ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
1 oktober 2015 ( * )
„Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2003/96/EG — Artikelen 4 en 21 — Richtlijn 2008/118/EG — Richtlijn 92/12/EEG — Artikel 3, lid 1 — Werkingssfeer — Regeling van een lidstaat — Heffing van een belasting op het thermisch rendement van kernreactoren”
In zaak C‑606/13,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Kammarrätt i Sundsvall (Zweden) bij beslissing van 29 oktober 2013, ingekomen bij het Hof op 25 november 2013, in de procedure
OKG AB
tegen
Skatteverket,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, A. Arabadjiev en J. L. da Cruz Vilaça (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
OKG AB, vertegenwoordigd door M. Nilsson en M. Palm, advokater,
—
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en K. Petersen als gemachtigden,
—
de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk, C. Meyer-Seitz, U. Persson, E. Karlsson, L. Swedenborg, C. Hagerman en K. Sparrman als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Cordewener en J. Enegren als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van, enerzijds, de artikelen 4, lid 2, en 21, lid 5, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283, blz. 51), en, anderzijds, artikel 1, lid 1, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 oktober 2008, houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PB 2009, L 9, blz. 12).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen OKG AB (hierna: „OKG”) en het Skatteverk (belastingdienst) over het besluit van laatstgenoemde om OKG een belasting op te leggen op het thermisch rendement van kernreactoren.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 1 van richtlijn 2003/96 luidt als volgt:
„De lidstaten heffen belasting op energieproducten en elektriciteit overeenkomstig deze richtlijn.”
4
Artikel 2 van die richtlijn bepaalt:
„1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ‚energieproducten’ verstaan de hieronder vermelde producten:
a)
producten van de GN-codes 1507 tot en met 1518, indien deze zijn bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te worden gebruikt;
[...]
h)
producten van de GN-code 3824 90 99, indien deze zijn bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te worden gebruikt.
2. Deze richtlijn is eveneens van toepassing op elektriciteit van GN-code 2716.
3. De energieproducten waarvoor in deze richtlijn geen belastingniveau is vastgesteld en die bestemd zijn voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt als motor- of verwarmingsbrandstof, worden belast tegen het belastingniveau van de gelijkwaardige motor- of verwarmingsbrandstof, naargelang van het gebruik dat ervan gemaakt wordt.
[...]
4. Deze richtlijn is niet van toepassing op:
[...]
b)
de volgende vormen van gebruik van energieproducten en elektriciteit:
—
energieproducten gebruikt voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof,
[...]”
5
In artikel 3 van die richtlijn wordt bepaald:
„De verwijzingen naar ‚minerale oliën’ en ‚accijnzen’ in richtlijn [92/12] [van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop] (voor zover van toepassing op minerale oliën) zijn uit te leggen als verwijzingen naar alle energieproducten, elektriciteit en nationale indirecte belastingen bedoeld in artikel 2, respectievelijk artikel 4, lid 2, van de onderhavige richtlijn.”
6
Artikel 4, lid 2, van diezelfde richtlijn bepaalt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ‚belastingniveau’ verstaan het totaal van alle geheven indirecte belastingen ([belasting over de toegevoegde waarde] uitgezonderd), rechtstreeks of niet-rechtstreeks berekend over de hoeveelheid energieproducten en elektriciteit op het tijdstip van uitslag tot verbruik.”
7
In artikel 21, lid 5, van richtlijn 2003/96 wordt bepaald:
„Voor de toepassing van de artikelen 5 en 6 van richtlijn [92/12] worden elektriciteit en aardgas aan belasting onderworpen en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van levering door de distributeur of herdistributeur. [...]”
8
Artikel 1 van richtlijn 92/12 bepaalt:
„1. Deze richtlijn behelst de regeling van de producten onderworpen aan accijnzen en andere indirecte belastingen die direct of indirect worden geheven op het verbruik van die producten, met uitzondering van de belasting over de toegevoegde waarde en de door de Europese Gemeenschappen vastgestelde belastingen.
[...]”
9
Artikel 3, lid 1, van die richtlijn preciseert:
„Deze richtlijn is op communautair niveau van toepassing op de volgende producten zoals die zijn omschreven in de desbetreffende richtlijnen:
—
minerale oliën,
—
alcohol en alcoholhoudende dranken,
—
tabaksfabricaten.”
10
Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2008/118 bepaalt:
„Bij deze richtlijn wordt de algemene regeling vastgesteld ter zake van de directe of indirecte heffing van accijns op het verbruik van de volgende goederen, hierna ‚accijnsgoederen’ genoemd:
a)
energieproducten en elektriciteit vallende onder richtlijn 2003/96/EG;
[...]”
11
In artikel 47 van die richtlijn wordt bepaald:
„1. Richtlijn [92/12] wordt ingetrokken met ingang van 1 april 2010.
[...]
2. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze richtlijn.”
Zweeds recht
12
§ 1 van de lag (2000:466) om skatt på termisk effekt i kärnkraftsreaktorer (Zweedse wet inzake de heffing op het thermisch rendement van kernreactoren) bepaalt:
„Op het thermisch rendement van een kernreactor dient volgens de bepalingen van deze wet belasting te worden betaald aan de staat. Deze wet verstaat onder thermisch rendement het vermogen van de kernreactor om warmte te produceren.”
13
§ 2 van die wet preciseert dat „[d]e belasting dient te worden betaald per kalendermaand dat de vergunning tot bezit en exploitatie van een kernreactor geldt. Indien de exploitatievergunning vóór het einde van een kalendermaand is verstreken of ingetrokken, eindigt de belastingplicht op dat tijdstip”.
14
§ 3 van die wet bepaalt:
„Als belastingplichtige geldt degene die een vergunning tot bezit en exploitatie van een kernreactor heeft.”
15
In § 5 van die wet wordt bepaald:
„Voor een kernreactor die gedurende meer dan 90 opeenvolgende kalenderdagen buiten bedrijf is geweest, kan per kalenderdag die deze 90 dagen overschrijdt 415 [Zweedse kronen (SEK) (ongeveer 43,54 EUR)] per megawatt thermisch rendement worden afgetrokken.”
Feiten van het geding en prejudiciële vragen
16
OKG exploiteert een kerncentrale. Zij heeft over de belastingtijdvakken april, mei en juni 2009 de belasting op het thermisch rendement van kernreactoren betaald.
17
Nadien heeft die onderneming bezwaar gemaakt tegen het onderliggende besluit tot belastingheffing en van het Skatteverk terugbetaling gevorderd van die belasting. Ter ondersteuning van haar bezwaar heeft zij met name betoogd dat voornoemde belasting in de praktijk een met de artikelen 4, lid 2, en 21, lid 5, van richtlijn 2003/96 strijdige accijns vormde op de productie van elektriciteit.
18
Aangezien het Skatteverk zijn oorspronkelijke besluit handhaafde, heeft OKG beroep ingesteld bij de Förvaltningsrätt i Falun (administratieve rechtbank te Falun), die het beroep verwierp op grond dat de betrokken belasting noch onder richtlijn 2003/96, noch onder richtlijn 2008/118 viel.
19
OKG heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Zij betoogt dat de belasting op het thermisch rendement van kernreactoren in de praktijk een accijns vormt op de productie van elektriciteit, aangezien er een rechtstreeks verband bestaat tussen het thermisch rendement van de centrale en de door deze centrale geproduceerde elektriciteit. Het bestaan van een dergelijk verband blijkt des te duidelijker uit het feit dat indien de productie voor meer dan 90 opeenvolgende dagen wordt onderbroken, er geen belasting wordt geheven.
20
Ten slotte meent OKG dat de situatie vergelijkbaar is met die in de zaak die heeft geleid tot het arrest Braathens (C‑346/97, EU:C:1999:291) waarin het Hof heeft geoordeeld dat een belasting die wordt berekend op basis van een vast tarief op de geraamde waterkoolstofemissie van een vliegtuig, in feite wordt geheven op het brandstofverbruik van vliegtuigen, zodat richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën (PB L 316, blz. 12) van toepassing was en de litigieuze belasting onverenigbaar met die richtlijn was.
21
Het Skatteverk is van mening dat de betrokken belasting een forfaitaire belasting is, gebaseerd op de maximaal toegestane theoretische warmteproductiecapaciteit van een kernreactor, en geen variabele belasting die afhankelijk is van de daadwerkelijk geproduceerde hoeveelheid elektriciteit. Het Skatteverk blijft volhouden dat deze belasting ook wordt geheven wanneer de productie is onderbroken. Alleen bij een buitengewone productieonderbreking van meer dan 90 opeenvolgende dagen, is de belasting niet verschuldigd.
22
Daarop heeft de Kammarrätt i Sundsvall de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Artikel 4, lid 2, van richtlijn 2003/96 verstaat onder ‚belastingniveau’ het totaal van alle geheven indirecte belastingen ([belasting over de toegevoegde waarde] uitgezonderd), rechtstreeks of niet rechtstreeks berekend over de hoeveelheid energieproducten en elektriciteit op het tijdstip van uitslag tot verbruik. Volgens artikel 21, lid 5, van deze richtlijn wordt de belasting op elektriciteit verschuldigd op het tijdstip van levering door de distributeur of herdistributeur. Verzetten deze artikelen zich tegen een heffing op het thermisch rendement van kernreactoren?
2)
Is een heffing op het thermisch rendement een accijns die direct of indirect wordt geheven op het verbruik van goederen (accijnsgoederen) in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2008/118?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
23
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 4, lid 2, en 21, lid 5, van richtlijn 2003/96 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, krachtens welke een belasting wordt geheven op het thermisch rendement van kernreactoren.
24
Dienaangaande zij opgemerkt dat de eerste vraag, zoals die door de verwijzende rechter is geformuleerd, berust op de premisse dat richtlijn 2003/96 ratione materiae van toepassing is op het hoofdgeding. Krachtens artikel 1 van die richtlijn is de werkingssfeer daarvan beperkt tot belastingheffing op energieproducten en elektriciteit, zoals die worden omschreven in respectievelijk artikel 2, leden 1 en 2, van voornoemde richtlijn.
25
In deze omstandigheden dient vooraf te worden nagegaan of het begrip „thermisch rendement van een kernreactor”, opgevat als de warmteproductiecapaciteit van die reactor, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/96 valt.
26
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat artikel 2, lid 1, van die richtlijn het voor de toepassing van de richtlijn gehanteerde begrip „energieproducten” omschrijft door de producten die onder de definitie van dat begrip vallen uitputtend op te sommen, onder verwijzing naar de relevante codes van de gecombineerde nomenclatuur (arrest Kernkraftwerke Lippe-Ems, C‑5/14, EU:C:2015:354, punt 47).
27
Aangezien het thermisch rendement van een kernreactor niet op die lijst voorkomt, kan dit niet worden geacht een energieproduct te vormen in de zin van richtlijn 2003/96.
28
Die uitlegging vindt steun in de bepalingen van artikel 2, leden 1, 3 en 4, onder b), van die richtlijn, waaruit blijkt dat het begrip „energieproduct” enkel producten aanduidt die zijn bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te worden gebruikt. Dit is niet het geval met het thermisch rendement van een kernreactor, aangezien dit begrip duidt op de warmteproductiecapaciteit van de reactor.
29
Bijgevolg valt het thermisch rendement van een kernreactor niet onder het begrip „energieproduct”, in de zin van richtlijn 2003/96.
30
In de tweede plaats bepaalt artikel 2, lid 2, van richtlijn 2003/96 dat elektriciteit moet worden omschreven als in GN-code 2716.
31
In dit verband, en gelet op het begrip „belasting op het thermisch rendement van een kernreactor”, zoals omschreven in punt 28 van het onderhavige arrest, zij opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belasting bestaat in de heffing van een maandelijks forfaitair bedrag, dat wordt berekend aan de hand van een theoretische waarde, te weten het maximale aantal megawatt thermisch rendement dat voor elke reactor wordt vastgesteld in de vergunning tot bezit en exploitatie van die kernreactor die door de nationale autoriteit wordt afgegeven. Bovendien blijft de houder van een vergunning tot bezit en exploitatie van een kernreactor zelfs schuldenaar van de belasting op het thermisch rendement wanneer die reactor niet wordt gebruikt, met uitzondering van abnormale tijdvakken van productieonderbreking van meer dan 90 opeenvolgende dagen.
32
Bijgevolg bestaat er geen enkel verband tussen, enerzijds, het belastbaar feit waardoor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belasting verschuldigd wordt, te weten de warmteproductiecapaciteit van een kernreactor, en, anderzijds, de daadwerkelijke elektriciteitsproductie door die reactor.
33
Het thermisch rendement van een kernreactor, zoals dit wordt opgevat door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling, valt dus niet onder het begrip „elektriciteit” in de zin van richtlijn 2003/96.
34
In de derde plaats moet worden vastgesteld dat, in het licht van de overwegingen in de punten 31 en 32 van het onderhavige arrest, een belasting zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet kan worden geacht rechtstreeks of niet-rechtstreeks te zijn berekend over de hoeveelheid energieproducten en elektriciteit „op het tijdstip van uitslag tot verbruik”, in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2003/96.
35
Evenmin kan ervan uit worden gegaan dat er een rechtstreeks en onlosmakelijk verband bestaat tussen het belastbaar feit en het verbruik van elektriciteit die door een bepaalde kernreactor wordt geproduceerd, in de zin van het arrest Braathens (C‑346/97, EU:C:1999:291, punt 23).
36
Uit het voorgaande volgt dat een belasting als die in het hoofdgeding, die wordt geheven op het thermisch rendement van een kernreactor, niet binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.
37
Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de artikelen 4, lid 2, en 21, lid 5, van richtlijn 2003/96 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, krachtens welke een belasting wordt geheven op het thermisch rendement van kernreactoren, aangezien een dergelijke belasting niet binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.
Tweede vraag
38
Om te beginnen zij opgemerkt dat krachtens artikel 47 van richtlijn 2008/118, richtlijn 92/12 is ingetrokken met ingang van 1 april 2010. Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingtijdvakken vóór die datum liggen, dient de tweede vraag te worden onderzocht aan de hand van de bepalingen van richtlijn 92/12.
39
Bijgevolg dient de tweede vraag van de verwijzende rechter in die zin te worden begrepen dat die rechter in wezen wenst te vernemen of richtlijn 92/12 aldus moet worden uitgelegd dat een belasting op het thermisch rendement van een kernreactor, een „accijns” in de zin van die richtlijn vormt.
40
Volgens artikel 3, lid 1, van voornoemde richtlijn, is deze van toepassing op minerale oliën, alcohol en alcoholhoudende dranken, en tabaksfabricaten, zoals omschreven in de toepasselijke richtlijnen.
41
Uit artikel 3, van richtlijn 2003/96 volgt dat richtlijn 92/12 niet alleen de belasting op die producten, maar ook de heffing op de in de artikelen 2 en 4, lid 2, van richtlijn 2003/96 bedoelde producten, waaronder met name het verbruik van elektriciteit, regelt.
42
In dit verband heeft het Hof in punt 36 van het onderhavige arrest reeds vastgesteld dat een belasting als die in het hoofdgeding, niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/96 valt. Derhalve valt een dergelijke belasting evenmin binnen de werkingssfeer van richtlijn 92/12.
43
Derhalve dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat richtlijn 92/12 aldus moet worden uitgelegd dat een belasting op het thermisch rendement van een kernreactor geen „accijns” in de zin van die richtlijn vormt.
Kosten
44
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
1)
De artikelen 4, lid 2, en 21, lid 5, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, krachtens welke een belasting wordt geheven op het thermisch rendement van kernreactoren, aangezien een dergelijke belasting niet binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.
2)
Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, moet aldus worden uitgelegd dat een belasting op het thermisch rendement van een kernreactor geen „accijns” in de zin van die richtlijn vormt.
ondertekeningen
( * ) Procestaal: Zweeds.
Full & Egal Universal Law Academy