ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
30 april 2014 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2005/36/EG — Artikelen 21 en 49 — Erkenning van beroepskwalificaties — Toegang tot beroep van architect — Vrijstelling van beroepsstage”
In zaak C‑365/13,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad van State (België) bij beslissing van 20 juni 2013, ingekomen bij het Hof op 1 juli 2013, in de procedure
Orde van Architecten
tegen
Belgische Staat,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: M. Safjan, kamerpresident, J. Malenovský en K. Jürimäe (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
de Orde van Architecten, vertegenwoordigd door J. van Ypersele, advocaat,
—
de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs en L. Van den Broeck als gemachtigden,
—
de Estse regering, vertegenwoordigd door N. Grünberg als gemachtigde,
—
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. García-Valdecasas Dorrego als gemachtigde,
—
de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas en F. Gloaguen als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en H. Støvlbæk als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 21 en 49 van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255, blz. 22, met rectificatie in PB 2008, L 93, blz. 28), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 279/2009 van de Commissie van 6 april 2009 (PB L 93, blz. 11; hierna: „richtlijn 2005/36”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Orde van Architecten en de Belgische Staat over de vrijstelling van de architectenstage waarin het Belgische recht voorziet voor onderdanen van andere lidstaten dan het Koninkrijk België.
Toepasselijke bepalingen
Recht van de Unie
3
Richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma’s, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 223, blz. 15), is ingetrokken bij richtlijn 2005/36.
4
Punt 19 van de considerans van richtlijn 2005/36 luidt als volgt:
„Het vrije verkeer en de onderlinge erkenning van de opleidingstitels van [...] architecten moeten gebaseerd zijn op het grondbeginsel dat opleidingstitels op basis van een coördinatie van de minimumopleidingseisen automatisch worden erkend. [...] Dit systeem moet worden aangevuld met een reeks verworven rechten waarop de gekwalificeerde beroepsbeoefenaren onder bepaalde voorwaarden een beroep kunnen doen.”
5
Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Doel”, bepaalt:
„Deze richtlijn stelt de regels vast volgens welke een lidstaat die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep op zijn grondgebied afhankelijk stelt van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties (hierna de ‚ontvangende lidstaat’ genoemd), de in een andere lidstaat of andere lidstaten (hierna de „lidstaat van oorsprong” genoemd) verworven beroepskwalificaties die de houder van die kwalificaties het recht verlenen er hetzelfde beroep uit te oefenen, erkent voor de toegang tot en de uitoefening van dit beroep.”
6
Artikel 4, lid 1, van de richtlijn bepaalt:
„Erkenning van de beroepskwalificaties door de ontvangende lidstaat geeft de begunstigde in deze lidstaat toegang tot hetzelfde beroep als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit en stelt hem in staat dit beroep uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden.”
7
Artikel 21 van de richtlijn, met als opschrift „Beginsel van automatische erkenning”, bepaalt in de leden 1 en 5:
„1. Elke lidstaat erkent de opleidingstitels van [...] architecten, zoals bedoeld [in bijlage V, punt 5.7.1], die voldoen aan de minimumopleidingseisen van [artikel 46], door daaraan op zijn grondgebied, wat de toegang tot en uitoefening van de betrokken beroepswerkzaamheden betreft, hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hem afgegeven opleidingstitels.
Deze opleidingstitels moeten door bevoegde instellingen van de lidstaten zijn afgegeven en, in voorkomend geval, vergezeld gaan van het certificaat, zoals bedoeld [in bijlage V, punt 5.7.1].
Het bepaalde in de eerste en tweede alinea laat de [met name in artikel 49] bedoelde verworven rechten onverlet.
[...]
5. De in bijlage V, punt 5.7.1, bedoelde opleidingstitels van architect, die op grond van lid 1 automatisch worden erkend, vormen de afsluiting van een opleiding die niet eerder dan gedurende het in die bijlage bedoelde referentieacademiejaar is begonnen.”
8
Artikel 46 van richtlijn 2005/36, met als opschrift „Opleiding tot architect”, bepaalt in lid 1:
„De opleiding tot architect omvat in totaal ten minste, hetzij vier jaar studie op voltijdbasis, hetzij zes jaar studie waarvan ten minste drie jaar voltijds, aan een universiteit of een vergelijkbare onderwijsinstelling. Ter afsluiting van deze opleiding moet met goed gevolg een examen op universitair niveau worden afgelegd.
Deze opleiding op universitair niveau, die hoofdzakelijk betrekking heeft op de architectuur, moet evenveel aandacht besteden aan de theoretische als aan de praktische aspecten van de architectuuropleiding en moet de verwerving van de hieronder genoemde kennis en bekwaamheid waarborgen:
[...]”
9
Artikel 49 van de richtlijn, met als opschrift „Specifieke verworven rechten van architecten”, bepaalt:
„1. Elke lidstaat erkent de in bijlage VI bedoelde opleidingstitels van architect die door de andere lidstaten zijn afgegeven ter afsluiting van een opleiding waarmee uiterlijk gedurende het in de genoemde bijlage opgenomen referentieacademiejaar is begonnen, ook al voldoen zij niet aan de in artikel 46 bedoelde minimumeisen, door daaraan met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de beroepswerkzaamheden van architect op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf afgegeven opleidingstitels van architect.
[...]
2. Onverminderd de eerste alinea erkent elke lidstaat, door daaraan met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van architect onder de beroepstitel van architect op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf afgegeven opleidingstitels, de verklaringen die aan onderdanen van de lidstaten zijn afgegeven door lidstaten die op de volgende tijdstippen een regeling kennen voor de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van architect [...]
[...]
De in lid 1 bedoelde verklaringen bevestigen dat de houder ervan [...] toestemming heeft gekregen om de beroepstitel van architect te voeren, en dat hij in het kader van deze regeling de betrokken werkzaamheden tijdens de vijf jaar die aan de afgifte van die verklaringen voorafgaan gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren daadwerkelijk heeft uitgeoefend.”
Belgisch recht
10
Artikel 1 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect (Belgisch Staatsblad van 25 maart 1939, blz. 1942), zoals gewijzigd bij de wet van 21 november 2008 tot omzetting van de richtlijnen 2005/36/EG en 2006/100/EG en tot wijziging van de wetten van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten (Belgisch Staatsblad van 11 februari 2009, blz. 11596; hierna: „wet van 20 februari 1939”), bepaalt:
„§ 1. Niemand mag de titel voeren van architect [...] indien hij niet in het bezit is van een diploma, waaruit blijkt dat hij met goed gevolg de examenproeven heeft afgelegd, welke vereist zijn voor het bekomen van dit diploma.
§ 2. Onverminderd de paragrafen 1 en 4 en de artikelen 7 en 12 van deze wet, mogen de Belgen en de onderdanen van de andere lidstaten van de Europese Gemeenschap of van een andere Staat die partij is bij het Akkoord over de Europese economische ruimte [van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-Overeenkomst”)] in België de titel van architect voeren als zij in het bezit zijn van een diploma, een certificaat of een andere titel als bedoeld in bijlage 1, sub b, bij deze wet, zoals die is gewijzigd door de gepubliceerde bijwerkingen in het Publicatieblad van de Europese Unie overeenkomstig artikel 21, lid 7, alinea 2, van [richtlijn 2005/36/EG]. Die bijwerkingen worden volledig in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
§ 2/1. De Belgische Staat erkent de in bijlage 2, sub a, bedoelde opleidingstitels van architect die door de andere lidstaten zijn afgegeven ter afsluiting van een opleiding waarmee uiterlijk gedurende het in de genoemde bijlage opgenomen referentieacademiejaar is begonnen, ook al voldoen deze titels niet aan de in bijlage 1, sub a, bedoelde minimumeisen. De Belgische Staat kent aan deze titels hetzelfde rechtsgevolg toe met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de beroepswerkzaamheden van architect op zijn grondgebied als aan de door hemzelf afgegeven opleidingstitels van architect.
[...]
§ 2/2. Onverminderd paragraaf 2/1, zijn de verklaringen die aan onderdanen van de lidstaten zijn afgegeven door lidstaten die op de volgende tijdstippen een regeling kennen voor de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van architect, erkend:
[...]
De in het eerste lid bedoelde verklaringen bevestigen dat de houder ervan uiterlijk op deze datum toestemming heeft gekregen om de titel van architect te voeren, en dat hij in het kader van deze regeling de betrokken werkzaamheden tijdens de vijf jaar die aan de afgifte van die verklaringen voorafgaan, gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren daadwerkelijk heeft uitgeoefend.
[...]”
11
Artikel 50, eerste alinea, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten (Belgisch Staatsblad van 5 juli 1963, blz. 6945), zoals gewijzigd bij de wet van 22 december 2009 tot aanpassing van sommige wetgevingen aan de richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt (Belgisch Staatsblad van 29 december 2009, blz. 82151; hierna: „wet van 26 juni 1963”), bepaalt:
„Niemand kan zijn inschrijving op een tabel van de Orde aanvragen tenzij hij bij een sedert ten minste tien jaar op de tabel ingeschreven persoon een stage van twee jaar heeft doorgemaakt.”
12
Artikel 52, sub a, van de wet van 26 juni 1963 luidt als volgt:
„De raden van de Orde verlenen gehele of gedeeltelijke vrijstelling van stage, volgens de voorwaarden bepaald door de Koning:
a)
aan de onderdanen van de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap of een andere staat die partij is bij [de EER-Overeenkomst] die in het buitenland prestaties hebben geleverd, die gelijkwaardig met de stage worden geacht.”
13
Artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 maart 2011 betreffende de vrijstelling van de stage van architect (Belgisch Staatsblad van 11 april 2011, blz. 23207; hierna: „koninklijk besluit van 23 maart 2007”) bepaalt:
„De raden van de Orde van Architecten stellen de onderdanen van de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap of een andere staat die partij is bij [de EER-Overeenkomst], die in het bezit zijn van een diploma, certificaat of andere titel bedoeld in artikel 1, § 2/2 en de bijlagen 1, sub b, en 2, sub a en b, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, vrij van de stage voorzien in artikel 50 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten.
Het eerste lid is niet van toepassing op diploma’s, certificaten of andere titels afgeleverd door een Belgische instelling bedoeld in de bijlagen 1, sub b en 2, sub a, van de voormelde wet van 20 februari 1939.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
14
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een beroep tot nietigverklaring van het koninklijk besluit van 23 maart 2011 dat de Orde van Architecten bij verzoekschrift van 25 mei 2011 aanhangig heeft gemaakt bij de Raad van State.
15
Ter ondersteuning van dit beroep voert de Orde van Architecten aan dat de artikelen 50 en 52, sub a, van de wet van 26 juni 1963 zijn geschonden. Het koninklijk besluit van 23 maart 2007 voorziet namelijk in een vrijstelling van de stageverplichting voor alle onderdanen van een lidstaat die partij is bij de EER-Overeenkomst of van een andere lidstaat dan het Koninkrijk België die in het bezit zijn van een diploma, certificaat of andere titel bedoeld in artikel 1, § 2/2 en de bijlagen 1, sub b, en 2, sub a en b, van de wet van 20 februari 1939. Het koninklijk besluit stelt deze vrijstelling echter niet afhankelijk van de naleving van voorwaarden op basis waarvan kan worden nagegaan of deze onderdanen in het buitenland prestaties hebben geleverd die gelijkwaardig met de stage worden geacht. Dit koninklijk besluit voorziet dus in een algemene vrijstelling van de stage op basis van de opgesomde kwalificaties, zonder hieraan de voorwaarde te verbinden dat de lidstaat van oorsprong de houder van deze kwalificaties toegang verleent tot het beroep van architect. Bovendien zijn de bijlagen V en VI bij richtlijn 2005/36 niet juist omgezet in het Belgische recht, te weten in de bijlagen 1, sub b, en 2, sub a, van de wet van 20 februari 1939. Dit leidt ertoe dat houders van een architectendiploma die niet beschikken over een aanvullend certificaat waarmee zij in hun lidstaat van oorsprong toegang krijgen tot het beroep van architect, in België wel toegang hebben tot dat beroep zonder dat de Orde van Architecten hun een stageverplichting kan opleggen, aangezien het koninklijk besluit van 23 maart 2011 voorziet in een vrijstelling daarvan.
16
De verwijzende rechter preciseert dienaangaande dat de verwijzing in het koninklijk besluit van 23 maart 2011 naar de titels in de bijlagen 1, sub b, en 2, sub a, van de wet van 20 februari 1939 geen garantie biedt voor het bestaan van een minimale beroepservaring aangezien deze bijlagen de opleidingstitels opsommen zonder te vereisen dat zij vergezeld gaan van een certificaat dat bevestigt dat de betrokkene daadwerkelijk als architect werkzaam is geweest. Hieruit maakt hij op dat uit dit koninklijk besluit niet blijkt dat de houders van de daarin bedoelde titels alleen recht hebben op de vrijstelling van stage als zij volledig gekwalificeerde beroepsbeoefenaars zijn. Volgens hem volgt hieruit dat dit koninklijk besluit artikel 52, lid 1, van de wet van 26 juni 1963 schendt, op basis waarvan de betrokken onderdanen alleen recht hebben op de vrijstelling als zij in het buitenland prestaties hebben geleverd die gelijkwaardig met de stage worden geacht. Het enkele bezit van de titel volstaat niet om dit aan te tonen. Evenwel dient nog te worden onderzocht of artikel 52, lid 1, van de wet van 26 juni 1963 verenigbaar is met de artikelen 21, lid 1, en 49, van richtlijn 2005/36.
17
In deze omstandigheden heeft de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moeten de artikelen 21 en 49 van [richtlijn 2005/36/EG], voor zover zij elke lidstaat verplichten om op zijn grondgebied aan de daarin bedoelde opleidingstitels hetzelfde rechtsgevolg met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van beroepswerkzaamheden toe te kennen als aan de opleidingstitels die hij zelf afgeeft, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat van de houder van een opleidingstitel van architect in de zin van artikel 46 van deze richtlijn of van een titel in de zin van artikel 49, [lid] 1, ervan niet mag eisen dat hij daarnaast een gelijkwaardige beroepsstage heeft gelopen of over een gelijkwaardige ervaring beschikt als die welke de houders van op hun grondgebied afgegeven diploma’s na verwerving ervan moeten voorleggen, om op een tabel van de Orde van Architecten te kunnen worden ingeschreven?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 21 en 49 van richtlijn 2005/36, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de ontvangende lidstaat de houder van een in de lidstaat van oorsprong verworven beroepskwalificatie verplicht een stage te lopen of te bewijzen dat hij over een gelijkwaardige beroepservaring beschikt om het beroep van architect te mogen uitoefenen.
19
Zoals reeds gezegd voorziet deze richtlijn in de onderlinge erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot bepaalde gereglementeerde beroepen. Zoals blijkt uit de artikelen 1 en 4, lid 1, van de richtlijn, bestaat het hoofddoel van de onderlinge erkenning erin om de houder van een beroepskwalificatie die hem in de lidstaat van oorsprong toegang geeft tot een gereglementeerd beroep, in de ontvangende lidstaat toegang te bieden tot hetzelfde beroep als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong gekwalificeerd is en om hem in staat te stellen dit beroep daar onder dezelfde voorwaarden uit te oefenen als de eigen onderdanen van deze lidstaat.
20
Wat met name het beroep van architect betreft, voorziet de richtlijn, zoals uit punt 19 van de considerans daarvan blijkt, in de automatische erkenning van opleidingstitels op basis van een coördinatie van de minimumopleidingseisen.
21
Volgens de rechtspraak over richtlijn 85/384, die is ingetrokken door richtlijn 2005/36, staat een dergelijke automatische erkenning van opleidingstitels er aan in de weg dat de ontvangende lidstaat de erkenning van beroepskwalificaties die voldoen aan de in het Unierecht neergelegde kwalificatievoorwaarden afhankelijk stelt van aanvullende voorwaarden (zie in die zin arresten Commissie/Portugal, C‑43/06, EU:C:2007:300, punten 27 en 28, en Ordine degli Ingegneri di Verona e Provincia e.a., C‑111/12, EU:C:2013:100, punten 43 en 44).
22
Deze overweging geldt ook voor richtlijn 2005/36. In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de bewoordingen van deze richtlijn niet dubbelzinnig zijn. Wat de toegang tot het beroep van architect betreft, bepaalt artikel 21, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn dat de lidstaten de in bijlage V, punt 5.7.1, bedoelde opleidingstitels erkennen door daaraan, wat deze toegang betreft, hetzelfde gevolg te geven als aan de door hen afgegeven titels. Ingevolge artikel 21, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2005/36 moeten deze titels door bevoegde instellingen van de lidstaten zijn afgegeven en, in voorkomend geval, vergezeld gaan van aanvullende certificaten. Bijlage V, punt 5.7.1, bij de richtlijn somt voor elke lidstaat de opleidingstitels op, alsook de instellingen die bevoegd zijn om deze titels uit te reiken, en de aanvullende certificaten die toegang bieden tot het beroep van architect. Deze titels en certificaten stemmen overeen met de in artikel 46 van de richtlijn omschreven minimumopleidingseisen.
23
Artikel 21, lid 1, van richtlijn 2005/36 wordt aangevuld door artikel 49 van de richtlijn. Uit artikel 49, lid 1, van richtlijn 2005/36 vloeit voort dat de lidstaten de in bijlage VI van deze richtlijn bedoelde titels moeten erkennen die zijn afgegeven ter afsluiting van een opleiding waarmee uiterlijk gedurende het in deze bijlage opgenomen referentieacademiejaar is begonnen, ook al voldoen zij niet aan de in artikel 46 van de richtlijn bedoelde minimumeisen. Wat betreft de toegang tot het beroep van architect, moeten de lidstaten aan deze titels hetzelfde rechtsgevolg geven als aan de door hen afgegeven titels.
24
Hieruit vloeit voort dat het stelsel van automatische erkenning van beroepskwalificaties dat, wat het beroep van architect betreft, is neergelegd in de artikelen 21, 46 en 49 van richtlijn 2005/36, geen enkele beoordelingsruimte laat aan de lidstaten. Wanneer een onderdaan van een lidstaat houder is van een van de in punt 5.7.1 van bijlage V of bijlage VI bij deze richtlijn opgesomde opleidingstitels en aanvullende certificaten, moet hij het beroep van architect kunnen uitoefenen in een andere lidstaat zonder dat deze lidstaat hem ertoe kan verplichten om aanvullende beroepskwalificaties te verwerven of te bewijzen dat hij deze kwalificaties heeft verworven.
25
In de tweede plaats geldt het uit punt 21 van dit arrest voortvloeiende verbod om aanvullende voorwaarden te stellen des te meer aangezien richtlijn 2005/36 het automatische karakter van de erkenning van beroepstitels, wat het beroep van architect betreft, versterkt ten opzichte van richtlijn 85/384. Op basis van artikel 23, lid 1, van deze laatste richtlijn kon een lidstaat immers aanvullende stageverplichtingen opleggen aan houders van in een andere lidstaat afgegeven opleidingstitels, ook al kwamen deze titels in aanmerking voor onderlinge erkenning. Richtlijn 2005/36 heeft deze mogelijkheid ingetrokken zonder de bepalingen inzake onderlinge erkenning principieel te wijzigen. Het zijn juist deze bepalingen waarop de hierboven in punt 21 aangehaalde rechtspraak betrekking heeft.
26
Het is echter van belang te preciseren dat de beginselen van het in richtlijn 2005/36 vervatte stelsel van automatische onderlinge erkenning van beroepskwalificaties weliswaar zijn opgenomen in de artikelen 21, 46 en 49 van deze richtlijn, maar dat de uitvoering van dit systeem, zoals uit de punten 22 en 23 van dit arrest blijkt, inhoudelijk berust op de bijlagen V en VI van deze richtlijn. De goede werking van het in richtlijn 2005/36 vervatte stelsel van automatische onderlinge erkenning veronderstelt dus dat de lidstaten niet alleen de artikelen 21, 46 en 49 van deze richtlijn juist hebben omgezet, maar ook de bijlagen V en VI daarvan.
27
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 21 en 49 van richtlijn 2005/36 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de ontvangende lidstaat de houder van een in de lidstaat van oorsprong verworven beroepskwalificatie zoals bedoeld in bijlage V, punt 5.7.1, of VI bij deze richtlijn, ertoe verplicht een stage te lopen of te bewijzen dat hij over een gelijkwaardige beroepservaring beschikt om het beroep van architect te mogen uitoefenen.
Kosten
28
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 21 en 49 van richtlijn 2005/36 van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 279/2009 van de Commissie van 6 april 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de ontvangende lidstaat de houder van een in de lidstaat van oorsprong verworven beroepskwalificatie zoals bedoeld in bijlage V, punt 5.7.1, of VI bij deze richtlijn, ertoe verplicht een stage te lopen of te bewijzen dat hij over een gelijkwaardige beroepservaring beschikt om het beroep van architect te mogen uitoefenen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy