ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
9 oktober 2014 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Externe betrekkingen — Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko — Volledige uitsluiting voor communautaire vaartuigen van de mogelijkheid van visserijactiviteiten in de Marokkaanse visserijzones op basis van een door de Marokkaanse autoriteiten zonder medewerking van de instanties van de Europese Unie verleende vergunning”
In zaak C‑565/13,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hovrätt för Västra Sverige (Zweden) bij beslissing van 31 oktober 2013, ingekomen bij het Hof op 4 november 2013, in de strafzaak tegen
Ove Ahlström,
Lennart Kjellberg,
Fiskeri Ganthi AB,
Fiskeri Nordic AB,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Ó Caoimh, C. Toader, E. Jarašiūnas (rapporteur) en C. G. Fernlund, rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
O. Ahlström en L. Kjellberg, vertegenwoordigd door E. Bergenhem, advokat,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouquet en C. Tufvesson als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, goedgekeurd namens de Gemeenschap bij verordening (EG) nr. 764/2006 van de Raad van 22 mei 2006 (PB L 141, blz. 4; hierna: „visserijovereenkomst”).
2
Dit verzoek is ingediend in een strafzaak tegen O. Ahlström en L. Kjellberg alsook tegen Fiskeri Ganthi AB (hierna: „Fiskeri Ganthi”) en Fiskeri Nordic AB (hierna: „Fiskeri Nordic”), aan wie illegale visvangst in de Marokkaanse visserijzones in de periode van april 2007 tot en met mei 2008 wordt verweten.
Toepasselijke bepalingen
Visserijovereenkomst
3
In punt 4 van de preambule van de visserijovereenkomst verklaren partijen zich vastberaden om in hun beider belang samen te werken aan de invoering van een verantwoorde visserij ter waarborging van de instandhouding op lange termijn en de duurzame exploitatie van de mariene biologische rijkdommen, en met name door de uitvoering van een controleregeling betreffende alle visserijactiviteiten, teneinde de doeltreffendheid van de maatregelen voor beheer en instandhouding van die rijkdommen te verzekeren. Volgens punt 7 van de preambule van de visserijovereenkomst verlangen partijen voorwaarden en voorschriften vast te stellen met betrekking tot de visserijactiviteiten van communautaire vaartuigen in de Marokkaanse visserijzones en met betrekking tot de steun die de Gemeenschap verleent voor de invoering van een verantwoorde visserij in die visserijzones.
4
Artikel 1 van de visserijovereenkomst bepaalt het doel ervan:
„Bij deze overeenkomst worden de beginselen, regels en procedures vastgesteld inzake:
—
de economische, financiële, technische en wetenschappelijke samenwerking op het gebied van de visserij, die tot doel heeft om, ter waarborging van de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden, een verantwoorde visserij in de Marokkaanse visserijzones in te voeren en de Marokkaanse visserijsector te ontwikkelen;
—
de voorwaarden voor de toegang van de communautaire vissersvaartuigen tot de Marokkaanse visserijzones;
—
de regelingen inzake het toezicht op de visserij in de Marokkaanse visserijzones die tot doel hebben de bovengenoemde voorschriften te handhaven, de doeltreffendheid van de maatregelen op het gebied van instandhouding en beheer van de visbestanden te verzekeren en illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde visvangst te bestrijden;
—
de partnerschappen tussen bedrijven met het oog op de ontwikkeling, in het belang van beide partijen, van de economische activiteiten in de visserijsector en van daarmee verband houdende activiteiten.”
5
Artikel 2, sub d, van de visserijovereenkomst verstaat onder „vaartuig van de Gemeenschap” in deze overeenkomst „een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat van de Gemeenschap voert en in de Gemeenschap is geregistreerd”.
6
Leden 1 en 2, van artikel 6, van de visserijovereenkomst „Voorwaarden voor de uitoefening van de visserij” bepalen:
„1. De communautaire vaartuigen mogen slechts visserijactiviteiten in de Marokkaanse viszones uitoefenen indien zij daarvoor een visserijvergunning hebben gekregen in het kader van deze overeenkomst. Communautaire vaartuigen mogen uitsluitend de visserij uitoefenen indien daarvoor door de bevoegde autoriteiten van Marokko, op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap, een vergunning is afgegeven.
2. Voor categorieën van visserij die niet geregeld zijn in het [protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, als bedoeld in de visserijovereenkomst (hierna: ‚protocol’)], mogen door de Marokkaanse autoriteiten vergunningen aan communautaire vaartuigen worden verleend. Niettemin blijft, mede in het kader van de bij deze overeenkomst ingestelde partnerschapsgeest, de verlening van die vergunningen afhankelijk van een gunstig advies van de Europese Commissie. De procedure voor het verkrijgen van een visserijvergunning voor een vaartuig, de toepasselijke bedragen en de wijze van betaling door de reder worden in onderlinge overeenstemming bepaald.”
7
Lid 1 van artikel 7 van de visserijovereenkomst „Financiële tegenprestatie” bepaalt:
„De Gemeenschap betaalt Marokko een financiële tegenprestatie overeenkomstig de in het protocol en de bijlage [van de visserijovereenkomst] vastgestelde voorwaarden en regelingen. Deze tegenprestatie wordt bepaald op basis van twee componenten betreffende respectievelijk:
a)
een financiële compensatie betreffende de toegang van communautaire vaartuigen tot de Marokkaanse visserijzones en onverminderd de rechten die door de communautaire vaartuigen verschuldigd zijn voor het recht voor de vergunningen;
b)
financiële steun van de Gemeenschap voor de instelling van het nationale visserijbeleid op basis van een verantwoorde visserij en de duurzame exploitatie van de visbestanden in de Marokkaanse wateren.”
Unierecht
8
Volgens punt 2 van de considerans van de ten tijde van de feiten in het hoofdgeding vigerende verordening (EG) nr. 3317/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van algemene bepalingen inzake machtiging tot het verrichten van visserijactiviteiten in de wateren van een derde land in het kader van een visserijovereenkomst (PB L 350, blz. 13) is „het, met het oog op een doeltreffend en transparant beheer van de visserijactiviteiten die door communautaire vaartuigen worden verricht in het kader van de tussen de Gemeenschap en derde landen gesloten visserijovereenkomsten, noodzakelijk [...] dat de onderscheiden lidstaten in die zin interveniëren dat zij hun vaartuigen die een visvergunning van een derde land hebben ontvangen, machtiging verlenen om de betrokken activiteiten uit te oefenen; dat de uitoefening van de visvangst in de wateren van derde landen zonder een dergelijke machtiging moet worden verboden teneinde de verplichtingen van de Gemeenschap ten aanzien van het derde land na te komen”.
9
Artikel 1 van die verordening luidde:
„1. Bij deze verordening worden de algemene bepalingen vastgesteld betreffende de visserijactiviteiten die communautaire vissersvaartuigen in de wateren van een derde land verrichten in het kader van een tussen de Gemeenschap en dat land gesloten visserijovereenkomst, voor zover die activiteiten onderworpen zijn aan een visvergunning van dat derde land.
2. Alleen communautaire vissersvaartuigen in het bezit van een geldig visdocument ‚visserijovereenkomst’ mogen hun visserijactiviteiten in de wateren van een derde land uit hoofde van een tussen de Gemeenschap en dat derde land gesloten visserijovereenkomst daadwerkelijk uitoefenen.”
10
Artikel 2 van deze verordening verstaat onder visdocument „visserijovereenkomst” een vangstmachtiging, die door de lidstaat van de vlag in het kader van een tussen de Gemeenschap en een derde land gesloten visserijovereenkomst wordt verleend en waarmee in aanvulling op de visvergunning aan dit vaartuig toestemming wordt gegeven om visserijactiviteiten in de viszones van dit derde land uit te oefenen.
11
Artikel 3 van verordening nr. 3317/94 bepaalde:
„De lidstaat van de vlag zorgt overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde bepalingen voor de afgifte en het beheer van de visdocumenten ‚visserijovereenkomst’ voor vissersvaartuigen die onder zijn vlag varen.”
12
Artikel 5 van dezelfde verordening bepaalde:
„1. De aanvragen voor visvergunningen van het derde land voor de uitoefening van visserijactiviteiten in het kader van de vangstmogelijkheden die aan de Gemeenschap zijn toegewezen op grond van een met dat derde land gesloten visserijovereenkomst worden door de lidstaat van de vlag voor de onder zijn vlag varende vissersvaartuigen toegezonden aan de Commissie. De betrokken lidstaat zorgt ervoor dat de aanvragen in overeenstemming zijn met de in het kader van de betrokken visserijovereenkomst overeengekomen bepalingen en met de communautaire voorschriften.
2. De Commissie onderzoekt de aanvragen van elke lidstaat, rekening houdend met de vangstmogelijkheden die op grond van de communautaire voorschriften aan deze lidstaat zijn toebedeeld en met de voorwaarden die eventueel in de visserijovereenkomst zijn vastgesteld voor communautaire vissersvaartuigen. De Commissie doet de aanvragen voor een visvergunning van het derde land voor de communautaire vissersvaartuigen die visserijactiviteiten in de wateren van dat land willen uitoefenen, binnen een termijn van tien werkdagen na ontvangst van de aanvraag van de lidstaat, of binnen de in de visserijovereenkomst vastgestelde termijn, aan het betrokken derde land toekomen. Indien uit het door de Commissie verrichte onderzoek van de aanvraag blijkt dat deze niet aan de in dit lid bedoelde voorwaarden voldoet, stelt zij de betrokken lidstaat er onverwijld van in kennis dat zij de genoemde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk aan de betrokken derde Staat kan doen toekomen; zij doet daarbij opgave van de redenen.
3. De Commissie stelt de lidstaat van de vlag onverwijld in kennis van de toekenning door het betrokken derde land van de visvergunning tot uitoefening van visserijactiviteiten, of van het besluit van het derde land om geen vergunning te verlenen. In het laatste geval verricht de Commissie de nodige verificaties in overleg met de lidstaat van de vlag en het betrokken derde land.”
Zweeds recht
13
De Zweedse regering of de door haar aangewezen instantie, namelijk het Fiskeriverk (dienst visserij) ten tijde van de feiten in het hoofdgeding, stelt, aldus de verwijzende rechter, volgens de §§ 19 tot en met 23 van de visserijwet (fiskelag, SFS 1993, nr. 787) de voorschriften inzake de visserij vast. Volgens § 24 van die wet zijn de op basis van de §§ 19 tot en met 23 vastgestelde voorschriften ook van toepassing op de Zweedse zeevisserij buiten de Zweedse economische zone in internationale wateren en in andere wateren waar op basis van internationale overeenkomsten wordt gevist.
14
Volgens § 40, eerste alinea, van de visserijwet is wie opzettelijk of uit nalatigheid de op basis van de §§ 19, 20, eerste alinea, of 21 tot en met 23 van deze wet vastgestelde voorschriften schendt, strafbaar met geldboete of gevangenisstraf tot een jaar. Dezelfde straf geldt voor wie opzettelijk of uit grove nalatigheid de Unieregelingen inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name door illegaal te vissen, schendt. Bij kwalificatie van een schending uit hoofde van deze § 40 als ernstig geldt een gevangenisstraf tot twee jaar.
15
De voorschriften van het Fiskeriverk betreffende toegang tot en controle op de visserijzones (Fiskeriverkets föreskrifter om resurstillträde och kontroll på fiskets område, FIFS 2004, nr. 25; hierna: „voorschriften van het Fiskeriverk”) strekken zich volgens hoofdstuk 1, § 1, ervan met name uit tot verordening nr. 3317/94. Hoofdstuk 3, § 1, van deze voorschriften in de ten tijde van de feiten in het hoofdgeding geldende versie bepaalt:
„Vaartuigen van 5 meter lang of langer kunnen worden gebruikt voor commerciële visserij op zee mits zij beschikken over een daartoe door het Fiskeriverk verleende vergunning.”
16
Hoofdstuk 4 van de voorschriften van het Fiskeriverk, „Aanvullende visserijvergunning [...]”, luidt:
„Visvangst in het kader van de visserijovereenkomst tussen de [Europese Gemeenschap] en een derde land
§ 1
Een aanvraag voor een visserijvergunning in derde landen en een visdocument ‚visserijovereenkomst’ in de zin van verordening [...] nr. 3317/94 moet worden ingediend bij het Fiskeriverk.
Het visdocument wordt verleend door toevoeging van het vaartuig aan de basislijst.
§ 2
De voorwaarden voor het document krachtens § 1 zijn de volgende:
1. Bij binnenkomst van de zone van een derde land wordt binnenkomst gemeld bij de bevoegde instanties van het derde land via Stockholm Radio. De melding bevat het externe identificatienummer, de naam en het radio-oproepsignaal van het vaartuig. Bij verlaten van de zone wordt vertrek via hetzelfde radiostation gemeld.
2. Slechts het aantal vaartuigen met het door het Fiskeriverk speciaal verleende document mag tegelijk de zone van derde landen aandoen.
3. De overige bepalingen moeten worden nageleefd zoals de instanties van het derde land bepalen.
4. Het Fiskeriverk kan andere voorwaarden vaststellen.
Vissen op basis van individuele visserijovereenkomsten in de wateren van derde landen of op de quota van andere landen en in de internationale wateren buiten de viszone of economische zone
§ 3
Een Zweeds vissersvaartuig met een document voor commerciële visserij mag in andere dan de in § 1 bedoelde omstandigheden in de wateren van een derde land op de quota van andere landen of in de internationale wateren buiten de viszone of economische zone slechts vissen na verkrijging van een bijzonder document van het Fiskeriverk.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17
Blijkens de verwijzingsbeslissing worden Ahlström, wettelijk vertegenwoordiger van Fiskeri Ganthi, eigenares van het vaartuig Aldo, en Kjellberg, wettelijk vertegenwoordiger van Fiskeri Nordic, eigenares van het vaartuig Nordic IV, vervolgd op basis van de §§ 24 en 40 van de visserijwet alsook de hoofdstukken 3, § 1, en 4, § 3, van de voorschriften van het Fiskeriverk omdat zij in de periode van april 2007 tot en met mei 2008 opzettelijk of uit grove nalatigheid commercieel hebben gevist langs de kust van de Westelijke Sahara met deze in het Zweedse vaartuigenregister ingeschreven vaartuigen, zonder in het bezit te zijn van de door het Fiskeriverk afgegeven noodzakelijke documenten of deze aan boord te hebben, namelijk de algemene documenten voor commerciële visserij en de speciale visdocumenten voor de betrokken zone overeenkomstig de visserijovereenkomst.
18
De Kammaråklagare (openbaar ministerie) baseerde deze vervolging subsidiair op § 40 van de visserijwet en artikel 3 van verordening (EG) nr. 1281/2005 van de Commissie van 3 augustus 2005 betreffende het beheer van de visvergunningen en de minimuminformatie welke deze moeten bevatten (PB L 203, blz. 3) alsook artikel 22, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 358, blz. 59) juncto artikel 6 van de visserijovereenkomst.
19
De Kammaråklagare stelde deze vervolging met name in op grond dat deze vaartuigen met een bemanning van Zweedse en Marokkaanse vissers continue trawlvisserijactiviteiten hebben verricht voor een totaalopbrengst van ten minste 14 miljoen Zweedse kronen (SEK) in 2007 en 6 miljoen SEK in 2008. Het feit is ernstig daar het systematisch over een lange periode is gepleegd, een activiteit van bijzonder wijde omvang en vangsten van significante waarde meebracht.
20
Ahlström en Kjellberg ontkennen de hun verweten feiten en betwisten hun strafrechtelijke aansprakelijkheid. Zij wijzen erop dat de vissersvaartuigen Aldo en Nordic IV bij een rompbevrachtingsovereenkomst zijn gecharterd aan het Marokkaanse bedrijf Atlas Pelagic, dat beschikte over eigen visrechten en over visrechten van andere Marokkanen in de Marokkaanse territoriale wateren. Dat bedrijf heeft de twee vissersvaartuigen gecharterd en zelf gebruikt voor zijn eigen activiteit. Dat vereist volgens hen geen vergunning van de Zweedse of andere Europese overheidsinstanties, daar de voorschriften van het Fiskeriverk niet van toepassing zijn op de charteractiviteiten van Fiskeri Ganthi en Fiskeri Nordic. Het Unierecht is ongeschonden; artikel 6, lid 1, en alle overige bepalingen van de visserijovereenkomst zijn immers niet van toepassing op de feiten van het hoofdgeding.
21
Het Hovrätt för Västra Sverige (hof van beroep voor westelijk Zweden), waarbij hoger beroep tegen het vonnis van het Göteborgs tingsrätt (rechtbank van eerste aanleg te Göteborg) is ingesteld, twijfelt of het Unierecht en de visserijovereenkomst de visvangst door communautaire vaartuigen in de Marokkaanse wateren zonder vergunning van de Unie of van een van haar lidstaten uitsluiten.
22
Volgens de verwijzende rechter kan artikel 6, lid 2, van de visserijovereenkomst niet in de zin van een dergelijke uitsluiting worden uitgelegd. Volgens een deel van de rechtsleer kan dat artikel evenwel aldus worden uitgelegd dat een communautair vaartuig op basis van een door een derde land verleende particuliere vergunning mag vissen. Voorts is in het hoofdgeding gesteld dat de visserijactiviteit van de twee betrokken vaartuigen volgens de bevoegde Marokkaanse autoriteiten overeenkomstig de visserijovereenkomst is uitgeoefend en dat zij de daartoe noodzakelijke documenten hadden verleend.
23
Derhalve heeft het Hovrätt för Västra Sverige de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1)
Moet artikel 6, lid 1, van de [visserijovereenkomst] exclusief aldus worden uitgelegd dat het uitsluit dat communautaire vaartuigen visserijactiviteiten in de Marokkaanse visserijzones mogen verrichten op basis van uitsluitend door de bevoegde Marokkaanse instanties aan Marokkaanse houders van visquota verleende vergunningen?
2)
Kan artikel 6, lid 1, van de [visserijovereenkomst] exclusief aldus worden uitgelegd dat het uitsluit dat communautaire vaartuigen aan Marokkaanse bedrijven bij rompbevrachtingsovereenkomst Bareboat Charter (volgens de standaardformule ‚Barecon 2001’ BIMCO Standard Bareboat Charter) worden verhuurd om te vissen in de Marokkaanse visserijzones op basis van uitsluitend door de bevoegde Marokkaanse instanties aan Marokkaanse houders van visquota verleende vergunningen?
3)
Luidt het antwoord op de tweede vraag anders ingeval de verhuurder ook knowhow in de vorm van beheer en bemanning van de vissersvaartuigen alsook technische ondersteuning aan het Marokkaanse bedrijf geeft?
4)
Staat de [visserijovereenkomst] het Koninkrijk Marokko toe om ten zuiden van 29°N buiten de overeenkomst zijn eigen nationale industriële pelagische visserijactiviteiten te ontwikkelen en te verrichten? Zo ja, machtigt de overeenkomst het Koninkrijk Marokko om voor zijn nationale visserij communautaire vissersvaartuigen zonder document van de [Europese Unie] in te huren of er zonder document [van laatstgenoemde] rechtstreeks vergunningen aan te verlenen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
24
Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de visserijovereenkomst, met name artikel 6 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat communautaire vaartuigen daarbij worden uitgesloten van elke mogelijkheid om op basis van een door de Marokkaanse autoriteiten zonder medewerking van de bevoegde Unie-instanties verleende vergunning visserijactiviteiten in de Marokkaanse visserijzones uit te oefenen.
25
Deze rechter vraagt zich in het bijzonder af of de visserijovereenkomst de mogelijkheid uitsluit om voor visserij in deze visserijzones een communautair vaartuig bij rompbevrachtingsovereenkomst te verhuren aan een Marokkaans bedrijf, dat alleen een door de bevoegde Marokkaanse autoriteiten aan de Marokkaanse houders van visquota verleende vergunning heeft. Voorts vraagt hij zich af of hetzelfde geldt wanneer de verhuurder dat bedrijf ook knowhow en technische bijstand biedt.
26
Uit de preambule van de visserijovereenkomst blijkt het verlangen van de partijen om voorwaarden en voorschriften vast te stellen met betrekking tot de visserijactiviteiten van communautaire vaartuigen in de Marokkaanse visserijzones. Deze overeenkomst strekt blijkens de omschrijving van het doel ervan in artikel 1 tot vaststelling van de beginselen, regels en procedures met name inzake de voorwaarden voor de toegang van deze vaartuigen tot deze zones. Deze overeenkomst, die geen enkele uitzondering op deze voorwaarden stelt, onderwerpt hieraan dus alle communautaire vaartuigen – die in de zin van artikel 2, sub d, van de visserijovereenkomst vissersvaartuigen zijn die de vlag van een lidstaat van de Gemeenschap voeren en in de Gemeenschap zijn geregistreerd – die in deze zones willen vissen.
27
Zo mogen de communautaire vaartuigen ingevolge lid 1 van artikel 6 van de visserijovereenkomst inzake de voorwaarden voor de uitoefening van de visserij slechts visserijactiviteiten in de Marokkaanse viszones uitoefenen indien zij daarvoor een visserijvergunning hebben gekregen in het kader van deze overeenkomst.
28
Volgens de tekst zelf van deze bepaling is de uitoefening van visserijactiviteiten door communautaire vaartuigen in de Marokkaanse visserijzones onderworpen aan het bezit van een door de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk Marokko op verzoek van de bevoegde Unie-instanties afgegeven vergunning. Voorts, aldus artikel 6, lid 2, van de visserijovereenkomst, mogen deze autoriteiten voor categorieën van visserij die niet geregeld zijn in het protocol, vergunningen aan communautaire vaartuigen verlenen, maar blijft, mede in het kader van de bij deze overeenkomst ingestelde partnerschapsgeest, de verlening van die vergunningen „afhankelijk van een gunstig advies van de Europese Commissie”.
29
Bijgevolg vereist verlening van een vergunning aan een communautair vaartuig voor visserijactiviteiten in de Marokkaanse visserijzones steeds medewerking van de bevoegde Unie-instanties en kan een dergelijk vaartuig deze activiteiten dus niet uitoefenen krachtens een zonder deze medewerking door de bevoegde Marokkaanse autoriteiten verleende vergunning.
30
Dienaangaande regelt artikel 5 van verordening nr. 3317/94 de door de lidstaat van de vlag en de Commissie te volgen procedure tot verkrijging van door derde landen verleende visvergunningen in het kader van de krachtens een visserij-overeenkomst aan de Gemeenschap gegeven vangstmogelijkheden, waarbij de Commissie is belast met het onderzoek van de vergunningaanvragen vóór toezending ervan aan het betrokken derde land. Deze verordening onderwierp blijkens zowel punt 2 van de considerans ervan als de artikelen 1, lid 2, 2 en 3, de mogelijkheid voor communautaire vaartuigen om de wateren van een derde land krachtens een door de Gemeenschap en dit derde land gesloten visserijovereenkomst te bevissen, bovendien aan een door de lidstaat van de vlagstaat verleende visvergunning.
31
Bovendien gaat een buiten deze medewerking van de bevoegde Unie-instanties voor communautaire vaartuigen mogelijk gemaakte toegang tot Marokkaanse visserijzones voor de uitoefening van visserij-activiteiten in tegen het doel van de visserijovereenkomst die, aldus de preambule en de artikelen 1 en 3 ervan, strekt tot invoering van een verantwoorde visserij in deze visserijzones ter waarborging van de instandhouding op lange termijn en de duurzame exploitatie van de mariene biologische rijkdommen, en met name door de uitvoering van een controleregeling betreffende alle visserijactiviteiten, teneinde de doeltreffendheid van de maatregelen voor beheer en instandhouding van die rijkdommen te verzekeren. Een dergelijke mogelijkheid kan namelijk leiden tot grotere toegang van communautaire vaartuigen tot deze visserijzones en tot intensievere exploitatie erin van deze rijkdommen door deze vaartuigen zonder controle van de bevoegde Unie-instanties.
32
Zo ook komt toegang van de communautaire vaartuigen tot de Marokkaanse visserijzones buiten het in de visserijovereenkomst overeengekomene niet overeen met de grondslag en het doel van de krachtens artikel 7 van deze overeenkomst door de Unie aan het Koninkrijk Marokko verleende financiële tegenprestatie, om, aldus dit artikel, de toegang van communautaire vaartuigen tot de Marokkaanse visserijzones financieel te compenseren en de invoering van een nationaal visserijbeleid op basis van een verantwoorde visserij en de duurzame exploitatie van de mariene biologische rijkdommen in de Marokkaanse wateren financieel te steunen.
33
Derhalve is het ontoelaatbaar dat communautaire vaartuigen toegang krijgen tot de Marokkaanse visserijzones voor de uitoefening van visserij-activiteiten door sluiting van een rompbevrachtingsovereenkomst met een Marokkaans bedrijf, dat een door de Marokkaanse autoriteiten aan Marokkaanse houders van visquota afgegeven vergunning bezit, of door gebruik van een ander juridisch instrument om toegang te krijgen tot deze visserijzones voor de uitoefening van dergelijke activiteiten buiten de visserijovereenkomst en dus zonder medewerking van de bevoegde Unie-instanties.
34
Mitsdien dient op de vragen te worden geantwoord dat de visserijovereenkomst, met name artikel 6 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat communautaire vaartuigen daarbij worden uitgesloten van elke mogelijkheid om op basis van een door de Marokkaanse autoriteiten zonder medewerking van de Unie-instanties verleende vergunning visserijactiviteiten in de Marokkaanse visserijzones uit te oefenen.
Kosten
35
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
De partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, goedgekeurd namens de Gemeenschap bij verordening (EG) nr. 764/2006 van de Raad van 22 mei 2006, met name artikel 6 ervan, moet aldus worden uitgelegd dat communautaire vaartuigen daarbij worden uitgesloten van elke mogelijkheid om op basis van een door de Marokkaanse autoriteiten zonder medewerking van de instanties van de Europese Unie verleende vergunning visserijactiviteiten in de Marokkaanse visserijzones uit te oefenen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Zweeds.
Full & Egal Universal Law Academy