ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
11 december 2014 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Landbouw — Verordening (EEG) nr. 3665/87 — Artikelen 4, lid 1, en 13 — Verordening (EEG) nr. 2220/85 — Artikel 19, lid 1, sub a — Restituties bij uitvoer — Voorschot op de restitutie — Voorwaarden voor de vrijgave van de zekerheid die is gesteld om terugbetaling van het voorschot te verzekeren”
In zaak C‑128/13,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Tribunal da Relação de Lisboa (Portugal) bij beslissing van 17 januari 2013, ingekomen bij het Hof op 18 maart 2013, in de procedure
Cruz & Companhia Lda
tegen
Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas, IP (IFAP),
Caixa Central – Caixa Central de Crédito Agrícola Mútuo, CRL,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, C. Vajda (rapporteur), A. Rosas, E. Juhász en D. Šváby, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 juni 2014,
gelet op de opmerkingen van:
—
Cruz & Companhia Lda, vertegenwoordigd door B. Lacerda, R. Freitas en J. Freitas, advogados,
—
de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes en M. Folgado Moreno als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Guerra e Andrade, D. Triantafyllou en M. Afonso als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1829/94 van de Commissie van 26 juli 1994 (PB L 191, blz. 5; hierna: „verordening nr. 3665/87”), en artikel 19, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten (PB L 205, blz. 5), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3403/93 van de Commissie van 10 december 1993 (PB L 310, blz. 4; hierna: „verordening nr. 2220/85”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Cruz & Companhia Lda (hierna: „Cruz & Companhia”) enerzijds, en het Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas, IP (IFAP) en de Caixa Central – Caixa Central de Crédito Agrícola Mútuo, CRL (hierna: „CCAM”) anderzijds, over de weigering tot vrijgave van een bankgarantie die was gesteld om terugbetaling te waarborgen van een voorschot op de uitvoerrestitutie dat was betaald voor uitvoer van wijn in 1995, en over de uitwinning van die bankgarantie.
Toepasselijke bepalingen
3
In artikel 56 van verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad van 16 maart 1987 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 84, blz. 1) was bepaald:
„1. Voor zover nodig om een in economisch opzicht belangrijke uitvoer van [onder de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt vallende] producten op basis van de prijzen van deze producten in de internationale handel mogelijk te maken, kan het verschil tussen deze prijzen en die in de Gemeenschap door een restitutie bij de uitvoer worden overbrugd. [...]
2. De restitutie is voor de gehele Gemeenschap gelijk. Zij kan variëren naargelang van de bestemming.
De restitutie wordt toegekend op verzoek van de belanghebbende.
3. De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de algemene voorschriften vast betreffende de toekenning van de restituties bij uitvoer en de criteria voor het vaststellen van het bedrag daarvan.
4. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 83.
[...]”
4
Artikel 71, lid 2, van verordening nr. 822/87 luidde:
„De natuurlijke of rechtspersonen of groepen van personen die voor de uitoefening van hun beroep de in artikel 1 bedoelde producten [met inbegrip van wijngerelateerde producten, zoals in casu] onder zich hebben, en met name producenten, bottelaars, verwerkers en de nader te bepalen handelaren, zijn verplicht registers bij te houden, inzonderheid van de ontvangen en afgeleverde hoeveelheden van de betrokken producten.”
5
De Commissie had de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten vastgesteld in verordening nr. 3665/87.
6
De derde, de vierde en de zestiende overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87 luidden:
„[...] krachtens de door de Raad vastgestelde algemene regels [wordt] de restitutie [...] uitbetaald wanneer het bewijs is geleverd dat de producten uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd; [...]
[...] bepaalde uitvoertransacties [kunnen] tot misbruiken aanleiding [...] geven; [...] ten einde dergelijke misbruiken te voorkomen, [moet] de uitbetaling van de restitutie bij deze transacties afhankelijk [...] worden gesteld niet alleen van de voorwaarde dat het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, maar ook van de voorwaarde dat het product in een derde land is ingevoerd en, in voorkomend geval, in het derde land werkelijk op de markt is gebracht;
[...]
teneinde voor de exporteurs de financiering van hun uitvoertransacties te vergemakkelijken, [dienen] de lidstaten [...] te worden gemachtigd hun, zodra de uitvoeraangifte is aanvaard, de restitutie geheel of gedeeltelijk voor te schieten op voorwaarde dat dan door het stellen van een zekerheid wordt gewaarborgd dat dit voorschot zal worden terugbetaald ingeval later mocht blijken dat de restitutie niet had mogen worden betaald”.
7
In artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3665/87 was bepaald:
„Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 16, mag de restitutie slechts worden uitbetaald als het bewijs is geleverd dat de producten waarvoor de uitvoeraangifte is aanvaard, uiterlijk zestig dagen na die aanvaarding in ongewijzigde staat het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.”
8
Artikel 13, eerste alinea, van verordening nr. 3665/87 luidde:
„Restituties worden niet verleend indien de producten niet van gezonde handelskwaliteit zijn en als de geschiktheid voor menselijke consumptie, voor zover zij daarvoor zijn bestemd, wegens de eigenschappen ervan of de toestand waarin zij zich bevinden, geheel of in aanzienlijke mate is verloren gegaan.”
9
In artikel 18, lid 1, sub b, van verordening nr. 3665/87 was bepaald:
„Het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer zijn vervuld, wordt geleverd door overlegging van een van de volgende documenten naar keuze van de exporteur:
[...]
b)
een verklaring inzake de lossing en de invoer voor verbruik, opgesteld door een op internationaal niveau in controle en toezicht gespecialiseerde en door de Commissie, volgens de in lid 4 bedoelde procedure, erkende firma. De datum en het nummer van het douanedocument voor invoer tot verbruik worden op de betrokken verklaring vermeld.”
10
Artikel 22 van verordening nr. 3665/87, dat deel uitmaakte van hoofdstuk 2, met als opschrift „Vooruitbetaling op de restitutie in geval van rechtstreekse uitvoer”, bepaalde:
„1. Zodra de aangifte ten uitvoer is aanvaard, schieten de lidstaten op verzoek van de exporteur het restitutiebedrag geheel of gedeeltelijk voor, op voorwaarde dat een zekerheid wordt gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorschot, verhoogd met 15 %.
De lidstaten kunnen bepalen onder welke voorwaarden om vooruitbetaling van een deel van de restitutie kan worden verzocht.
2. Bij de berekening van het voorschot wordt uitgegaan van de voor de opgegeven bestemming geldende restitutievoet, in voorkomend geval aangepast met de andere op grond van de communautaire wetgeving toe te passen bedragen.”
11
Artikel 33, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bepaalde:
„Wanneer voor de producten of goederen waarvoor de regeling van dit hoofdstuk is toegepast, het recht op een restitutie en/of een monetair compenserend bedrag bewezen is, moet het betrokken bedrag met het vooruitbetaalde bedrag worden verrekend. Wanneer voor de geëxporteerde hoeveelheid recht bestaat op een hoger bedrag dan het vooruitbetaalde bedrag, moet het verschil aan de betrokkene worden betaald.
Wanneer voor de uitgevoerde hoeveelheid recht bestaat op een lager bedrag dan het vooruitbetaalde bedrag, met name bij toepassing van lid 2, leidt de bevoegde instantie onverwijld de procedure van artikel 29 van verordening (EEG) nr. 2220/85 in om de exporteur te dwingen het verschil tussen beide bedragen, verhoogd met 20 %, terug te betalen.”
12
Verordening nr. 2220/85 stelde de voorschriften vast inzake de zekerheden die krachtens verordening nr. 822/87 of de uitvoeringsverordeningen ervan moesten worden gesteld.
13
Artikel 19 van verordening nr. 2220/85, dat deel uitmaakte van titel IV, met als opschrift „Voorschotten”, bepaalde:
„1. De waarborg wordt vrijgegeven, wanneer
a)
is vastgesteld dat de betrokkene definitief recht heeft op het voorschot, of
b)
het voorschot, verhoogd met de in de specifieke communautaire regeling vastgestelde toeslag, is terugbetaald.
2. Wanneer de uiterste termijn voor het leveren van het bewijs dat de betrokkene definitief recht heeft op het voorschot is verstreken zonder dat dit bewijs werd geleverd, past de bevoegde autoriteit onmiddellijk de procedure van artikel 29 toe.
[...]”
14
Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2238/98 van de Commissie van 26 juli 1993 betreffende de begeleidende documenten voor het vervoer van wijnbouwproducten en de in de wijnsector bij te houden registers (PB L 200, blz. 10) bepaalde:
„1. Deze verordening bevat de uitvoeringsbepalingen van artikel 71 van verordening (EEG) nr. 822/87 wat betreft het begeleidend document voor producten van de wijnbouwsector; deze verordening laat richtlijn 92/12/EEG [van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB L 76, blz. 1)] onverlet. Worden vastgesteld:
a)
de regels voor de certificering van de oorsprong van in een bepaald gebied voortgebrachte kwaliteitswijn en de certificering van de herkomst van tafelwijn waarvoor een geografische aanduiding mag worden gebruikt in de documenten waarvan deze wijn bij het vervoer vergezeld gaat en die worden opgesteld op grond van communautaire bepalingen die gebaseerd zijn op richtlijn [92/12];
b)
de regels voor het opstellen van de documenten waarvan in artikel 1, lid 2, van verordening (EEG) nr. 822/87 bedoelde wijnbouwproducten vergezeld dienen te gaan tijdens het vervoer:
—
binnen een lidstaat, voor zover bij dit vervoer geen document wordt gebruikt dat is voorgeschreven bij op richtlijn [92/12] gebaseerde communautaire bepalingen;
—
bij uitvoer naar een derde land;
—
in het intracommunautaire handelsverkeer, wanneer
—
de producten worden vervoerd door een kleine producent die door de lidstaat waar het vervoer is begonnen, is vrijgesteld van de verplichting een vereenvoudigd geleidedocument op te stellen, of
—
het een van accijns vrijgesteld wijnbouwproduct betreft;
c)
aanvullende bepalingen voor het opstellen
—
van het administratief document of het handelsdocument dat wordt gebruikt ter vervanging van het administratief document,
—
van het vereenvoudigd geleidedocument of het ter vervanging van dit document gebruikte handelsdocument,
die bestemd zijn om de in artikel 1, lid 2, van verordening (EEG) nr. 822/87 bedoelde wijnbouwproducten te vergezellen.
2. Bij deze verordening worden bovendien de regels vastgesteld voor het bijhouden van inslag- en uitslagregisters door personen die beroepshalve wijnbouwproducten in hun bezit hebben.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15
Cruz & Companhia is een handelsonderneming die zich bezighoudt met de verkoop, met inbegrip van de productie, de opslag en de aankoop voor wederverkoop, van wijnen, brandewijnen en daarvan afgeleide producten. In het kader van haar werkzaamheden heeft zij wijn uitgevoerd naar Angola tegen een lagere prijs dan die welke zij zou hebben verkregen indien zij de wijn op de markt van de Europese Unie had verkocht.
16
In juni 1995 heeft Cruz & Companhia het Instituto Nacional de Intervenção e Garantia Agrícola (hierna: „INGA”) verzocht om vooruitbetaling van de restitutie. Daartoe heeft zij de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer en het bewijs dat de producten het douanegebied van de Unie binnen een termijn van 60 dagen na die aanvaarding hadden verlaten, overgelegd, alsook een op 14 juni 1995 bij de CCAM gestelde bankgarantie voor een bedrag dat gelijk was aan dat van de vooruitbetaling op de restitutie, verhoogd met 15 %.
17
Op 26 juni 1995 heeft Cruz & Companhia een voorschot op de restitutie ontvangen.
18
Na de uitvoer heeft Cruz & Companhia aan INGA de documenten inzake de uitvoer overlegd: de facturen, het certificaat, de verklaring van de samenstelling van de goederen, de geselecteerde steekproef en de aangifte van invoer.
19
De producten zijn het derde land van bestemming binnengekomen en zijn ingeklaard.
20
INGA heeft de bankgarantie nooit terugbetaald aan Cruz & Companhia.
21
Na een controle van de regelmatigheid van de door Cruz & Companhia verrichte wijnexport, heeft INGA op 29 juli 2004 beslist dat Cruz & Companhia het als uitvoerrestitutie verkregen bedrag binnen een termijn van 30 dagen moest terugbetalen, en dat anders de nodige stappen zouden worden ondernomen om de bankgarantie uit te winnen.
22
Cruz & Companhia heeft het gevorderde bedrag niet vrijwillig betaald en heeft tegen de beslissing van INGA van 29 juli 2004 beroep ingesteld bij het Tribunal Administrativo e Fiscal de Viseu. Op 25 juli 2008 heeft deze rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
23
Tegen die beslissing heeft Cruz & Companhia hoger beroep ingesteld bij het Tribunal Central Administrativo do Norte. Bij een in kracht van gewijsde gegaan arrest van 9 juli 2009 heeft deze rechtbank het hoger beroep verworpen en het vonnis van het Tribunal Administrativo e Fiscal de Viseu bevestigd.
24
Cruz & Companhia heeft bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen IFAP, de instantie die in de plaats is gekomen van INGA, en CCAM, met het verzoek om vast te stellen dat het voorwerp van de bankgarantie is teniet gegaan op 31 augustus 1995, datum van overlegging van het schriftelijk bewijs dat de producten Angola waren binnengekomen en dat de uitwinning van de bankgarantie door IFAP in deze omstandigheden onrechtmatig was en misbruik vormde. Voorts heeft Cruz & Companhia verzocht om CCAM te gelasten om IFAP de betrokken bankgarantie niet uit te betalen en om IFAP bij wijze van schadevergoeding te veroordelen tot betaling van de door haar gevorderde bedragen.
25
Voor de verwijzende rechter rees de vraag of een aanspraak bestond op definitieve toekenning van het restitutiebedrag en bijgevolg of de zekerheid ter waarborging van de terugbetaling van het voorschot moest worden vrijgegeven, aangezien de exporteur de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer had overgelegd en had bewezen dat de producten het douanegebied van de Unie binnen een termijn van 60 dagen hadden verlaten en het derde land van bestemming waren binnengekomen dan wel of het bovendien noodzakelijk was om na te gaan of de bij wijze van vooruitbetaling op de restitutie ontvangen bedragen, verschuldigd waren.
26
Daarop heeft het Tribunal da Relação de Lisboa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moet de gestelde zekerheid bij vooruitbetaling van de restitutie vervallen worden geacht wanneer blijkt dat de exporteur de documenten inzake de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer heeft overgelegd en het bewijs heeft geleverd dat de producten het douanegebied van de Gemeenschap uiterlijk 60 dagen na die aanvaarding hebben verlaten?
2)
Geldt dit a fortiori wanneer de exporteur eveneens heeft bewezen dat die producten in het derde land van invoer zijn ingeklaard?
3)
Of moet daarentegen worden aangenomen dat voor de vrijgave van de zekerheid niet enkel aan genoemde voorwaarden moet worden voldaan, maar dat ook is vereist dat de staat niet over het recht beschikt om de vooruitbetaalde restitutie op enige andere – met onregelmatigheden bij de uitvoer verband houdende – grond terug te vorderen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
27
Met zijn vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, sub a, van verordening nr. 2220/85 aldus moet worden uitgelegd dat de zekerheid die een exporteur heeft gesteld om terugbetaling te waarborgen van het geïnde voorschot op de uitvoerrestitutie vervallen mag worden geacht wanneer blijkt dat de exporteur de documenten inzake de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer heeft overgelegd en het bewijs heeft geleverd dat de producten het douanegebied van de Unie uiterlijk 60 dagen na die aanvaarding hebben verlaten, en dat die producten in het derde land van invoer zijn ingeklaard.
28
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de lidstaten ingevolge artikel 22 van verordening nr. 3665/87, zodra de aangifte ten uitvoer is aanvaard, gehouden zijn om op verzoek van de exporteur het restitutiebedrag geheel of gedeeltelijk voor te schieten, op voorwaarde dat een zekerheid wordt gesteld.
29
Wat de voorwaarden betreft waaronder die zekerheid moet worden vrijgegeven, zij erop gewezen dat artikel 19, lid 1, sub a, van verordening nr. 2220/85 – dat behoort tot titel IV, met als opschrift „Voorschotten” – bepaalt dat de waarborg wordt vrijgegeven, wanneer is vastgesteld dat de betrokkene definitief recht heeft op het voorschot.
30
Cruz & Companhia stelt in de opmerkingen die zij bij het Hof heeft ingediend dat de gestelde zekerheid ertoe strekt te waarborgen dat binnen de gestelde termijnen is overgegaan tot de uitvoer waarvoor de restitutie was vooruitbetaald, het product in het land van bestemming is aangekomen en in dat land op de markt is gebracht. Onder verwijzing naar artikel 4, lid 1, juncto artikel 18, lid 1, sub b, van verordening nr. 3665/87 voert zij aan dat de zekerheid moet worden vrijgegeven wanneer de exporteur het certificaat van inklaring overlegt, aangezien het recht op restitutie vanaf dat moment definitief wordt.
31
In dit verband zij geconstateerd dat uit de bewoordingen van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3665/87 volgt dat de restitutie slechts mag worden uitbetaald als het bewijs is geleverd dat de producten waarvoor de uitvoeraangifte is aanvaard, uiterlijk zestig dagen na die aanvaarding het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
32
Die bepaling maakt geen gewag van een definitief recht op toekenning van die restitutie.
33
Blijkens de zestiende overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87 beoogt de krachtens artikel 22 van die verordening gestelde zekerheid te waarborgen dat het voorschot zal worden terugbetaald ingeval later mocht blijken dat de restitutie niet had mogen worden uitbetaald.
34
In deze context zij erop gewezen dat artikel 13 van die verordening bepaalt dat restituties niet worden verleend indien de producten niet van „gezonde handelskwaliteit” zijn en als de geschiktheid voor menselijke consumptie, voor zover zij daarvoor zijn bestemd, wegens de eigenschappen ervan of de toestand waarin zij zich bevinden, geheel of in aanzienlijke mate is verloren gegaan.
35
Wat de „gezonde handelskwaliteit” betreft, zij erop gewezen dat artikel 13 van verordening nr. 3665/87 deel uitmaakt van hoofdstuk 1, met als opschrift „Recht op restitutie”, van titel 2, met als opschrift „Uitvoer naar derde landen”, van deze verordening, wat aantoont dat de „gezonde handelskwaliteit” van het uitgevoerde product een materiële voorwaarde is voor de toekenning van restituties (zie arrest Fleisch-Winter, C‑309/04, EU:C:2005:732, punt 28).
36
Uit artikel 13 volgt eveneens dat de lidstaten moeten nagaan of de naar derde landen uitgevoerde producten van gezonde handelskwaliteit zijn (zie in die zin arrest Duitsland/Commissie, C‑54/95, EU:C:1999:11, punt 49).
37
In haar schriftelijke opmerkingen voert de Portugese regering aan dat bij een controle van de werkzaamheden van Cruz & Companhia is vastgesteld dat deze exporteur niet beschikte over de bij specifieke wetgeving verplicht gestelde registers.
38
In dit verband zij in herinnering gebracht dat artikel 71, lid 2, van verordening nr. 822/87 bepaalt dat de natuurlijke of rechtspersonen of groepen van personen die voor de uitoefening van hun beroep de in artikel 1 van deze verordening bedoelde producten van de wijnbouwsector onder zich hebben, en met name producenten, bottelaars, verwerkers en de nader te bepalen handelaren, verplicht zijn om registers bij te houden, inzonderheid van de ontvangen en afgeleverde hoeveelheden van die producten.
39
Voorts volgt uit artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2238/93 dat deze verordening voorziet in de uitvoeringsbepalingen van artikel 71 van verordening nr. 822/87 wat betreft het begeleidende document voor producten van de wijnbouwsector.
40
Opgemerkt moet worden dat indien de exporteur niet heeft voldaan aan de in de verordeningen nrs. 822/87 en 2238/93 neergelegde verplichting om registers bij te houden, hetgeen de verwijzende rechter moet nagaan, de lidstaten niet langer de mogelijkheid hebben om te controleren of de naar de derde landen uitgevoerde producten van gezonde handelskwaliteit zijn in de zin van artikel 13 van verordening nr. 3665/87 en dus om zich ervan te vergewissen of is voldaan aan de voorwaarden met betrekking tot het stelsel van vooruitbetaling van uitvoerrestituties.
41
Uit vaste rechtspraak volgt dat de exporteur de gevolgen moet dragen van de niet-nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de regeling voor de voorfinanciering van uitvoerrestituties (zie, wat de uitlegging van artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3665/87 betreft, arrest Groupe Limagrain Holding, C‑402/10, EU:C:2011:704, punt 52).
42
Op de gestelde vragen moet dus worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, sub a, van verordening nr. 2220/85 aldus moet worden uitgelegd dat de zekerheid die een exporteur heeft gesteld om terugbetaling te waarborgen van het geïnde voorschot op de uitvoerrestitutie niet vervallen mag worden geacht, ook al blijkt dat de exporteur de documenten inzake de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer heeft overgelegd en het bewijs heeft geleverd dat de producten het douanegebied van de Unie uiterlijk 60 dagen na die aanvaarding hebben verlaten, en dat die producten in het derde land van invoer zijn ingeklaard, indien niet is voldaan aan de andere voorwaarden voor de toekenning van de restitutie, met name de in artikel 13 van verordening nr. 3665/87 gestelde voorwaarde van de gezonde handelskwaliteit van de uitgevoerde producten.
Kosten
43
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 19, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3403/93 van de Commissie van 10 december 1993, moet aldus worden uitgelegd dat de zekerheid die een exporteur heeft gesteld om terugbetaling te waarborgen van het geïnde voorschot op de uitvoerrestitutie niet vervallen mag worden geacht, ook al blijkt dat de exporteur de documenten inzake de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer heeft overgelegd en het bewijs heeft geleverd dat de producten het douanegebied van de Europese Unie uiterlijk 60 dagen na die aanvaarding hebben verlaten, en dat die producten in het derde land van invoer zijn ingeklaard, indien niet is voldaan aan de andere voorwaarden voor de toekenning van de restitutie, met name de voorwaarde van de gezonde handelskwaliteit van de uitgevoerde producten zoals gesteld in artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1829/94 van de Commissie van 26 juli 1994.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Portugees.
Full & Egal Universal Law Academy