ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
8 september 2015 ( *1 )
„Hogere voorziening — Dumping — Verordening (EG) nr. 384/96 — Artikelen 4, lid 1, 5, lid 4, en 9, lid 1 — Verordening (EG) nr. 1205/2007 — Invoer van geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen (CFL-i’s) uit China, Vietnam, Pakistan en de Filipijnen — Schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap — Groot deel van de totale communautaire productie van soortgelijke producten”
In zaak C‑511/13 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 23 september 2013,
Philips Lighting Poland S.A., gevestigd te Piła (Polen),
Philips Lighting BV, gevestigd te Eindhoven (Nederland),
vertegenwoordigd door L. Catrain González, abogada, en E. Wright, barrister,
rekwirantes,
andere partijen in de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Boelaert als gemachtigde, bijgestaan door S. Gubel, avocat, en B. O’Connor, solicitor,
verweerder in eerste aanleg,
Hangzhou Duralamp Electronics Co. Ltd, gevestigd te Hangzhou (China),
GE Hungary Ipari és Kereskedelmi Zrt. (GE Hungary Zrt.), gevestigd te Boedapest (Hongarije),
Osram GmbH, gevestigd te München (Duitsland), vertegenwoordigd door R. Bierwagen en C. Hipp, Rechtsanwälte,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Armati en J.‑F. Brakeland als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: V. Skouris, president, K. Lenaerts, vicepresident, M. Ilešič, L. Bay Larsen, T. von Danwitz en K. Jürimäe, kamerpresidenten, A. Rosas, E. Juhász (rapporteur), C. Toader, M. Safjan, D. Šváby, M. Berger, A. Prechal, E. Jarašiūnas en C. Lycourgos, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 februari 2015,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 maart 2015,
het navolgende
Arrest
1
Met hun hogere voorziening verzoeken Philips Lighting Poland S.A. (hierna: „Philips Poland”) en Philips Lighting BV (hierna: „Philips Nederland”) om vernietiging van het arrest van 11 juli 2013, Philips Lighting Poland en Philips Lighting/Raad (T‑469/07, EU:T:2013:370; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht van de Europese Unie hun beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1205/2007 van de Raad van 15 oktober 2007 tot instelling van een antidumpingrecht op geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen (CFL-i’s) van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 384/96, en tot uitbreiding van dat recht tot hetzelfde product dat vanuit de Socialistische Republiek Vietnam, de Islamitische Republiek Pakistan en de Republiek der Filipijnen wordt verzonden (PB L 272, blz. 1; hierna: „litigieuze verordening”) heeft verworpen.
Toepasselijke bepalingen
Antidumpingovereenkomst van 1994
2
Bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1), heeft de Raad van de Europese Unie de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die op 15 april 1994 te Marrakech is ondertekend, goedgekeurd, alsmede de overeenkomsten die in de bijlagen 1 tot en met 3 bij deze overeenkomst zijn opgenomen, waaronder de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994 (PB L 336, blz. 11; hierna: „GATT 1994”) en de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994 (PB L 336, blz. 103; hierna: „antidumpingovereenkomst van 1994”).
3
Artikel 1 van laatstbedoelde overeenkomst bepaalt:
„Antidumpingmaatregelen worden uitsluitend genomen in de omstandigheden bedoeld in artikel VI van de GATT 1994 nadat overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst een onderzoek is geopend [...] en uitgevoerd. Wanneer maatregelen worden getroffen uit hoofde van de antidumpingwetgeving of ‑voorschriften geven de hiernavolgende bepalingen uitvoering aan artikel VI van de GATT 1994.”
4
Artikel 4.1 van deze overeenkomst bepaalt met name:
„In de zin van deze overeenkomst wordt onder ‚binnenlandse bedrijfstak’ verstaan de gezamenlijke binnenlandse producenten van de soortgelijke producten of dat deel van de binnenlandse producenten wier gezamenlijke productie van de betrokken producten een groot deel van de totale binnenlandse productie van die producten uitmaakt. [...]”
5
Artikel 5 van deze overeenkomst luidt:
„5.1 Behoudens het bepaalde in lid 6, wordt een onderzoek naar het bestaan, de mate en de gevolgen van dumping geopend naar aanleiding van een schriftelijk verzoek van of namens de binnenlandse bedrijfstak.
[...]
5.4 Een onderzoek op grond van lid 1 wordt eerst geopend nadat de autoriteiten, aan de hand van een onderzoek naar de mate waarin het verzoek door de binnenlandse producenten van het soortgelijke product wordt gesteund [...], hebben vastgesteld dat het verzoek door of namens de binnenlandse bedrijfstak is ingediend [...]. Het verzoek wordt geacht ‚door of namens de binnenlandse bedrijfstak’ te zijn gedaan indien het gesteund wordt door de binnenlandse producenten wier gezamenlijke productie meer dan 50 % bedraagt van de totale productie van het soortgelijke product dat vervaardigd wordt door dat deel van de binnenlandse bedrijfstak dat zich voor of tegen het verzoek heeft uitgesproken. Er wordt geen onderzoek geopend wanneer de binnenlandse producenten die het verzoek uitdrukkelijk steunen minder dan 25 % van de totale productie van het soortgelijke product door de binnenlandse bedrijfstak vertegenwoordigen.
[...]”
Verordening nr. 384/96
6
De regeling van toepassing op de feiten in de onderhavige zaak is verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2117/2005 van de Raad van 21 december 2005 (PB L 340, blz. 17; hierna: „basisverordening”). De basisverordening is ingetrokken en vervangen bij verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343, blz. 5). Laatstbedoelde verordening is ratione temporis niet van toepassing in de onderhavige zaak.
7
De overwegingen 1 tot en met 3 en 5 van de basisverordening luidden:
„(1)
Overwegende dat de Raad bij verordening (EEG) nr. 2423/88 [van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 209, blz. 1)] gemeenschappelijke regels heeft vastgesteld betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap;
(2)
Overwegende dat deze regels werden vastgesteld overeenkomstig de bestaande internationale verplichtingen, in het bijzonder die welke voortvloeien uit artikel VI van de Algemene Overeenkomst [van 30 oktober 1947] betreffende Tarieven en Handel (GATT), de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de [Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, goedgekeurd namens de Gemeenschap bij besluit 80/271/EEG van de Raad van 10 december 1979 betreffende de sluiting van de multilaterale overeenkomsten waarover tijdens de handelsbesprekingen 1973‑1979 overeenstemming is bereikt (PB 1980, L 71, blz. 1)] (antidumpingcode van 1979) en de Overeenkomst inzake de uitlegging en de toepassing van de artikelen VI, XVI en XXIII van de [Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, goedgekeurd namens de Gemeenschap bij datzelfde besluit] (code inzake subsidies en compenserende rechten);
(3)
Overwegende dat de in 1994 voltooide multilaterale handelsbesprekingen tot nieuwe overeenkomsten inzake de toepassing van artikel VI van de GATT hebben geleid en het derhalve dienstig is de Gemeenschapswetgeving aan deze nieuwe overeenkomsten aan te passen; [...]
[...]
(5)
Overwegende dat de nieuwe overeenkomst inzake dumping, namelijk de [antidumpingovereenkomst van 1994], nieuwe en gedetailleerde bepalingen bevat, meer bepaald met betrekking tot de berekening van de dumping, de procedures voor de opening en de verrichting van een onderzoek, met inbegrip van de vaststelling van de feiten en de behandeling van de gegevens, de instelling van voorlopige maatregelen, de instelling en de inning van antidumpingrechten, de duur en de herziening van antidumpingmaatregelen en de openbaarmaking van informatie betreffende het antidumpingonderzoek; dat het, gezien de omvang van de wijzigingen en ter verzekering van een correcte en doorzichtige uitvoering van de nieuwe regels, aanbeveling verdient, de nieuwe overeenkomsten voor zover mogelijk in Gemeenschapsrecht om te zetten;”
8
Artikel 3 van de basisverordening, „Vaststelling van schade”, bepaalde in lid 1 dat „[v]oor de toepassing van deze verordening [...] onder ‚schade’, tenzij anders bepaald, [wordt] verstaan aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap, dreiging van aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap of aanmerkelijke vertraging van de vestiging van een dergelijke bedrijfstak en [...] dit begrip overeenkomstig de bepalingen van dit artikel [wordt] uitgelegd”.
9
Artikel 4 van die verordening, „Omschrijving van het begrip ,bedrijfstak van de Gemeenschap’”, bepaalde in lid 1 dat „[i]n de zin van deze verordening [...] onder ‚bedrijfstak van de Gemeenschap’ [wordt] verstaan alle producenten in de Gemeenschap van soortgelijke producten of diegenen van deze producenten wier gezamenlijke productie van de betrokken producten een groot deel van de totale communautaire productie van deze producten als omschreven in artikel 5, lid 4, uitmaakt”.
10
Artikel 5 van de basisverordening, met als opschrift „Inleiding van de procedure”, luidde:
„1. Behoudens het bepaalde in lid 6, wordt een onderzoek naar het bestaan, de omvang en de gevolgen van dumping geopend naar aanleiding van een schriftelijke klacht die door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid namens een bedrijfstak van de Gemeenschap wordt ingediend.
[...]
2. Een klacht overeenkomstig lid 1 behoort bewijsmateriaal te bevatten ten aanzien van dumping, schade en het oorzakelijke verband tussen de beweerde invoer met dumping en de gestelde schade. [...]
3. De Commissie onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid en de toereikendheid van het in de klacht vermelde bewijsmateriaal teneinde vast te stellen of dit voldoende is om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen.
4. Een onderzoek op grond van lid 1 wordt eerst geopend, nadat aan de hand van een onderzoek naar de mate waarin de klacht door de producenten van het soortgelijke product in de Gemeenschap wordt gesteund dan wel betwist wordt, is vastgesteld dat deze door of namens de bedrijfstak van de Gemeenschap is ingediend. De klacht wordt geacht ,door of namens de bedrijfstak van de Gemeenschap te zijn ingediend’ indien zij wordt gesteund door de producenten in de Gemeenschap wier gezamenlijke productie meer dan 50 % bedraagt van de totale productie van het soortgelijke product dat wordt vervaardigd door dat deel van de bedrijfstak van de Gemeenschap dat zich voor of tegen de klacht heeft uitgesproken. Er wordt evenwel geen onderzoek geopend wanneer de producenten in de Gemeenschap die de klacht uitdrukkelijk steunen, minder dan 25 % van de totale productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap voor hun rekening nemen.
[...]”
11
In artikel 9 van de verordening was bepaald onder welke voorwaarden een onderzoek werd beëindigd, met of zonder de instelling van een antidumpingmaatregel. Het bepaalde:
„1. Wanneer de klacht wordt ingetrokken, kan de procedure worden beëindigd, tenzij dit strijdig met het belang van de Gemeenschap is.
2. Wanneer, na overleg, blijkt dat beschermende maatregelen overbodig zijn en het raadgevend comité geen bezwaar maakt, wordt het onderzoek of de procedure beëindigd. In alle andere gevallen doet de Commissie de Raad onverwijld een verslag over de resultaten van het overleg toekomen, tezamen met een voorstel tot beëindiging van de procedure. De procedure wordt geacht te zijn beëindigd indien de Raad niet binnen een maand met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een ander besluit neemt.
[...]
4. Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er dumping plaatsvindt en daardoor schade wordt veroorzaakt, en het in het belang van de Gemeenschap is om maatregelen in de zin van artikel 21 te nemen, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Raadgevend Comité, een definitief antidumpingrecht in. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. [...]
[...]”
12
In artikel 11, leden 2 en 5, van de basisverordening was bepaald:
„2. Een definitieve antidumpingmaatregel vervalt vijf jaar nadat hij is ingesteld of vijf jaar na de datum van beëindiging van het meest recente nieuwe onderzoek dat zowel op de dumping als op de schade betrekking heeft gehad, tenzij bij een nieuw onderzoek wordt vastgesteld, dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden. Een nieuw onderzoek bij het vervallen van een maatregel wordt op initiatief van de Commissie dan wel op verzoek van of namens een bedrijfstak van de Gemeenschap geopend en de maatregel blijft van kracht, totdat de resultaten van dit onderzoek bekend zijn.
[...]
5. De bepalingen van deze verordening betreffende procedures en onderzoeken, met uitzondering van die welke betrekking hebben op termijnen, zijn van toepassing op alle herzieningsprocedures op grond van de leden 2, 3 en 4 van dit artikel. [...]
[...]”
Verordeningen nr. 1470/2001 en nr. 866/2005
13
Na een onderzoek dat was geopend na een klacht van de European Lighting Companies Federation op 4 april 2000 heeft de Raad verordening (EG) nr. 1470/2001 van 16 juli 2001 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen (CFL-i) uit de Volksrepubliek China en tot definitieve inning van de ingestelde voorlopige rechten (PB L 195, blz. 8) vastgesteld.
14
Na een onderzoek naar mogelijke ontwijking van die rechten heeft de Raad daarnaast verordening (EG) nr. 866/2005 van 6 juni 2005 tot uitbreiding van de definitieve antidumpingmaatregelen die bij verordening nr. 1470/2001 werden ingesteld op geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen uit de Volksrepubliek China tot hetzelfde product dat vanuit Vietnam, Pakistan en de Filipijnen wordt verzonden (PB L 145, blz. 1) vastgesteld.
15
Verordening nr. 1470/2001 is vervolgens gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1322/2006 van de Raad van 1 september 2006 (PB L 244, blz. 1).
Voorgeschiedenis van het geding en bestreden arrest
16
Na de bekendmaking van een bericht van het naderende vervallen van de bij verordening nr. 1470/2001 vastgestelde antidumpingmaatregelen (PB 2005, C 254, blz. 2), is bij de Commissie een verzoek om een nieuw onderzoek van die maatregelen ingediend door de Community Federation of Lighting Industry of Compact Fluorescent Lamps Integrated, die optrad in naam van Osram GmbH (hierna: „Osram”).
17
Op 12 juni 2006 heeft de Commissie een vragenlijst gestuurd naar de vier producenten van geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen (hierna: „CFL-i”) in de Gemeenschap, te weten GE Hungary Ipari és Kereskedelmi Zrt. (GE Hungary Zrt.) (hierna: „GE Hungary”), Osram, Philips Poland en SLI Sylvania Lighting International (hierna: „Sylvania”).
18
GE Hungary en Osram hebben in hun antwoord meegedeeld dat zij voor de inleiding van de procedure voor een nieuw onderzoek waren, terwijl Philips Poland en Philips Nederland zich tegen een dergelijke procedure hebben verzet. Sylvania heeft niet op de vragenlijst geantwoord.
19
De Commissie was van mening dat er voldoende aanwijzingen waren om een nieuw onderzoek te openen. Zij heeft derhalve een dergelijke procedure ingeleid en een onderzoek geopend met betrekking tot de periode van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006.
20
Op 26 november 2006 heeft GE Hungary de Commissie meegedeeld dat zij niet langer van mening was dat de betrokken antidumpingmaatregelen moesten worden gehandhaafd, terwijl Sylvania de Commissie op 19 december 2006 heeft laten weten dat het volgens haar niet in het belang van de Gemeenschap was om de betrokken antidumpingmaatregelen te handhaven.
21
Op 10 juli 2007 heeft de Commissie in een mededeling van feiten en overwegingen aangegeven dat zij voornemens was om de beëindiging van het nieuwe onderzoek voor te stellen. In die mededeling verduidelijkte zij met name dat het verzoek om een nieuw onderzoek ten tijde van de opening van die procedure weliswaar door een groot deel van de communautaire productie werd gesteund, maar dat de gezamenlijke productie van de producenten die zich verzetten tegen dit verzoek nu iets meer dan 50 % van de totale communautaire productie bedroeg. Zij kwam bijgevolg tot de conclusie dat de betrokken antidumpingmaatregelen moesten worden opgeheven en de procedure moest worden beëindigd.
22
Op 24 en 25 juli 2007 hebben Philips Poland en de Community Federation of Lighting Industry of Compact Fluorescent Lamps Integrated opmerkingen over die mededeling ingediend.
23
Op 31 augustus 2007 heeft de Commissie in een nieuwe algemene mededeling te kennen heeft gegeven dat zij uiteindelijk tot de slotsom was gekomen dat het in het belang van de Gemeenschap aangewezen was om de geldigheidsduur van de betrokken antidumpingmaatregelen met een jaar te verlengen.
24
De Raad heeft op 15 oktober 2007 de litigieuze verordening vastgesteld.
25
Bij een op 21 december 2007 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben rekwirantes verzocht om nietigverklaring van de litigieuze verordening.
26
Ter ondersteuning van hun beroep hebben zij drie middelen aangevoerd, waarvan de eerste twee schending van de artikelen 3, lid 1, 9, leden 1 en 4, en 11, lid 2, van de basisverordening betroffen.
27
Zij betoogden met name dat de instellingen van de Europese Unie de antidumpingprocedure niet konden voortzetten indien de steun voor de klacht was afgenomen, alsook dat de Raad zich bij de beoordeling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade niet uitsluitend op de gegevens van Osram mocht baseren, aangezien deze slechts ongeveer 48 % van de totale communautaire productie vertegenwoordigde en niet als een „groot deel” daarvan kon worden aangemerkt.
28
Het Gerecht heeft de twee middelen betreffende schending van de artikelen 3, lid 1, 9, leden 1 en 4, en 11, lid 2, van de basisverordening afgewezen en daartoe in de eerste plaats onderzocht of de instellingen van de Unie het nieuwe onderzoek mochten voortzetten ondanks de omstandigheid dat, wat betreft de steun van de producenten van CFL-i voor de betrokken klacht, de in artikel 5, lid 4, van die verordening bedoelde grens van 50 % niet meer werd gehaald.
29
Om te beginnen heeft het Gerecht in de punten 75 tot en met 78 van het bestreden arrest in herinnering gebracht dat het verzoek om een nieuw onderzoek aanvankelijk werd gesteund door GE Hungary en Osram, die samen meer dan 50 % van de totale communautaire CFL-i-productie vertegenwoordigden, terwijl Philips Poland zich tegen de inleiding van die procedure had verzet en Sylvania geen standpunt had ingenomen. Die situatie is echter enkele maanden na de opening van het betrokken nieuwe onderzoek gewijzigd, toen GE Hungary en Sylvania aan de Commissie in de loop van haar onderzoek hebben meegedeeld dat zij vanaf dat moment tegen de handhaving van de betrokken antidumpingmaatregelen waren. Hierdoor zakte het aandeel van de gezamenlijke productie van de producenten in de Gemeenschap die het verzoek om een nieuw onderzoek steunden, hoewel nog steeds ruim boven de in artikel 5, lid 4, van de basisverordening gestelde grens van 25 %, licht onder de in diezelfde bepaling vermelde grens van 50 %. De enige producent in de Gemeenschap die het verzoek bleef steunen, Osram, vertegenwoordigde immers 48 % van de totale communautaire productie, terwijl de drie andere producenten – die zich verzetten tegen het verzoek – samen de resterende 52 % uitmaakten.
30
Vervolgens heeft het Gerecht er in punt 84 van het bestreden arrest op gewezen dat het reeds in zijn arrest Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad (T‑249/06, EU:T:2009:62) had geoordeeld dat artikel 5, lid 4, van deze verordening voor de Commissie geen verplichting inhield om een lopende antidumpingprocedure te beëindigen wanneer de steun voor de klacht beneden het minimum van 25 % van de communautaire productie was gezakt, aangezien „[d]ie bepaling [...] slechts de mate [betrof] waarin de klacht moet worden gesteund opdat de Commissie een procedure kan inleiden”. Het Gerecht heeft in punt 85 van het bestreden arrest gepreciseerd dat het arrest Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad (T‑249/06, EU:T:2009:62) betrekking had op artikel 9, lid 1, van de basisverordening, terwijl dit arrest was gewezen in een zaak waarin de klacht niet was ingetrokken, maar in de loop van de procedure aan steun zou hebben verloren. In datzelfde punt heeft het Gerecht opgemerkt dat „[d]ie oplossing [...] perfect logisch [is], want als de Commissie overeenkomstig die bepaling niet verplicht is de procedure te beëindigen wanneer de klacht wordt ingetrokken, moet hetzelfde a fortiori gelden indien enkel de omvang van de steun voor de klacht is afgenomen”.
31
In punt 86 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat de artikelen 5, lid 4, en 9, lid 1, van de basisverordening van toepassing waren op de nieuwe onderzoeken krachtens artikel 11, lid 5, van die verordening en daaruit afgeleid dat de instellingen van de Unie het nieuwe onderzoek mochten voortzetten ondanks de omstandigheid dat de in artikel 5, lid 4, van de basisverordening bedoelde grens van 50 % mogelijk niet meer werd gehaald.
32
Tot slot heeft het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Raad zich met de aan artikel 9, lid 1, van de basisverordening gegeven uitlegging geen nieuwe bevoegdheid had toegeëigend, aangezien hij „slechts [had] beslist de antidumpingmaatregelen voor een bijkomende periode van een jaar te handhaven, nadat hij – zoals hij verplicht was – had vastgesteld dat nog steeds sprake was van dumping, het vervallen van die maatregelen zou kunnen leiden tot voortzetting van die dumping en de schade en een dergelijke handhaving in het belang van de Gemeenschap was”.
33
Het Gerecht heeft bijgevolg geoordeeld dat artikel 9, lid 1, van deze verordening in casu niet was geschonden.
34
In de tweede plaats is het Gerecht nagegaan hoe het begrip „bedrijfstak van de Gemeenschap” moest worden omschreven voor de vaststelling van de schade.
35
Het Gerecht heeft er in punt 91 van het bestreden arrest allereerst aan herinnerd dat krachtens artikel 11, lid 2, van de basisverordening een antidumpingmaatregel slechts kan worden gehandhaafd na de in die bepaling vermelde periode van vijf jaar als het vervallen ervan tot een voortzetting of herhaling van de dumping en schade zou leiden, waarbij het begrip „schade” overeenkomstig artikel 3, lid 1, van die verordening wordt begrepen als aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap, dreiging van aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap of aanmerkelijke vertraging van de vestiging van een dergelijke bedrijfstak.
36
Vervolgens heeft het er in punt 92 van het bestreden arrest op gewezen dat artikel 4, lid 1, van die verordening de bedrijfstak van de Gemeenschap definieert als „alle producenten in de Gemeenschap van soortgelijke producten” of „diegenen van deze producenten wier gezamenlijke productie van de betrokken producten een groot deel van de totale communautaire productie van deze [soortgelijke] producten als omschreven in artikel 5, lid 4, [van deze verordening] uitmaakt”, en dat de instellingen van de Unie een ruime beoordelingsbevoegdheid hebben bij de keuze tussen deze twee alternatieven.
37
In punt 94 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat de in artikel 9, lid 1, van die verordening expliciet of impliciet bedoelde gevallen per definitie veronderstellen dat de grens van 50 % van artikel 5, lid 4, van die verordening niet langer wordt bereikt, waaruit het heeft afgeleid dat „de verwijzing in [artikel 4, lid 1, van deze verordening] naar artikel 5, lid 4, van die verordening in het algemeen voor de uitdrukking ‚een groot deel van de totale communautaire productie’ [...] enkel [kan] worden begrepen als een verwijzing naar de minimumgrens van 25 % en niet die van 50 %”. Volgens het Gerecht „geldt [dit] temeer daar het vereiste dat de bedrijfstak van de Gemeenschap een groot deel van de totale communautaire productie moet uitmaken, ertoe strekt te verzekeren dat de samengetelde productie van de producenten die in die bedrijfstak zijn opgenomen voldoende representatief is. Of de productie voldoende representatief is, hangt veeleer af van het aandeel van de productie van die producenten in de totale communautaire productie dan van het standpunt van de producenten die niet zijn opgenomen in de bedrijfstak van de Gemeenschap op grond van artikel 5, lid 4, van de basisverordening ten aanzien van de klacht of het verzoek om een nieuw onderzoek”.
38
Het Gerecht is in punt 96 van het bestreden arrest derhalve tot de slotsom gekomen dat de Raad het recht niet onjuist heeft toegepast door met betrekking tot de vaststelling van de schade enkel Osram in de omschrijving van de bedrijfstak van de Gemeenschap op te nemen.
Conclusies van partijen
39
Rekwirantes verzoeken het Hof om het bestreden arrest te vernietigen en de Raad te verwijzen in rekwirantes’ kosten van de procedure voor het Gerecht en van de onderhavige hogere voorziening.
40
De Raad concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en verwijzing van rekwirantes in de kosten.
41
De Commissie verzoekt het Hof primair om de hogere voorziening af te wijzen. Subsidiair verzoekt zij om uitspraak te doen op het beroep in eerste aanleg en dit niet-ontvankelijk of ongegrond te verklaren. Zij concludeert hoe dan ook tot verwijzing van rekwirantes in de kosten.
42
Osram concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en verwijzing van rekwirantes in de kosten.
Hogere voorziening
43
Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwirantes twee middelen aan, namelijk schending van artikel 9, lid 1, van de basisverordening, betreffende het beëindigen van de procedure in geval van intrekking van de klacht, en schending van artikel 4, lid 1, juncto artikel 5, lid 4, van die verordening, betreffende de omschrijving van het begrip „bedrijfstak van de Gemeenschap”.
Eerste middel
Argumenten van partijen
44
Met hun eerste middel stellen rekwirantes dat het Gerecht artikel 9, lid 1, van de basisverordening verkeerd heeft uitgelegd door te oordelen dat de Commissie als zij krachtens die bepaling een onderzoek mag voortzetten ondanks intrekking van de klacht, dit a fortiori mag doen wanneer de steun van de producenten in de Gemeenschap voor die klacht is afgenomen.
45
In dat verband voeren rekwirantes aan dat het Gerecht in punt 84 van het bestreden arrest ter ondersteuning van die ruime uitlegging ten onrechte heeft verwezen naar zijn arrest Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad (T‑249/06, EU:T:2009:62), aangezien de feiten in de zaak die heeft geleid tot dat arrest verschillen van die in de onderhavige zaak. Zij voegen daaraan toe dat uit de bewoordingen van artikel 9, lid 1, van de basisverordening duidelijk blijkt dat dit enkel van toepassing is in geval van intrekking van de klacht, wat overigens wordt bevestigd door de praktijk van de instellingen van de Unie.
46
De Raad, ondersteund door Osram en de Commissie, stelt dat volgens de basisverordening voor het onderzoek zelf, anders dan voor de procedurele fase tot inleiding ervan, geen specifieke bepaling geldt die de Commissie verplicht het onderzoek te beëindigen wanneer de steun voor een klacht afneemt. Volgens de Raad vloeit dit onderscheid voort uit de noodzaak om bij de inleiding van de procedure te bepalen of de klagers het recht hebben om een procedure in te leiden, wat niet meer hoeft te worden onderzocht in de loop van het onderzoek, omdat dit ertoe strekt nuttige gegevens te verzamelen om vast te stellen of de dumping schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft veroorzaakt.
47
Volgens de Raad is de motivering van het Gerecht niet in strijd met de basisverordening en volgt zij bovendien reeds uit eerdere rechtspraak van het Gerecht, die voortvloeit uit het arrest Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad (T‑249/06, EU:T:2009:62) alsook het arrest Gem-Year en Jinn-Well Auto-Parts (Zhejiang)/Raad (T‑172/09, EU:T:2012:532), waarin is geoordeeld dat de vereisten inzake het recht om een procedure in te leiden, zoals neergelegd in artikel 5, lid 4, van die verordening, enkel moeten zijn vervuld op het ogenblik dat het onderzoek wordt geopend en niet in de loop daarvan.
48
Gesteld dat zou blijken dat de instellingen van de Unie – die over een ruime beoordelingsmarge beschikken betreffende de noodzaak om een procedure te beëindigen na de intrekking van de klacht – in hun eerdere praktijk lopende onderzoeken meestal hebben beëindigd na een dergelijke intrekking, kan daar volgens de Raad niet uit worden afgeleid dat die instellingen het onderzoek dat heeft geleid tot de litigieuze verordening hadden moeten beëindigen op grond dat de steun van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor dat onderzoek was afgenomen.
Beoordeling door het Hof
49
Om te beginnen zij opgemerkt dat artikel 5 van de basisverordening nauwkeurig bepaalt onder welke voorwaarden een klacht „die door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid namens een bedrijfstak van de Gemeenschap wordt ingediend” leidt tot de opening van een antidumpingonderzoek. Dienaangaande bepaalt lid 4 van dit artikel dat deze klacht wordt geacht door de bedrijfstak van de Gemeenschap te zijn ingediend wanneer zij voldoet aan twee cumulatieve voorwaarden betreffende de omvang van de steun die zij krijgt. Ten eerste moet zij worden gesteund „door de producenten in de Gemeenschap wier gezamenlijke productie meer dan 50 % bedraagt van de totale productie van het soortgelijke product dat wordt vervaardigd door dat deel van de bedrijfstak van de Gemeenschap dat zich voor of tegen de klacht heeft uitgesproken”. Ten tweede moet die steun komen van producenten in de Gemeenschap die minstens 25 % van de totale productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap voor hun rekening nemen.
50
Eenmaal het onderzoek is geopend, kan de Commissie, zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 9, lid 1, van die verordening, dit onderzoek beëindigen in geval van intrekking van de klacht, „tenzij dit strijdig met het belang van de Gemeenschap is”.
51
Diezelfde verordening bevat geen bepaling over de maatregelen die de Commissie moet treffen wanneer in de loop van het onderzoek de steun van de producenten voor de klacht of voor het verzoek om een nieuw onderzoek afneemt.
52
Aangezien de betrokken instellingen van de Unie op grond van de artikelen 9, lid 1, en 11, lid 5, van de basisverordening het onderzoek mogen voortzetten in geval van intrekking van de klacht of het verzoek om een nieuw onderzoek, mogen zij dit a fortiori doen wanneer louter de omvang van de steun daarvoor afneemt, zoals het Gerecht in punt 85 van het bestreden arrest heeft geoordeeld.
53
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat verminderde steun van de producenten in de Gemeenschap voor een klacht of een verzoek om een nieuw onderzoek niet noodzakelijk leidt tot de beëindiging van het onderzoek, ook al zou een dergelijke vermindering betekenen dat die steun een productieniveau vertegenwoordigt dat lager is dan een van de twee in artikel 5, lid 4, van die verordening neergelegde grenzen.
54
Een dergelijke uitlegging is temeer geboden daar de vertegenwoordigers van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de loop van het onderzoek een ander, tegengesteld, standpunt kunnen innemen, zoals de advocaat-generaal in punt 118 van zijn conclusie heeft opgemerkt. Een dergelijke standpuntwijziging mag niet afdoen aan het goede verloop van het betrokken onderzoek.
55
Daaruit volgt dat het Gerecht in de punten 85 en 86 van het bestreden arrest artikel 9, lid 1, van die verordening heeft uitgelegd zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het heeft geoordeeld dat uit die bepaling a fortiori volgde dat de instellingen van de Unie het nieuwe onderzoek mochten voortzetten ondanks de omstandigheid dat de in artikel 5, lid 4, van die verordening bedoelde grens van 50 % mogelijk niet meer werd gehaald.
56
Gelet op een en ander is het eerste middel in hogere voorziening ongegrond.
Tweede middel
Argumenten van partijen
57
Met hun tweede middel stellen rekwirantes dat het Gerecht een onjuiste uitlegging heeft gegeven van artikel 4, lid 1, juncto artikel 5, lid 4, van de basisverordening.
58
Rekwirantes betogen in dit verband dat het Gerecht om het begrip „bedrijfstak van de Gemeenschap” overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening te omschrijven en dus te beoordelen of die bedrijfstak schade heeft geleden, een van de cumulatieve criteria betreffende de steun voor een klacht zoals neergelegd in artikel 5, lid 4, van die verordening niet correct heeft toegepast, meer bepaald het criterium dat de klacht moet worden gesteund door de producenten in de Gemeenschap wier gezamenlijke productie meer dan 50 % bedraagt van de totale productie van het soortgelijke product dat wordt vervaardigd door dat deel van de bedrijfstak van de Gemeenschap dat zich voor of tegen de betrokken klacht heeft uitgesproken. Daaruit leiden rekwirantes af dat het Gerecht aldus een bepaling van de basisverordening heeft miskend waarvan de uitlegging onder geen beding onzeker mag zijn en daardoor het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden.
59
Volgens de Raad, Osram en de Commissie halen rekwirantes twee onderscheiden begrippen door elkaar. Het eerste is het recht om een procedure in te leiden, dat moet worden beoordeeld bij de indiening van een klacht en voordat een onderzoek wordt geopend. Die beoordeling strekt ertoe zich ervan te vergewissen dat die klacht wordt gesteund door een voldoende representatief deel van de bedrijfstak van de Unie, en betreft bijgevolg de naleving van beide minimumgrenzen inzake productie die zijn neergelegd in artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het tweede begrip, de schade geleden door de bedrijfstak van de Gemeenschap, moet tijdens het onderzoek worden beoordeeld, los van de oorspronkelijke klacht, wat betekent dat enkel rekening wordt gehouden met de minimumgrens van 25 % van de totale productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap om te bepalen of een groot deel van de bedrijfstak van de Gemeenschap negatieve gevolgen van de dumping ondervindt. De Raad, Osram en de Commissie komen op basis daarvan tot de slotsom dat het Gerecht in de punten 93 en 94 van het bestreden arrest dan ook geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het begrip „bedrijfstak van de Gemeenschap” een verschillende betekenis heeft vóór het openen van een onderzoek en in de loop van een onderzoek, om vast te stellen dat de verwijzing in artikel 4, lid 1, van die verordening naar artikel 5, lid 4, daarvan „enkel [kan] worden begrepen als een verwijzing naar de minimumgrens van 25 % en niet die van 50 %”.
Beoordeling door het Hof
60
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten Unierechtelijke bepalingen zo veel mogelijk worden uitgelegd tegen de achtergrond van het volkenrecht, met name wanneer dergelijke bepalingen juist strekken tot tenuitvoerlegging van een door de Unie gesloten internationale overeenkomst (zie arrest SCF, C‑135/10, EU:C:2012:140, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61
Uit de overwegingen 1 tot en met 3 en 5 van de basisverordening blijkt dat het begrip „bedrijfstak van de Gemeenschap” in overeenstemming met de antidumpingovereenkomst van 1994 moet worden uitgelegd.
62
Volgens artikel 4, lid 1, van de basisverordening verwijst het begrip „bedrijfstak van de Gemeenschap” naar „alle producenten in de Gemeenschap van soortgelijke producten” of „diegenen van deze producenten wier gezamenlijke productie van de betrokken producten een groot deel van de totale communautaire productie van deze producten als omschreven in artikel 5, lid 4, uitmaakt”.
63
De antidumpingovereenkomst van 1994 bevat in wezen dezelfde twee alternatieven om het begrip „binnenlandse bedrijfstak” te omschrijven. Wat het tweede alternatief betreft, is zowel in de antidumpingovereenkomst van 1994 als in de basisverordening het begrip „een groot deel” van de totale nationale of communautaire productie van doorslaggevend belang.
64
Wat dit alternatief betreft – waartoe het tweede middel in hogere voorziening is beperkt – zij opgemerkt dat artikel 4, lid 1, van die verordening, betreffende de omschrijving van de bedrijfstak van de Gemeenschap, anders dan artikel 4.1 van de antidumpingovereenkomst van 1994, het begrip „een groot deel” van de totale communautaire productie van soortgelijke producten nader bepaalt door te verwijzen naar artikel 5, lid 4, van die verordening.
65
Die verwijzing vormt een bijkomend element in vergelijking met de omschrijving in artikel 4.1 van de antidumpingovereenkomst van 1994.
66
Vastgesteld zij dat de grens van 50 % en de grens van 25 % in artikel 5, lid 4, van de basisverordening naar verschillende groepen producenten in de Gemeenschap verwijzen.
67
In de eerste plaats zij vastgesteld dat de grens van 50 % enkel betrekking heeft op het relatieve gewicht van de producenten in de Gemeenschap die de klacht steunen binnen de groep van producenten in de Gemeenschap die zich voor of tegen de klacht hebben uitgesproken.
68
De grens van 25 % verwijst daarentegen naar „de totale productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap” en houdt verband met het percentage dat de producenten in de Gemeenschap die de klacht steunen binnen die totale productie vertegenwoordigen. Derhalve is enkel die grens van 25 % relevant om te bepalen of de betrokken producenten „een groot deel” van de totale productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening vertegenwoordigen.
69
In die omstandigheden kunnen de artikelen 4, lid 1, en 5, lid 4, van de basisverordening, gelezen tegen de achtergrond van artikel 4.1 van de antidumpingovereenkomst van 1994, slechts worden geacht naar de minimumgrens van 25 % te verwijzen. Door de verwijzing naar die grens verduidelijkt artikel 4, lid 1, van de basisverordening dus enkel dat de gezamenlijke productie van de producenten in de Gemeenschap die de klacht steunen die geen 25 % van de totale communautaire productie van het soortgelijke product vertegenwoordigt, hoe dan ook niet als voldoende representatief voor de communautaire productie kan worden beschouwd.
70
Ingeval de gezamenlijke productie van die producenten in de Gemeenschap boven die grens uitkomt, kunnen antidumpingrechten worden ingesteld of gehandhaafd indien de betrokken instellingen van de Unie erin slagen aan te tonen, rekening houdend met alle relevante gegevens van de zaak, dat de schade veroorzaakt door het met dumping ingevoerde product negatieve gevolgen heeft voor een groot deel van de totale communautaire productie van soortgelijke producten.
71
In de litigieuze verordening heeft de Raad zich voor de beoordeling van de aan de bedrijfstak van de Gemeenschap veroorzaakte schade gebaseerd op de gegevens van één producent, namelijk Osram, die ongeveer 48 % van de totale communautaire productie van het soortgelijke product vertegenwoordigt.
72
Dienaangaande zij vastgesteld dat een deel van de communautaire productie van bijna 50 % van de totale productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap, zoals een deel van 48 %, duidelijk kan worden beschouwd als een groot deel daarvan. Artikel 4, lid 1, van de basisverordening verwijst immers naar het begrip „een groot deel” van de communautaire productie en niet naar „het merendeel van de communautaire productie”.
73
Uit een en ander volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 94 van het bestreden arrest te oordelen dat de verwijzing in artikel 4, lid 1, van de basisverordening naar artikel 5, lid 4, daarvan slechts kon worden begrepen als een verwijzing naar de grens van 25 % en niet naar die van 50 %, en door in punt 96 van dat arrest vast te stellen dat de Raad ervan mocht uitgaan dat de productie van Osram, die ongeveer 48 % van de totale communautaire productie vertegenwoordigde, „een groot deel dus” van de communautaire productie vormde.
74
Het tweede middel in hogere voorziening kan dus evenmin slagen.
75
Gelet op de voorgaande overwegingen is de hogere voorziening in haar geheel ongegrond.
Kosten
76
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten voor zover dit is gevorderd.
77
Aangezien Philips Poland en Philips Nederland in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Raad en Osram worden verwezen in de kosten.
78
Volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten en de instellingen van de Unie die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. De Commissie, interveniënte in eerste aanleg, draagt bijgevolg haar eigen kosten.
Het Hof (Grote kamer) verklaart:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Philips Lighting Poland S.A. en Philips Lighting BV dragen hun eigen kosten en worden verwezen in de kosten van de Raad van de Europese Unie en Osram GmbH.
3)
De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy