ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
9 juli 2015 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Landbouw — Gemeenschappelijke ordening van de markten — Bananen — Verordening (EG) nr. 2362/98 — Artikelen 7, 11 en 21 — Tariefcontingenten — Bananen van oorsprong uit ACS-landen — Marktdeelnemer-nieuwkomer — Invoercertificaten — Niet-overdraagbaarheid van uit bepaalde invoercertificaten voortvloeiende rechten — Misbruik — Verordening (EG) nr. 2988/95 — Artikel 4, lid 3”
In zaak C‑607/13,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) bij beslissing van 10 juli 2013, ingekomen bij het Hof op 25 november 2013, in de procedure
Ministero dell’Economia e delle Finanze,
Agenzia delle Dogane,
Europese Commissie
tegen
Francesco Cimmino,
Costantino Elmi,
Diletto Nicchi,
Vincenzo Nicchi,
Ivo Lazzeri,
Euclide Lorenzon,
Patrizia Mansutti,
Maurizio Misturelli,
Maurizio Momesso,
Mirjam Princic,
Marco Raffaelli,
Gianni Vecchi,
Marco Malavasi,
Massimo Malavasi,
Umberto Malavasi,
Carlo Mosca,
Luca Nicoli,
Raffaella Orsero,
Raffaello Orsero,
Erminia Palombini,
Matteo Surian,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, K. Jürimäe (rapporteur), J. Malenovský, M. Safjan en A. Prechal, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 november 2014,
gelet op de opmerkingen van:
—
E. Lorenzon, P. Mansutti, M. Misturelli, M. Momesso, M. Princic, M. Raffaelli en G. Vecchi, vertegenwoordigd door P. Rovatti, avvocato,
—
E. Palombini, vertegenwoordigd door W. Viscardini en G. Donà, avvocati,
—
M. Surian, vertegenwoordigd door R. Bettiol en B. Cortese, avvocati,
—
R. Orsero, vertegenwoordigd door F. Munari, R. Dominici en U. De Luca, avvocati,
—
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri, bijgestaan door A. Collabolletta, avvocato dello Stato,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en P. Rossi als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 februari 2015,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 11 en 21 van verordening (EG) nr. 2362/98 van de Commissie van 28 oktober 1998 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap (PB L 293, blz. 32), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1632/2000 van de Commissie van 25 juli 2000 (PB L 187, blz. 27; hierna: „verordening nr. 2362/98”), alsmede van artikel 4, lid 3, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds het Ministero dell’Economia e delle Finanze (ministerie van Economische Zaken en Financiën), de Agenzia delle Dogane (douaneautoriteit) en de Europese Commissie, en anderzijds de wettelijke vertegenwoordigers van ondernemingen die bananen van oorsprong uit landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (hierna: „ACS-staten”) alsmede uit andere derde landen invoeren in de Europese Unie, waaronder SIMBA SpA (hierna: „SIMBA”) en Rico Italia srl (hierna: „Rico Italia”). Het geding heeft betrekking op het bedrag aan douanerechten dat voor deze ondernemingen ter zake van die invoer is vastgesteld.
Toepasselijke bepalingen
Verordening (EEG) nr. 404/93
3
Titel IV van verordening nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PB L 47, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen (PB L 160, blz. 80, met rectificatie in PB 2000, L 302, blz. 72; hierna: „verordening nr. 404/93”) draagt het opschrift „Regeling voor het handelsverkeer met derde landen”. De artikelen 16 tot en met 20 van verordening nr. 404/93, die zich in die titel bevinden, bevatten voorschriften voor de tariefcontingenten die op bananen van oorsprong uit derde landen van toepassing zijn.
4
Artikel 16 van deze verordening bepaalt:
„De artikelen 16 tot en met 20 van deze titel zijn alleen van toepassing op verse producten van GN-code ex 0803 00 19.
In deze titel wordt verstaan onder:
1.
‚traditionele invoer uit de ACS-staten’, de invoer in de [Unie] van bananen van oorsprong uit de in de bijlage genoemde leverende staten, tot maximaal 857700 ton (nettogewicht) per jaar; de bij deze invoer betrokken hoeveelheden bananen worden hierna aangeduid als ‚traditionele ACS-bananen’;
2.
‚niet-traditionele invoer uit de ACS-staten’, de invoer in de [Unie] van bananen van oorsprong uit ACS-staten, die niet onder de in punt 1 vermelde definitie valt; de bij deze invoer betrokken hoeveelheden bananen worden hierna aangeduid als ‚niet-traditionele ACS-bananen’;
3.
‚invoer uit niet tot de ACS behorende derde staten’, de invoer in de [Unie] van bananen van oorsprong uit andere derde staten dan de ACS-staten; de bij deze invoer betrokken hoeveelheden bananen worden hierna aangeduid met ‚bananen uit derde staten’.”
5
Artikel 18 van deze verordening luidt als volgt:
„1. Voor elk jaar wordt een tariefcontingent van 2,2 miljoen ton nettogewicht geopend voor de invoer van bananen uit derde staten en niet-traditionele ACS-bananen.
In het kader van dit tariefcontingent wordt op de invoer van bananen uit derde staten een recht van 75 [EUR] per ton geheven en wordt op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast.
2. Ieder jaar wordt voor de invoer van bananen uit derde staten en niet-traditionele ACS-bananen een aanvullend tariefcontingent van 353000 ton (nettogewicht) geopend.
In het kader van dit tariefcontingent wordt op de invoer van bananen uit derde staten een recht van 75 [EUR] per ton geheven en wordt op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast.
3. Op de invoer van traditionele ACS-bananen wordt een nulrecht toegepast.
[...]”
6
Artikel 19, lid 1, van deze verordening bepaalt:
„Voor het beheer van de in artikel 18, leden 1 en 2, bedoelde tariefcontingenten en de invoer van traditionele ACS-bananen wordt de methode toegepast waarbij rekening wordt gehouden met de traditionele handelsstromen (de methode ‚traditioneel/nieuw’).
[...]”
Verordening nr. 2362/98
7
De overwegingen 6, 8, 10 en 14 van verordening nr. 2362/98 luiden als volgt:
„(6)
Overwegende dat een deel van de tariefcontingenten en van de traditionele ACS-bananen voor de marktdeelnemers die ‚nieuwkomers’ zijn, moet worden gereserveerd; dat deze totale toewijzing toereikend moet zijn om marktdeelnemers in staat te stellen met deze invoerhandel te beginnen en om een gezonde concurrentie te bevorderen;
[...]
(8)
Overwegende dat de over verscheidene jaren van toepassing van de communautaire invoerregeling voor bananen verworven ervaring leert dat de toelatingscriteria voor nieuwe marktdeelnemers dienen te worden aangescherpt om te voorkomen dat stromannen worden geregistreerd en er op artificiële of speculatieve aanvragen wordt toegewezen; dat het met name gerechtvaardigd is een minimale ervaring te verlangen in invoerhandel in vergelijkbare producten, met name in verse producten van de hoofdstukken 7 en 8 en, op bepaalde voorwaarden, in producten van hoofdstuk 9 van de gecombineerde nomenclatuur; dat het, om ook te voorkomen dat aanvragen om jaarlijkse toewijzingen worden ingediend die niet in verhouding staan tot de invoermogelijkheden van de marktdeelnemers en niet door aanvragen om invoercertificaten voor dienovereenkomstige hoeveelheden zouden worden gevolgd, dienstig is te bepalen dat bij de indiening van de aanvraag om een jaarlijkse toewijzing een zekerheid dient te worden gesteld die in de plaats komt van die voor het invoercertificaat [...];
[...]
(10)
Overwegende dat de bepalingen dienen te worden vastgesteld die voor de registratie van de marktdeelnemers en voor de bepaling van, naargelang van het geval, hun referentiehoeveelheid, respectievelijk hun jaarlijkse toewijzing gelden; dat dient te worden bepaald welke verificaties en controles door de bevoegde nationale autoriteiten dienen te worden verricht; dat dient te worden gepreciseerd welke consequenties aan de niet-nakoming van bepaalde verplichtingen op het gebied van, met name, de registratie en de verklaringen ter verkrijging van referentiehoeveelheden of toewijzingen in het kader van de invoerregeling dienen te worden verbonden;
[...]
(14)
Overwegende dat de voorwaarden voor en de gevolgen van een dergelijke certificaatoverdracht in het licht van de bij deze verordening vastgestelde definitie van de categorieën marktdeelnemers dienen te worden gespecificeerd; dat overdrachten die tot één enkele cessionaris per certificaat of certificaatuittreksel beperkt blijven, het mogelijk maken de handelsbetrekkingen tussen de onderscheiden geregistreerde marktdeelnemers te ontwikkelen; dat het evenwel niet wenselijk is aanleiding te geven tot totstandkoming van artificiële of speculatieve betrekkingen of tot verstoring van normale handelsbetrekkingen door overdrachten door ‚nieuwkomers’ ten gunste van ‚traditionele marktdeelnemers’ toe te staan”.
8
Artikel 2 van deze verordening voorziet erin dat de tariefcontingenten en de traditionele ACS-bananen als bedoeld in artikel 18, leden 1 en 2, onderscheidenlijk artikel 16 van verordening nr. 404/93 worden geopend ten belope van 92 % voor de „traditionele marktdeelnemers” als omschreven in artikel 3 van verordening nr. 2362/98, en 8 % voor de „marktdeelnemers-nieuwkomers” als omschreven in artikel 7 ervan.
9
Artikel 7 van verordening nr. 2362/98 bepaalt als volgt:
„Voor de doeleinden van deze verordening wordt onder ‚marktdeelnemer-nieuwkomer’ met het oog op invoer in het kader van de tariefcontingenten en de traditionele ACS-bananen verstaan, een bij zijn registratie in de [Unie] gevestigd economisch subject, dat
a)
gedurende één van de onmiddellijk aan het jaar waarvoor de registratie wordt gevraagd, voorafgaande drie jaren voor eigen rekening en autonoom een handelsactiviteit heeft uitgeoefend als importeur in de sector verse groenten en fruit van de hoofdstukken 7 en 8 van de tarief‑ en statistieknomenclatuur en van het gemeenschappelijk douanetarief alsmede in die van producten van hoofdstuk 9 ervan op voorwaarde dat ook producten van de hoofdstukken 7 en 8 ervan werden ingevoerd, en
b)
in het kader van die activiteit gedurende de onder a) bedoelde periode invoer met een aangegeven douanewaarde van ten minste 400000 [EUR] heeft gerealiseerd.”
10
Artikel 8, lid 4, eerste alinea, van deze verordening bepaalt:
„De belanghebbende marktdeelnemer moet, om verlenging van zijn registratie te verkrijgen, voor de bevoegde autoriteiten bewijzen dat hij daadwerkelijk voor eigen rekening ten minste 50 % van de hoeveelheid die hem voor het lopende jaar is toegewezen, heeft ingevoerd.”
11
Artikel 11, lid 1, van deze verordening luidt als volgt:
„De lidstaten controleren of de in deze afdeling vastgestelde bepalingen worden nageleefd.
Met name vergewissen zij zich ervan of de betrokken marktdeelnemers voor eigen rekening als economische eenheid die uit een oogpunt van leiding, personeel en werking autonoom is, in de in artikel 7 genoemde sector een activiteit op het gebied van invoer in de [Unie] uitoefenen. Wanneer er aanwijzingen zijn dat deze voorwaarden wellicht niet in acht worden genomen, kunnen de verzoeken om registratie en om een jaarlijkse toewijzing slechts in aanmerking worden genomen indien de betrokken marktdeelnemer bewijzen overlegt die door de bevoegde nationale autoriteit bevredigend worden geacht.”
12
De voorschriften voor de afgifte van de invoercertificaten zijn neergelegd in de artikelen 14 tot en met 22 van deze verordening. Artikel 21, leden 1 en 2, van genoemde verordening luidt als volgt:
„1. Onverminderd lid 2 van het onderhavige artikel, kunnen de rechten die uit de overeenkomstig dit hoofdstuk afgegeven invoercertificaten voortvloeien, onder de voorwaarden van artikel 9 van verordening (EEG) nr. 3719/88 [van de Commissie van 16 november 1988 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer‑ en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PB L 331, blz. 1)] aan één enkele marktdeelnemer-cessionaris worden overgedragen.
2. De rechten kunnen worden overgedragen:
a)
tussen overeenkomstig artikel 5 geregistreerde traditionele marktdeelnemers,
b)
door traditionele marktdeelnemers aan overeenkomstig artikel 8 geregistreerde marktdeelnemers-nieuwkomers, of
c)
tussen marktdeelnemers-nieuwkomers.
Overdracht door een marktdeelnemer-nieuwkomer aan een traditionele marktdeelnemer wordt niet toegestaan.”
Verordening nr. 2988/95
13
Artikel 4 van verordening nr. 2988/95 luidt als volgt:
„1. Iedere onregelmatigheid leidt in de regel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel:
—
door de verplichting de verschuldigde bedragen te betalen of de wederrechtelijk geïnde bedragen terug te betalen;
—
door het volledige of gedeeltelijke verlies van de zekerheid die is gesteld ter ondersteuning van het verzoek om het toegekende voordeel of bij de inning van het voorschot.
2. De toepassing van de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt beperkt tot de ontneming van het verkregen voordeel, vermeerderd met de rente – die forfaitair kan worden vastgesteld – in geval van een daartoe strekkende bepaling.
3. Wanneer vaststaat dat handelingen tot doel hebben om, door kunstmatig de voorwaarden te scheppen die voor het verkrijgen ervan nodig zijn, een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met de doelstellingen van het ter zake toepasselijke [Unierecht], wordt, naargelang van het geval, dit voordeel niet toegekend of wordt het ontnomen.
4. De in dit artikel bedoelde maatregelen worden niet als sancties beschouwd.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14
In de jaren 1999 en 2000 hebben er transacties plaatsgevonden waarbij bananen van oorsprong uit ACS-staten en uit niet tot de ACS behorende staten zijn ingevoerd in de Unie door ondernemingen die de hoedanigheid hadden van „marktdeelnemer-nieuwkomer” in de zin van artikel 7 van verordening nr. 2362/98 en in het bezit waren van de in het kader van de tariefcontingenten van verordening nr. 404/93 benodigde „AGRIM”-invoercertificaten. In dat kader viel de betrokken invoer, afhankelijk van het geval, onder het nulrecht of onder het verlaagde douanetarief van 75 EUR per ton (hierna: „preferentieel tarief”).
15
SIMBA, die wordt vertegenwoordigd door de heer en mevrouw Orsero, is een onderneming die, in de hoedanigheid van traditionele marktdeelnemer in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2362/98, actief is op de markt voor de invoer van bananen, en voorts actief is op de markt voor het in de handel brengen van bananen in de Unie. Rico Italia, die wordt vertegenwoordigd door M. Misturelli, is een als marktdeelnemer-nieuwkomer geregistreerde importeur.
16
Bij een belastinginspectie door de Guardia di Finanza (financiële inlichtingendienst) bij SIMBA is aan het licht gekomen dat er tussen SIMBA, Rico Italia en de marktdeelnemers-nieuwkomers in het hoofdgeding als frauduleus te kwalificeren handelspraktijken bestonden.
17
Deze praktijken zouden strekken tot omzeiling van het in artikel 21, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 2362/98 vervatte verbod op de overdracht van uit een invoercertificaat voortvloeiende rechten door marktdeelnemers-nieuwkomers aan traditionele marktdeelnemers, en zouden daarmee tot doel hebben om SIMBA door middel van de door de marktdeelnemers-nieuwkomers in het hoofdgeding verkregen „AGRIM”-invoercertificaten op wederrechtelijke wijze te laten profiteren van het preferentiële tarief voor de invoer van bananen.
18
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de activiteiten in het hoofdgeding de volgende opzet hadden:
—
om te beginnen verkocht SIMBA bananen die zich buiten het douanegebied van de Unie bevonden stelselmatig aan Rico Italia;
—
vervolgens verkocht Rico Italia de bananen door aan de marktdeelnemers-nieuwkomers in het hoofdgeding, die beschikten over de voor het preferentiële tarief benodigde invoercertificaten;
—
daarna voerden de marktdeelnemers-nieuwkomers in het hoofdgeding de bananen in de Unie in, om deze onmiddellijk na uitklaring terug te verkopen aan Rico Italia, en
—
ten slotte verkocht Rico Italia de bananen terug aan SIMBA.
19
De vertegenwoordigers van SIMBA, Rico Italia en de marktdeelnemers-nieuwkomers in het hoofdgeding zijn strafrechtelijk vervolgd ter zake van smokkel en het afleggen van valse verklaringen. Het Ministero dell’Economia e delle Finanze, de Agenzia delle Dogane en de Commissie hebben zich in die procedure gevoegd als civiele partij.
20
In eerste aanleg heeft het Tribunale di Verona (rechtbank van Verona, Italië) de vertegenwoordiger van Rico Italia schuldig bevonden aan de hem ten laste gelegde feiten en hem, oordelend over de civielrechtelijke belangen, veroordeeld om de civiele partijen de door hen geleden schade te vergoeden en om het Ministero dell’Economia e delle Finanze alsmede de Agenzia delle Dogane een voorschot te betalen. Deze rechter heeft de overige verdachten vrijgesproken.
21
De Corte d’appello di Venezia (gerechtshof van Venetië, Italië) heeft op grond van de overweging dat de aan de vertegenwoordiger van Rico Italia ten laste gelegde feiten waren verjaard, geoordeeld dat er geen grond bestond voor vervolging, maar heeft de uitspraak in eerste aanleg bevestigd wat betreft de civielrechtelijke belangen. Deze rechter heeft eveneens de vrijspraak van de marktdeelnemers-nieuwkomers in het hoofdgeding waartoe de rechter in eerste aanleg was gekomen, bevestigd op grond dat zij, anders dan Rico Italia, daadwerkelijk actief waren in de sector verse groenten en fruit en voldeden aan de voorwaarden om te worden erkend als marktdeelnemer-nieuwkomer in de zin van verordening nr. 2362/98.
22
In het door de civiele partijen tegen het arrest van de Corte d’appello di Venezia ingestelde cassatieberoep heeft de Corte suprema di cassazione (hof van cassatie) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moet artikel 11 van verordening (EG) nr. 2362/98, dat de lidstaten verplicht om zich ervan te vergewissen of de marktdeelnemers voor eigen rekening als economische eenheid die uit een oogpunt van leiding, personeel en werking autonoom is, een invoeractiviteit uitoefenen, aldus worden uitgelegd dat van de toegekende douanevoordelen zijn uitgesloten alle invoeractiviteiten die voor rekening van een traditionele marktdeelnemer worden verricht door ondernemingen die enkel formeel aan de in die verordening met betrekking tot ‚marktdeelnemers-nieuwkomers’ geformuleerde voorwaarden voldoen?
2)
Staat verordening (EG) nr. 2362/98 een traditionele marktdeelnemer toe om bananen die zich buiten het grondgebied van de Unie bevinden, aan een marktdeelnemer-nieuwkomer te verkopen en daarbij met die nieuwkomer overeen te komen dat deze de bananen tegen het preferentiële tarief in de Unie zal invoeren en ze vervolgens tegen een vóór de hele transactie overeengekomen prijs weer aan hem zal verkopen, zonder dat de nieuwkomer daarbij daadwerkelijk commercieel risico loopt of middelen beschikbaar hoeft te stellen?
3)
Is de in de tweede vraag bedoelde overeenkomst in strijd met het in artikel 21, lid 2, van verordening (EG) nr. 2362/98 gestelde verbod op de overdracht van rechten door marktdeelnemers-nieuwkomers aan traditionele marktdeelnemers, met als gevolg dat de gerealiseerde overdracht geen effect sorteert en overeenkomstig artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2988/95 het gewone douanetarief en niet het preferentiële tarief verschuldigd blijft?”
Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling
23
Op 5 februari 2015 is de mondelinge behandeling gesloten nadat de advocaat-generaal conclusie had genomen.
24
Bij brief van 19 maart 2015, bij het Hof op dezelfde dag binnengekomen, heeft M. Surian het Hof verzocht om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten en om de Corte suprema di cassazione te verzoeken om verduidelijking van de feiten in het hoofdgeding zoals deze rechter die in de verwijzingsbeslissing had beschreven. Bij brieven van 20 en 26 maart 2015, bij het Hof op die dagen binnengekomen, is een vergelijkbaar verzoek ingediend door de heer en mevrouw Orsero respectievelijk door E. Palombini.
25
Ter ondersteuning van hun verzoeken stellen deze partijen in wezen dat bepaalde van de in de verwijzingsbeslissing uiteengezette feiten afwijken van de in eerste aanleg en in hoger beroep vastgestelde feiten, een standpunt dat partijen ook in hun bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen en tijdens de pleitzitting naar voren hebben gebracht. Deze partijen betogen dat de conclusie van de advocaat-generaal daardoor is gebaseerd op onjuiste feiten die samenhangen met de onjuiste inhoud van die beslissing.
26
In dit verband dient te worden opgemerkt dat het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering, de opening of de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.
27
In dit geval is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het over alle noodzakelijke gegevens beschikt om de prejudiciële vragen te kunnen beantwoorden, en dat partijen hun standpunten over deze gegevens voldoende hebben kunnen uitwisselen.
28
Het Hof is eveneens van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om de Corte di cassazione te verzoeken om verduidelijking.
29
De verzoeken van Surian, de heer en mevrouw Orsero alsmede Palombini dienen derhalve te worden afgewezen.
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
30
Vastgesteld dient te worden dat de marktdeelnemers-nieuwkomers in het hoofdgeding de feiten in het hoofdgeding betwisten, zoals blijkt uit hun bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen en de discussie tijdens de terechtzitting bij het Hof. Deze betwisting ziet met name op de feitelijke veronderstellingen waarop de verwijzende rechter zijn vragen zou hebben gebaseerd, die volgens deze marktdeelnemers niet overeenkomen met de in de feitelijke instanties vastgestelde feiten.
31
Gelet hierop stellen dat marktdeelnemers-nieuwkomers dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is.
32
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van Unierecht die de nationale rechter stelt binnen het juridische en feitelijke kader dat hij onder zijn verantwoordelijkheid bepaalt en waarvan het niet aan het Hof staat de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arrest Genil 48 en Comercial Hostelera de Grandes Vinos, C‑604/11, EU:C:2013:344, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Vastgesteld dient te worden dat dit in casu niet het geval is.
34
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt immers dat de uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 2362/98, en in het bijzonder van de artikelen 7, 11 en 21 ervan, nodig is voor de beslechting van het geschil in het hoofdgeding, met name om vast te stellen of de transacties in het hoofdgeding in het licht van het Unierecht misbruik opleveren. Het bij de Corte suprema di cassazione ingestelde cassatieberoep heeft in dat verband betrekking op de juistheid van de uitlegging die de Corte d’appello di Venezia aan deze bepalingen heeft gegeven.
35
Voorts dient er eveneens aan te worden herinnerd dat het Hof in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU geen uitspraak kan doen over een feitelijk geschil. Een dergelijk geschil, zoals overigens elke waardering van de feiten van de zaak, behoort tot de bevoegdheid van de nationale rechter (arrest CEPSA, C‑279/06, EU:C:2008:485, punt 30 en aangehaalde rechtspraak).
36
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is dan ook ontvankelijk.
Eerste vraag
37
Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, het de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Met het oog hierop moet het Hof de hem voorgelegde vragen eventueel herformuleren (zie met name arrest Douane Advies Bureau Rietveld, C‑541/13, EU:C:2014:2270, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
In dit verband staat het aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (zie in deze zin arrest eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen, C‑119/13 en C‑120/13, EU:C:2014:2144, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Hoewel de gestelde vraag in dit geval betrekking heeft op de uitlegging van artikel 11 van verordening nr. 2362/98, blijkt uit de volledige tekst van de vraag alsmede uit de door de nationale rechter in de verwijzingsbeslissing verstrekte gegevens dat de vraag van deze rechter in feite ziet op de voorwaarde vervat in artikel 7, onder a), van die verordening, gelezen in het licht van artikel 11 ervan, op grond waarvan een „marktdeelnemer-nieuwkomer” zijn invoeractiviteit „voor eigen rekening en autonoom” moet uitoefenen.
40
Hoewel vaststaat dat de marktdeelnemers-nieuwkomers in het hoofdgeding bij hun registratie voldeden aan die voorwaarde, beoogt de verwijzende rechter in het hoofdgeding immers vast te stellen of deze marktdeelnemers, gelet op hun betrokkenheid bij de transacties die in het hoofdgeding aan de orde zijn, geacht kunnen worden hun invoeractiviteit op de bananenmarkt te hebben uitgeoefend in overeenstemming met de eisen van die verordening.
41
Derhalve dient de eerste prejudiciële vraag aldus te worden opgevat dat wordt gevraagd of artikel 7, onder a), van verordening nr. 2362/98, gelezen in het licht van artikel 11 van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat de voorwaarde dat een economisch subject „voor eigen rekening en autonoom” als importeur een handelsactiviteit uitoefent, enkel geldt voor de registratie van dit subject als „marktdeelnemer-nieuwkomer” in de zin van artikel 7, onder a), van verordening nr. 2362/98, of dat deze voorwaarde ook moet zijn vervuld wil dit subject die hoedanigheid kunnen behouden met het oog op invoer van bananen in het kader van de tariefcontingenten waarin is voorzien bij verordening nr. 404/93.
42
Om te beginnen dient erop te worden gewezen dat bij verordening nr. 404/93 een regeling is ingesteld voor de handel met derde staten op het gebied van de invoer van bananen in de Unie, waarin de tariefcontingenten als bedoeld in artikel 18, leden 1 en 2, van die verordening centraal staan.
43
Voor het beheer van deze tariefcontingenten wordt op grond van artikel 19, lid 1, van genoemde verordening de methode „traditioneel/nieuw” toegepast waarbij enerzijds rekening wordt gehouden met de traditionele handel, maar er anderzijds ook een bepaalde hoeveelheid wordt gereserveerd voor nieuwe marktdeelnemers die nog maar pas in deze sector actief zijn of dat binnenkort zullen zijn, zoals is aangegeven in de dertiende overweging van die verordening.
44
Met het oog hierop voorziet artikel 2 van verordening nr. 2362/98 in een verdeling van de in het kader van de genoemde tariefcontingenten beschikbare hoeveelheden bananen over traditionele marktdeelnemers en marktdeelnemers-nieuwkomers. Uit overweging 6 van deze verordening blijkt dat deze verdeling erop is gericht om marktdeelnemers in staat te stellen met de invoerhandel in bananen te beginnen en om een gezonde concurrentie te bevorderen.
45
In verordening nr. 2362/98 is de deelname van marktdeelnemers aan de tariefcontingenten dan ook onderworpen aan bepaalde specifieke voorwaarden teneinde de in het vorige punt van dit arrest genoemde verdeling te kunnen handhaven.
46
Tot deze voorwaarden behoren de in artikel 7 van die verordening neergelegde voorwaarden inzake het verkrijgen van de hoedanigheid van „marktdeelnemer-nieuwkomer”. Volgens dit artikel wordt onder een „marktdeelnemer-nieuwkomer” verstaan een bij zijn registratie in de Unie gevestigd economisch subject dat onder meer gedurende één van de onmiddellijk aan het jaar waarvoor de registratie wordt gevraagd, voorafgaande drie jaren voor eigen rekening en autonoom een handelsactiviteit heeft uitgeoefend als importeur in de sector verse groenten en fruit van de hoofdstukken 7 en 8 van het gemeenschappelijk douanetarief.
47
Hoewel uit de bewoordingen van artikel 7 volgt dat een importeur ter verkrijging van de hoedanigheid van marktdeelnemer-nieuwkomer „bij zijn registratie” moet voldoen aan de in dit artikel vervatte voorwaarden, blijkt uit deze bewoordingen eveneens dat deze hoedanigheid wordt verkregen „met het oog op invoer in het kader van de tariefcontingenten”.
48
Gelet op de met de verdeling van de tariefcontingenten nagestreefde doelstelling en met het oog op het behoud van een gezonde concurrentie op de markt voor de invoer van bananen, zoals in herinnering geroepen in punt 44 van dit arrest, kan de voorwaarde dat een marktdeelnemer-nieuwkomer zijn activiteiten „voor eigen rekening en autonoom” uitoefent, dan ook niet aldus worden uitgelegd dat deze slechts is beperkt tot de activiteiten die hij in de periode vóór zijn registratie heeft ontplooid, maar reikt deze verder dan die periode.
49
De verdeling van tariefcontingenten over traditionele marktdeelnemers en marktdeelnemers-nieuwkomers veronderstelt immers dat echte marktdeelnemers-nieuwkomers tot de markt toetreden en zo hun economische activiteiten ten volle ontwikkelen (zie in deze zin arrest Di Lenardo en Dilexport, C‑37/02 en C‑38/02, EU:C:2004:443, punten 84 en 87). In dit verband zijn de toelatingscriteria voor nieuwe marktdeelnemers erop gericht om in het kader van het beheer van de tariefcontingenten te voorkomen dat stromannen worden geregistreerd en daarmee om kunstmatige constructies en speculatie te bestrijden, zoals blijkt uit overweging 8 van verordening nr. 2362/98.
50
De in artikel 7, onder a), van verordening nr. 2362/98 bedoelde voorwaarde inzake de autonome handelsactiviteit van marktdeelnemers-nieuwkomers heeft dus tot doel om te voorkomen dat een traditionele marktdeelnemer die al gebruik maakt van een deel van de tariefcontingenten, zich via een andere marktdeelnemer het voor marktdeelnemers-nieuwkomers gereserveerde aandeel van de tariefcontingenten kan toe-eigenen.
51
Dat betekent dat die voorwaarde aldus moet worden uitgelegd dat deze ook betrekking heeft op de invoer van bananen die marktdeelnemers-nieuwkomers verrichten in het kader van de tariefcontingenten. Deze uitlegging vindt verder bevestiging in de context van artikel 7, onder a), van verordening nr. 2362/98.
52
In de eerste plaats bepaalt artikel 8, lid 4, van deze verordening immers dat die marktdeelnemers, om verlenging van hun registratie te verkrijgen, aan de bevoegde autoriteiten moeten bewijzen dat zij daadwerkelijk voor eigen rekening ten minste 50 % van de hoeveelheid die hun voor het lopende jaar individueel is toegewezen, hebben ingevoerd. Zoals de advocaat-generaal in punt 64 van haar conclusie heeft opgemerkt, betreft dit een voorwaarde op grond waarvan deze marktdeelnemers gehouden zijn tot een minimumgebruik van hun jaarlijkse toewijzing teneinde te verzekeren dat zij ook daadwerkelijk spelers op de invoermarkt van bananen worden en zodoende de concurrentie op die markt vergroten.
53
In de tweede plaats moeten de lidstaten zich er op grond van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 2362/98 van vergewissen dat marktdeelnemers-nieuwkomers voor eigen rekening als autonome economische eenheid een activiteit op het gebied van invoer in de Unie uitoefenen, en in geval van twijfel of deze voorwaarden in acht worden genomen moet de betrokken marktdeelnemer, om zijn verzoeken om registratie en om een jaarlijkse toewijzing in aanmerking te laten komen en zijn autonomie op beheersvlak aan te tonen, aan de bevoegde nationale autoriteit bewijzen overleggen die door deze autoriteit „bevredigend” worden geacht (zie in deze zin arrest Di Lenardo en Dilexport, C‑37/02 en C‑38/02, EU:C:2004:443, punt 86).
54
Gelet op een en ander dient op de eerste vraag dan ook te worden geantwoord dat artikel 7, onder a), van verordening nr. 2362/98, gelezen in het licht van artikel 11 van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat de voorwaarde dat een economisch subject „voor eigen rekening en autonoom” als importeur een handelsactiviteit uitoefent, niet enkel geldt voor de registratie van dit subject als „marktdeelnemer-nieuwkomer” in de zin van deze bepaling, maar ook moet zijn vervuld teneinde dit subject die hoedanigheid te kunnen laten behouden met het oog op invoer van bananen in het kader van de tariefcontingenten waarin is voorzien bij verordening nr. 404/93.
Tweede vraag en eerste deel van de derde vraag
55
Met zijn tweede vraag en het eerste deel van de derde vraag, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 21, lid 2, van verordening nr. 2362/98 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling in de weg staat aan transacties zoals in het hoofdgeding waarbij een marktdeelnemer-nieuwkomer via een andere als nieuwkomer geregistreerde marktdeelnemer een product vóór de invoer ervan in de Unie koopt van een traditionele marktdeelnemer, en dit product vervolgens, na het te hebben ingevoerd in de Unie, via dezelfde tussenpersoon terugverkoopt aan deze traditionele marktdeelnemer.
56
Ingevolge artikel 21, lid 2, van verordening nr. 2362/98 mogen de rechten die uit de overeenkomstig deze verordening afgegeven invoercertificaten voortvloeien niet worden overgedragen wanneer deze overdracht wordt verricht door een marktdeelnemer-nieuwkomer ten gunste van een traditionele marktdeelnemer.
57
Vast staat dat artikel 21, lid 2, van verordening nr. 2362/98 in beginsel niet van toepassing is in het kader van de transacties in het hoofdgeding, nu de marktdeelnemers-nieuwkomers in het hoofdgeding geen „AGRIM”-certificaten of uit dergelijke certificaten voortvloeiende rechten hebben overgedragen aan de traditionele marktdeelnemer SIMBA.
58
Ten aanzien van transacties op het gebied van invoer die in wezen vergelijkbaar zijn met die in het hoofdgeding, heeft het Hof in zijn arrest SICES e.a. (C‑155/13, EU:C:2014:145, punt 40) evenwel geoordeeld dat artikel 6, lid 4, van verordening (EG) nr. 341/2007 van de Commissie van 29 maart 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van tariefcontingenten en instelling van een stelsel van invoercertificaten en certificaten van oorsprong voor uit derde landen ingevoerde knoflook en bepaalde andere landbouwproducten (PB L 90, blz. 12), dat voorziet in een verbod op de overdracht van uit invoercertificaten voortvloeiende rechten, zich in beginsel weliswaar niet verzet tegen dergelijke transacties, maar dat deze transacties misbruik van recht opleveren wanneer zij kunstmatig in het leven zijn geroepen met als voornaamste doel om te profiteren van het preferentiële tarief.
59
Zoals de advocaat-generaal in punt 95 van haar conclusie heeft opgemerkt, kan de in het arrest SICES e.a. (C‑155/13, EU:C:2014:145) gevolgde benadering worden toegepast in het hoofdgeding.
60
In dit verband dient te worden opgemerkt dat het Hof in zijn prejudiciële beslissing in voorkomend geval weliswaar preciseringen kan geven die voor de nationale rechter als leidraad kunnen dienen bij zijn uitlegging, maar dat het desalniettemin aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of in het hoofdgeding sprake is van de essentiële bestanddelen van misbruik. Binnen deze context dient de verwijzende rechter, wanneer hij nagaat of van een dergelijk misbruik sprake is, alle feiten en omstandigheden van de zaak in aanmerking te nemen, met inbegrip van de handelstransacties die aan de betrokken invoer vooraf gingen en de handelstransacties die op die invoer volgden (arrest SICES e.a., C‑155/13, EU:C:2014:145, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61
Volgens de rechtspraak van het Hof is, om te kunnen bewijzen dat het om misbruik gaat, enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de regelgeving van de Unie opgelegde voorwaarden, het door deze regelgeving beoogde doel niet is bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de regelgeving van de Unie toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat (zie met name arrest Eichsfelder Schlachtbetrieb, C‑515/03, EU:C:2005:491, punt 39, alsmede, in deze zin, arrest SICES e.a., C‑155/13, EU:C:2014:145, punten 31‑33).
62
Wat in de eerste plaats het met verordening nr. 2362/98 nagestreefde doel betreft zoals dat in punt 44 van dit arrest in herinnering is gebracht, is deze verordening erop gericht om door verdeling van de tariefcontingenten echte nieuwkomers in staat te stellen om hun activiteiten op de invoermarkt voor bananen te ontwikkelen, met het oogmerk om een gezonde concurrentie op die markt te bevorderen. Om dit doel te bereiken is het verbod op de overdracht van rechten door marktdeelnemers-nieuwkomers aan traditionele marktdeelnemers in artikel 21, lid 2, tweede alinea, van genoemde verordening erop gericht om de totstandkoming van kunstmatige of speculatieve betrekkingen tussen deze marktdeelnemers of een verstoring van normale handelsbetrekkingen op deze markt te voorkomen, zoals blijkt uit overweging 14 van deze verordening.
63
Vastgesteld dient dan ook te worden dat het met de regelgeving van de Unie nagestreefde doel niet kan worden bereikt indien opeenvolgende transacties inzake de koop, invoer en terugverkoop van bananen zoals die in het hoofdgeding, ook al zijn zij afzonderlijk beschouwd rechtsgeldig, in de praktijk neerkomen op een verboden overdracht van invoercertificaten of uit dergelijke certificaten voortvloeiende rechten door een marktdeelnemer-nieuwkomer aan een traditionele marktdeelnemer, op grond waarvan laatstgenoemde een verdergaande invloed kan verwerven dan beantwoordt aan het hem toebedeelde aandeel in de tariefcontingenten voor de invoer van bananen in de Unie tegen het preferentiële tarief.
64
Wat in de tweede plaats de beweegreden voor deze transacties betreft, moet met het oog op het bewijs van misbruik ook worden aangetoond dat het voornaamste doel van deze transacties erin bestaat de betrokken traditionele marktdeelnemer in staat te stellen om in het kader van het voor marktdeelnemers-nieuwkomers gereserveerde aandeel in de tariefcontingenten zijn eigen bananen tegen het preferentiële tarief in te voeren.
65
Zoals het Hof voor recht heeft verklaard in het arrest SICES e.a. (C‑155/13, EU:C:2014:145, punten 37‑39) is, teneinde transacties zoals in het hoofdgeding te kunnen aanmerken als transacties die als voornaamste doel hebben de koper in de Unie een wederrechtelijk voordeel te verlenen, in dit verband vereist dat de importeurs de bedoeling hebben gehad aan deze koper een dergelijk voordeel te verlenen en dat er voor de transacties geen economische en commerciële rechtvaardiging bestaat. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan. Zelfs indien dergelijke transacties zijn gebaseerd op de wens van de koper om te profiteren van het preferentiële tarief, en zelfs indien deze importeurs zich daarvan bewust zijn, kunnen deze niet a priori worden aangemerkt als transacties waarvoor geen economische en commerciële rechtvaardiging bestaat. Het kan evenwel niet worden uitgesloten dat in bepaalde omstandigheden dergelijke transacties kunstmatig in het leven zijn geroepen met als voornaamste doel om te profiteren van het preferentiële tarief.
66
De vraag of de transacties in het hoofdgeding kunstmatig zijn, zou in het bijzonder kunnen worden onderzocht aan de hand van het bestaan van aanwijzingen waaruit zou blijken dat de marktdeelnemers-nieuwkomers in het hoofdgeding in het kader van de genoemde transacties in werkelijkheid enkel en alleen als stroman voor SIMBA zijn opgetreden. Gelet op de in de beantwoording van de eerste vraag genoemde aspecten komt deze beoordeling er overigens op neer dat wordt nagegaan of deze marktdeelnemers uitsluitend om tegen het preferentiële tarief voor rekening van de traditionele marktdeelnemer SIMBA bananen in te voeren in de Unie hebben verzocht om registratie als marktdeelnemer-nieuwkomer, met het oogmerk om „AGRIM”-certificaten te verkrijgen.
67
In dit kader kan de verwijzende rechter alle juridische, economische en/of persoonlijke banden tussen de bij die transacties betrokken ondernemingen in aanmerking nemen (arrest Part Service, C‑425/06, EU:C:2008:108, punt 62) en, uitgaande van de aanwijzingen zoals genoemd in punt 39 van het arrest SICES e.a. (C‑155/13, EU:C:2014:145), rekening houden met de omstandigheid dat de marktdeelnemer-nieuwkomer die houder is van de „AGRIM”-certificaten geen enkel commercieel risico heeft gelopen in het kader van de transacties in het hoofdgeding, aangezien het risico in werkelijkheid werd gedekt door de in de Unie gevestigde koper, die tevens een traditionele marktdeelnemer is, of met de omstandigheid dat, gelet op prijzen bij de koop en terugverkoop van het betrokken producten, de winstmarge van de marktdeelnemers-nieuwkomers onbeduidend is gebleken.
68
Daarentegen dient gepreciseerd te worden dat de vraag of de marktdeelnemers in kwestie eigen voorzieningen tot hun beschikking hebben gehad voor de opslag en het vervoer van de ingevoerde bananen, gezien de specifieke eigenschappen van de invoermarkt voor bananen niet beslissend is voor de vaststelling of de transacties in het hoofdgeding kunstmatig zijn, zoals de importeurs-nieuwkomers in het hoofdgeding hebben betoogd in hun bij het Hof neergelegde schriftelijke opmerkingen. Indien van de marktdeelnemers-nieuwkomers zou worden geëist dat zij over dergelijke voorzieningen beschikken, zou dit immers indruisen tegen de doelstelling van verordening nr. 2362/98, die erin bestaat nieuwkomers in staat te stellen om actief te worden op de invoermarkt voor bananen.
69
Zoals de Commissie in haar opmerkingen naar voren brengt, zou de kunstmatigheid van de transacties in het hoofdgeding verder ook kunnen volgen uit de omstandigheid dat een als marktdeelnemer-nieuwkomer geregistreerde vennootschap, in dit geval Rico Italia, stelselmatig als tussenpersoon bij deze transacties betrokken is geweest, indien blijkt dat deze betrokkenheid enkel tot doel heeft gehad om de banden tussen een traditionele marktdeelnemer, zoals SIMBA, en marktdeelnemers-nieuwkomers, zoals die in het hoofdgeding, aan het zicht te onttrekken met het oogmerk om te ontkomen aan de toepassing van artikel 21, lid 2, van verordening nr. 2362/98.
70
Derhalve dient op de tweede vraag en het eerste deel van de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 21, lid 2, van verordening nr. 2362/98 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan transacties zoals in het hoofdgeding waarbij een marktdeelnemer-nieuwkomer via een andere als nieuwkomer geregistreerde marktdeelnemer een product vóór de invoer ervan in de Unie koopt van een traditionele marktdeelnemer, en dit product vervolgens, na het te hebben ingevoerd in de Unie, via dezelfde tussenpersoon terugverkoopt aan deze traditionele marktdeelnemer, wanneer die transacties misbruik opleveren, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.
Tweede deel van de derde vraag
71
Met het tweede deel van de derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen welke gevolgen aan de vaststelling van misbruik dienen te worden verbonden ingeval het bestaan van dergelijk misbruik in het hoofdgeding mocht worden vastgesteld.
72
In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2988/95 bepaalt dat „[w]anneer vaststaat dat handelingen tot doel hebben om, door kunstmatig de voorwaarden te scheppen die voor het verkrijgen ervan nodig zijn, een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met de doelstellingen van het ter zake toepasselijke [Unierecht], [...] naargelang van het geval, dit voordeel niet [wordt] toegekend of wordt [...] ontnomen”.
73
De verplichting om een door een onregelmatige praktijk ten onrechte ontvangen voordeel terug te betalen vormt geen sanctie, maar is het loutere gevolg van de vaststelling dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het uit de regelgeving van de Unie voortvloeiende voordeel, kunstmatig zijn gecreëerd, zodat het ontvangen voordeel niet verschuldigd was en dus moet worden terugbetaald (zie arrest Pometon, C‑158/08, EU:C:2009:349, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74
Bijgevolg dient de verwijzende rechter de transacties die het gevolg zijn van misbruik, zo te herdefiniëren dat de situatie wordt hersteld zoals zij zou zijn geweest zonder de transacties die dit misbruik vormen (zie naar analogie arrest Halifax e.a., C‑255/02, EU:C:2006:121, punt 94).
75
De marktdeelnemer die zelf kunstmatig een situatie in het leven heeft geroepen waarin hij wederrechtelijk gebruik kan maken van het preferentiële tarief voor de invoer van bananen, moet de rechten op de betrokken producten dus betalen, onverminderd de eventuele door de nationale wetgeving vastgestelde administratieve, civielrechtelijke of strafrechtelijke sancties (zie naar analogie Christodoulou e.a., C‑116/12, EU:C:2013:825, punt 68).
76
Derhalve dient op het tweede deel van de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat de vaststelling van misbruik in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding met zich brengt dat de marktdeelnemer die zelf kunstmatig een situatie in het leven heeft geroepen waarin hij wederrechtelijk gebruik kan maken van het preferentiële tarief voor de invoer van bananen, de rechten op de betrokken producten moet betalen, onverminderd de eventuele door de nationale wetgeving vastgestelde administratieve, civielrechtelijke of strafrechtelijke sancties.
Kosten
77
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
1)
Artikel 7, onder a), van verordening (EG) nr. 2362/98 van de Commissie van 28 oktober 1998 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1632/2000 van de Commissie van 25 juli 2000, gelezen in het licht van artikel 11 van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat de voorwaarde dat een economisch subject „voor eigen rekening en autonoom” als importeur een handelsactiviteit uitoefent, niet enkel geldt voor de registratie van dit subject als „marktdeelnemer-nieuwkomer” in de zin van deze bepaling, maar ook moet zijn vervuld teneinde dit subject die hoedanigheid te kunnen laten behouden met het oog op invoer van bananen in het kader van de tariefcontingenten waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen.
2)
Artikel 21, lid 2, van verordening nr. 2362/98, zoals gewijzigd, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan transacties zoals in het hoofdgeding waarbij een marktdeelnemer-nieuwkomer via een andere als nieuwkomer geregistreerde marktdeelnemer een product vóór de invoer ervan in de Unie koopt van een traditionele marktdeelnemer, en dit product vervolgens, na het te hebben ingevoerd in de Unie, via dezelfde tussenpersoon terugverkoopt aan deze traditionele marktdeelnemer, wanneer die transacties misbruik opleveren, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.
3)
Artikel 4, lid 3, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, moet aldus worden uitgelegd dat de vaststelling van misbruik in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding met zich brengt dat de marktdeelnemer die zelf kunstmatig een situatie in het leven heeft geroepen waarin hij wederrechtelijk gebruik kan maken van het preferentiële tarief voor de invoer van bananen, de rechten op de betrokken producten moet betalen, onverminderd de eventuele door de nationale wetgeving vastgestelde administratieve, civielrechtelijke of strafrechtelijke sancties.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy