 evenwel beslist krachtens artikel 60, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof om de zaak te verwijzen naar het Hof, dat de zaak aan de Grote kamer heeft hertoegewezen.
3.
Bij beschikking PFE (C‑689/13, EU:C:2015:521) heeft het Hof derhalve de heropening van de mondelinge behandeling bevolen en de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden verzocht om een standpunt over de volgende vraag: „Hebben het begrip ‚rechterlijke instantie’ in de zin van artikel 267 VWEU en de verplichting om het recht van de Unie toe te passen zoals het door het Hof van Justitie van de Europese Unie is uitgelegd, volgens een functionele benadering betrekking op de kamer van een rechterlijke instantie van een lidstaat waarbij een geding aanhangig is gemaakt, of ziet dit begrip volgens een organisatorische benadering uitsluitend op deze rechterlijke instantie, bezien in haar geheel, waartoe die kamer organiek behoort?”
4.
In deze conclusie zal ik mij dus uitsluitend op deze vraag richten en enkel de voor het onderzoek ervan nuttige elementen in herinnering brengen. Ten slotte merk ik op dat alleen de Italiaanse, de Nederlandse en de Poolse regering alsmede de Commissie hebben geantwoord op de vraag die het Hof heeft gesteld naar aanleiding van de heropening van de mondelinge behandeling. Alleen de Italiaanse regering en de Commissie hebben ter terechtzitting van 15 september 2015 de wens geuit hun standpunt kenbaar te maken.
II – Toepasselijke bepalingen
5.
Bij wetsdecreet nr. 104 van 2 juli 2010 (gewoon supplement bij GURI nr. 156 van 7 juli 2010) is het wetboek betreffende het bestuursprocesrecht vastgesteld.
6.
Overeenkomstig artikel 99, lid 3, van dat wetboek verwijst, „[w]anneer een kamer waaraan een zaak is toegewezen, van oordeel is dat zij niet kan instemmen met een rechtsbeginsel dat in voltallige zitting is geformuleerd, [...] zij bij een met redenen omklede beschikking de zaak naar de voltallige zitting voor uitspraak in het ingestelde beroep”.
7.
Artikel 99, lid 4, van dat wetboek verduidelijkt dat „[i]n de voltallige zitting wordt beslist op het beroep in volle omvang, behalve indien het passend wordt geacht om enkel een rechtsbeginsel te formuleren en de zaak voor het overige terug te verwijzen naar de verwijzende kamer”.
III – Analyse
A – Korte herhaling van de in mijn eerste conclusie voorgestane uitlegging
8.
Vooraf merk ik op dat de Italiaanse regering alsook de twee andere regeringen die op de vraag van het Hof hebben geantwoord, voorstander zijn van de functionele uitlegging van het begrip „rechterlijke instantie”.
9.
Dat is ook het standpunt dat ik in mijn eerste conclusie impliciet doch zonder mogelijke twijfel heb ingenomen. Na het onderzoek van de tweede prejudiciële vraag van de verwijzende rechter ben ik tot de slotsom gekomen dat „artikel 267 VWEU zich ertegen verzet om een bepaling als artikel 99, lid 3, van [het wetboek betreffende het bestuursprocesrecht] aldus uit te leggen dat dit artikel de kamer van een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet voor hoger beroep vatbaar zijn, verplicht om, wanneer zij het niet eens is met een door diezelfde rechterlijke instantie in voltallige zitting geformuleerd rechtsbeginsel, de beslissing waarop het beroep betrekking heeft naar die formatie te verwijzen, zonder dat deze kamer de mogelijkheid heeft om eerst een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen”. ( 5 )
10.
Hoewel ik de idee van een „functionele” opvatting van het begrip „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU niet uitdrukkelijk te berde heb gebracht, ligt deze opvatting nochtans in lijn met de voorgestane oplossing. Bovendien blijf ik bij deze opvatting in de onderhavige aanvullende conclusie.
B – De Consiglio di giustizia amministrativa per la Regione siciliana (bestuursrechter in hoger beroep van Sicilië) en de gevolgen van artikel 99, lid 3, van het wetboek betreffende het bestuursprocesrecht voor het definitieve karakter van zijn beslissingen
11.
Mijns inziens staat buiten kijf dat de Consiglio di giustizia amministrativa per la Regione siciliana (bestuursrechter in hoger beroep van Sicilië), die bestaat uit twee kamers die van de Consiglio di Stato (raad van state, Italië) afgesplitste kamers zijn ( 6 ), een rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU vormt. Volgens artikel 6, lid 1, van het wetboek betreffende het bestuursprocesrecht is immers „[d]e Consiglio di Stato [raad van state] [...] de bestuursrechtelijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet”.
12.
De Italiaanse regering heeft ter terechtzitting van 15 september 2015 bevestigd dat de beslissingen van de Consiglio di giustizia amministrativa per la Regione siciliana (bestuursrechter in hoger beroep van Sicilië) niet vatbaar zijn voor hoger beroep en dat evenmin hoger beroep of enige sanctie mogelijk is ingeval artikel 99, lid 3, van het wetboek betreffende het bestuursprocesrecht niet wordt toegepast. ( 7 )
13.
Zoals ik reeds in mijn eerste conclusie heb vermeld, heeft de Corte suprema di cassazione (hof van cassatie, Italië) bij arrest nr. 2403 van 4 februari 2014 in verenigde kamers geoordeeld dat „in het bestuursrechtelijke stelsel van Italië de Consiglio di Stato [raad van state], zijn kamers en de voltallige zitting, zonder onderscheid, uitspraak dienen te doen als rechter in laatste aanleg in de zin van artikel 267, derde alinea, VWEU”. ( 8 )
14.
De mogelijkheid voor deze rechterlijke instantie om het Hof een prejudiciële vraag te stellen is trouwens niet zonder weerga, want het Hof heeft reeds uitspraak gedaan op verschillende verzoeken om een prejudiciële beslissing die waren ingediend door de Consiglio di giustizia amministrativa per la Regione siciliana (bestuursrechter in hoger beroep van Sicilië). ( 9 )
15.
Wanneer een organisatorische benadering van deze rechterlijke instantie wordt gevolgd, zou dit dus erop neerkomen dat een rechterlijke instantie, in de zin van artikel 267 VWEU, deze hoedanigheid kan verliezen wegens een nadere regel die eigen is de gerechtelijke organisatie van een lidstaat.
C – De gevolgen van de verwijzing van een zaak door een kamer van een rechterlijke instantie naar dezelfde rechterlijke instantie in een andere formatie
16.
Volgens thans vaste rechtspraak van het Hof verzet artikel 267 VWEU zich tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die een incidentele procedure voor toetsing van de grondwettigheid van de nationale wetten invoert, voor zover de nationale rechter door de voorrang van die procedure, zowel vóór de toezending van een grondwettigheidsvraag aan de nationale rechter die met de toetsing van de grondwettigheid van de wetten is belast, als, in voorkomend geval, na de beslissing van die rechter op dat verzoek, wordt belet zijn bevoegdheid uit te oefenen om het Hof prejudiciële vragen voor te leggen of zijn verplichting in die zin na te komen. ( 10 ) Uit deze rechtspraak vloeit voort dat de rechter bij wie een geding aanhangig is gemaakt, te allen tijde in staat moet zijn, het Hof een prejudiciële vraag voor te leggen.
17.
In casu wordt de zaak op grond van artikel 99, lid 3, van het wetboek betreffende het bestuursprocesrecht niet naar een andere rechterlijke instantie, doch naar dezelfde rechterlijke instantie in een andere formatie verwezen. Mijns inziens schuilt het element dat van wezenlijk belang is, evenwel niet in dat verschil, maar in het feit dat wanneer de Consiglio di giustizia amministrativa per la Regione siciliana (bestuursrechter in hoger beroep van Sicilië) [of enige andere kamer van de Consiglio di Stato (raad van state)] op grond van artikel 99, lid 3, van het wetboek betreffende het bestuursprocesrecht beslist om de zaak te verwijzen naar de voltallige zitting, het geding in beginsel niet langer bij hemzelf aanhangig is, waardoor hij niet langer het Hof een prejudiciële vraag kan stellen, hetzij tegelijkertijd hetzij naderhand. ( 11 )
18.
Evenwel blijkt niets in artikel 99, lid 3, van het wetboek betreffende het bestuursprocesrecht een kamer van de Consiglio di Stato (raad van state) te beletten voorafgaandelijk aan deze verwijzing een beroep te doen op artikel 267 VWEU. ( 12 ) Het is wellicht nuttig te preciseren dat dit ook de door de Italiaanse regering voorgestelde uitlegging is.
19.
In dat geval moet deze kamer de gevolgen trekken uit het arrest dat het Hof zal wijzen of, in voorkomend geval, pas dan de zaak verwijzen naar de voltallige zitting van de Consiglio di Stato (raad van state). Alsdan moet in voltallige zitting het geding worden beslecht in overeenstemming met het arrest van het Hof of moet het Hof opnieuw een vraag worden voorgelegd.
20.
Deze uitlegging biedt bovendien het voordeel dat het gevaar dat het Unierecht niet of onjuist wordt toegepast, afneemt.
21.
Deze uiteenzetting betreffende de verwijzing van de zaak sluit ik af met een overweging naar aanleiding van het arrest Syfait e.a. (C‑53/03, EU:C:2005:333). In mijn eerste conclusie had ik voorgesteld een parallel te trekken met de oplossing waarvoor is gekozen in het arrest Parfums Christian Dior (C‑337/95, EU:C:1997:517). ( 13 ) Ook lijkt het mij mogelijk uit het arrest Syfait e.a. (C‑53/03, EU:C:2005:333) lering a contrario te trekken.
22.
In die zaak had het Hof zich onbevoegd verklaard met name omdat de Commissie krachtens artikel 11, lid 6, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] ( 14 ) een zaak aan een mededingingsautoriteit kan onttrekken. Anders dan bij een nadere regel die eigen is aan de gerechtelijke organisatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, bepaalt, in mededingingszaken, de instantie die de prejudiciële vraag stelt, evenwel noch of de zaak aan haar wordt onttrokken, noch het tijdstip waarop de zaak aan haar kan worden onttrokken. Integendeel, in casu is het de kamer van de Consiglio di Stato (raad van state) die, na het Hof een prejudiciële vraag te hebben gesteld, beslist of zij de zaak naar de voltallige zitting verwijst. Zodoende behoudt zij haar hoedanigheid van rechterlijke instantie in de zin van 267 VWEU totdat zijzelf beslist de zaak te verwijzen.
23.
Bij wege van conclusie lijkt mijns inziens een functionele benadering van een rechterlijke instantie geboden en kan een rechterlijke instantie derhalve deze „hoedanigheid” niet verliezen ofschoon de mogelijkheid bestaat dat de zaak, na het arrest van het Hof, wordt verwezen naar dezelfde rechterlijke instantie in een andere formatie.
D – Enkele overwegingen ten overvloede
24.
Ten overvloede meen ik dat de aan artikel 267 VWEU inherente doelstelling van samenwerking en voorts een praktische moeilijkheid bij de toepassing van de organisatorische benadering het Hof eveneens ertoe moeten brengen deze opvatting van het begrip „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU van de hand te wijzen.
1. Het beginsel van samenwerking tussen het Hof en de rechters van de lidstaten
25.
Allereerst lijkt een organisatorische benadering van het begrip „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU mijns inziens in te gaan tegen het feit dat volgens vaste rechtspraak artikel 267 VWEU „een procedure van rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten tot stand brengt”. ( 15 ) Deze idee van samenwerking vindt haar weerslag in het beginsel met dezelfde naam. Zoals advocaat-generaal Cruz Villalón pertinent heeft opgemerkt, geldt het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking ook voor rechterlijke instanties, „met inbegrip van de beide instanties die bij deze belangrijke procedure zijn betrokken”. ( 16 ) Ik ben dus vatbaar voor het argument van de Commissie dat krachtens het beginsel van loyale samenwerking elke bepaling betreffende de gerechtelijke organisatie en de gerechtelijke procedure niet alleen in overeenstemming met artikel 267 VWEU moet worden uitgelegd, maar ook aldus dat de toegang tot het in dat artikel omschreven mechanisme van de prejudiciële verwijzing wordt vergemakkelijkt. ( 17 )
26.
Wanneer een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet – wat naar Italiaans recht het geval is voor de verwijzende rechter ( 18 ) – twijfelt aan de uitlegging en de toepassing van het Unierecht door een andere rechterlijke instantie in laatste aanleg van haar rechtsbestel, zelfs door haar eigen voltallige zitting, moet mijns inziens derhalve het Hof haar een antwoord geven.
27.
Zoals ik reeds in mijn eerste conclusie heb overwogen, zou wanneer de kamer van een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen naar nationaal recht niet vatbaar voor hoger beroep zijn, de mogelijkheid wordt ontzegd het Hof een vraag te stellen enkel en alleen omdat de voltallige zitting van diezelfde rechterlijke instantie daartoe verplicht is, dit volgens mij indruisen tegen de vaste rechtspraak van het Hof, dat steeds „de nationale rechterlijke instanties de meest uitgebreide bevoegdheid [heeft toegekend] zich tot het Hof te wenden indien zij menen dat een bij hen aanhangig geding vragen over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie opwerpt waarover ter beslechting van het hun voorgelegde geschil moet worden beslist”. ( 19 )
28.
In dat opzicht sluit ik mij aan bij het standpunt van de Poolse regering dat elke leemte in dat stelsel van samenwerking tussen de nationale rechters en het Hof kan afdoen aan de doeltreffendheid zelf van de bepalingen van het Verdrag en het afgeleide recht waarover de nationale rechter twijfel koestert. ( 20 )
29.
Een organisatorische opvatting van het begrip „rechterlijke instantie” zou immers het gevaar vergroten dat in de betrokken lidstaat met het Unierecht strijdige rechtspraak ingang vindt. In de veronderstelling dat de „kamer” van een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, niet beslist om de zaak naar de voltallige zitting te verwijzen en een met het Unierecht strijdige beslissing neemt, kan die beslissing door geen enkele rechtsprekende formatie worden gewijzigd. Zoals ik in mijn eerste conclusie eraan heb herinnerd, ligt de reden waarom de nationale rechters van wie de beslissingen naar nationaal recht niet vatbaar voor hoger beroep zijn, verplicht zijn zich tot het Hof te wenden wanneer in het bij hen aanhangige geding een vraag betreffende de uitlegging van het Unierecht rijst, erin „te voorkomen dat zich in een lidstaat een nationale rechtspraak ontwikkelt die niet met de regels van [Unierecht] strookt”. ( 21 )
2. Een praktische moeilijkheid bij de toepassing van de organisatorische opvatting
30.
Vervolgens zou bij een organisatorische opvatting van het begrip „rechterlijke instantie” bij de toepassing van artikel 267 VWEU volgens mij voor het Hof een praktische moeilijkheid rijzen.
31.
Zoals ik voorheen nog eraan heb herinnerd, heeft het Hof immers reeds herhaaldelijk geantwoord op prejudiciële vragen die zijn gesteld door de Consiglio di giustizia amministrativa per la Regione siciliana (bestuursrechter in hoger beroep van Sicilië). ( 22 )
32.
Bovendien blijkt uit het antwoord van de Italiaanse regering op de vraag die het Hof heeft gesteld naar aanleiding van de heropening van de mondelinge behandeling, dat het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtspleging een bepaling bevat die vergelijkbaar is met artikel 99 van het wetboek betreffende het bestuursprocesrecht voor de Corte suprema di cassazione (hof van cassatie). Artikel 273, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtspleging bepaalt immers dat „indien de enkelvoudige kamer [van de Corte suprema di cassazione (hof van cassatie)] van oordeel is dat zij niet kan instemmen met een rechtsbeginsel dat door de verenigde kamers is geformuleerd, zij bij een met redenen omklede beschikking de zaak verwijst naar de verenigde kamers voor uitspraak in het ingestelde beroep”. Het Hof heeft reeds op talrijke prejudiciële verwijzingen van deze rechterlijke instantie uitspraak gedaan.
33.
Mocht het Hof een organisatorische benadering van het begrip „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU erop na houden, dan zou dit erop neerkomen dat alle rechterlijke instanties van een lidstaat waarin een procesregeling geldt die vergelijkbaar is met die van het Italiaanse wetboek betreffende het bestuursprocesrecht of het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtspleging, het Hof slechts een vraag mogen stellen mits geen door de voltallige zitting van die rechterlijke instantie geformuleerd rechtsbeginsel ter discussie wordt gesteld.
34.
Een dergelijke omschrijving van het begrip „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU zou in de praktijk niet haalbaar zijn omdat dan voor het Hof de moeilijkheid rijst dat het zijn eigen bevoegdheid moet nagaan. Het Hof kan immers zijn eigen bevoegdheid slechts nagaan indien het van de verwijzende rechter exhaustieve informatie over zijn procesrecht ontvangt. Evenwel worden bij een prejudiciële verwijzing niet noodzakelijk alle nationale procesregels ter kennis van het Hof gebracht. Bovendien zou de onbevoegdheid van het Hof ervan afhangen of de litigieuze procesregels daadwerkelijk worden toegepast in het concrete geval dat tot het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft geleid. Wanneer wij teruggrijpen naar de veronderstelling van het Italiaanse wetboek betreffende het bestuursprocesrecht, is het immers zo dat een kamer van de Consiglio di Stato (raad van state) niet noodzakelijk het Hof een prejudiciële vraag stelt omdat zij van oordeel is dat een in voltallige zitting geformuleerd rechtsbeginsel in strijd is met het Unierecht. Slechts in dat geval zou het Hof onbevoegd zijn.
35.
Een dergelijke opvatting zou bovendien haaks staan op de opvatting die het Hof getrouw volgt, namelijk dat een rechterlijke instantie een enkele en dezelfde entiteit uitmaakt, ongeacht haar interne organisatie. Een bewijs van deze „allesomvattende” opvatting van de rechterlijke instanties is te vinden in de wijze waarop het Hof de nationale rechterlijke instanties in zijn arresten identificeert. De nationale rechterlijke instanties worden namelijk uitsluitend met hun „algemene” benaming aangeduid, zonder verwijzing naar hun formatie (kamer, voltallige zitting, enz.).
IV – Conclusie
36.
Gelet op voorgaande overwegingen en de analyse in de punten 63 tot en met 89 van mijn eerste conclusie in deze zaak van 23 april 2015 ben ik van mening dat het begrip „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU volgens een functionele benadering moet worden uitgelegd. Dat artikel ziet bijgevolg op de rechter of de kamer van een rechterlijke instantie van een lidstaat bij wie of waarbij het geding aanhangig is gemaakt.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB L 395, blz. 33.
( 3 ) PB L 335, blz. 31.
( 4 ) C‑689/13, EU:C:2015:263.
( 5 ) Punt 91 van mijn eerste conclusie.
( 6 ) Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van wetsdecreet nr. 373 van 24 december 2003, met het opschrift „Uitvoeringsbepalingen van het bijzondere Statuut van Sicilië betreffende de uitoefening in deze regio van de aan de Consiglio di Stato toekomende bevoegdheden” (gewoon supplement bij GURI nr. 10 van 14 januari 2004).
( 7 ) De Italiaanse regering had reeds in haar schriftelijke opmerkingen erop gewezen dat geen sanctie mogelijk was. Zie punt 76 van mijn eerste conclusie en de rechtspraak van de Consiglio di Stato (raad van state) waarnaar ik daarin verwijs.
( 8 ) Volgens het citaat dat de Italiaanse regering heeft aangehaald in punt 9 van haar antwoord op de vraag die het Hof heeft gesteld naar aanleiding van de heropening van de mondelinge behandeling (cursivering van mij).
( 9 ) Zie arrest Valvo (C‑78/07, EU:C:2008:171); beschikking Rizzo (C‑107/11, EU:C:2012:96), en arrest Ottica New Line di Accardi Vincenzo (C‑539/11, EU:C:2013:591). Ik wijs erop dat de twee meest recente verzoeken om een prejudiciële beslissing dateren van na de inwerkingtreding van het wetboek betreffende het bestuursprocesrecht.
( 10 ) Arrest Melki en Abdeli (C‑188/10 en C‑189/10, EU:C:2010:363, punt 57en dictum). Zie ook arrest A (C‑112/13, EU:C:2014:2195, punt 46en dictum).
( 11 ) Volgens artikel 99, lid 4, van het wetboek betreffende het bestuursprocesrecht wordt, wanneer de zaak naar de voltallige zitting van de Consiglio di Stato [raad van state] is verwezen, „beslist op het beroep in volle omvang, behalve indien het passend wordt geacht om enkel een rechtsbeginsel te formuleren en de zaak voor het overige terug te verwijzen naar de verwijzende kamer”.
( 12 ) Overigens zou, in lijn met de conclusie waartoe ik ben gekomen in mijn eerste conclusie, een andere uitlegging volgens welke „de kamer van een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet voor hoger beroep vatbaar zijn, verplicht [is] om, wanneer zij het niet eens is met een door diezelfde rechterlijke instantie in voltallige zitting geformuleerd rechtsbeginsel, de beslissing waarop het beroep betrekking heeft naar die formatie te verwijzen, zonder dat deze kamer de mogelijkheid heeft om eerst een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen [alsdan onverenigbaar zijn met artikel 267 VWEU]” (punt 91 van mijn eerste conclusie). Cursivering van mij.
( 13 ) Zie de punten 85‑89 van mijn eerste conclusie.
( 14 ) PB L 1, blz. 1.
( 15 ) Arrest Gauweiler e.a. (C‑62/14, EU:C:2015:400, punt 15en aldaar aangehaalde rechtspraak). Cursivering van mij.
( 16 ) Conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak Gauweiler e.a. (C‑62/14, EU:C:2015:7, punt 64).
( 17 ) Punt 12 van het antwoord van de Commissie op de vraag die het Hof heeft gesteld naar aanleiding van de heropening van de mondelinge behandeling.
( 18 ) Zie de punten 66 en 69‑76 van mijn eerste conclusie, alsmede de punten 11‑13 van deze conclusie.
( 19 ) Arrest Križan e.a. (C‑416/10, EU:C:2013:8, punt 64en aldaar aangehaalde rechtspraak). Cursivering van mij. Zie punt 64 van mijn eerste conclusie.
( 20 ) Zie punt 5 van het antwoord van de Poolse regering op de vraag die het Hof heeft gesteld naar aanleiding van de heropening van de mondelinge behandeling.
( 21 ) Arrest Lyckeskog (C‑99/00, EU:C:2002:329, punt 14en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 22 ) Zie de in voetnoot 9 aangehaalde rechtspraak.
Full & Egal Universal Law Academy