ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
26 januari 2017 ( *1 )
„Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen — Belgische, Duitse, Franse, Italiaanse, Nederlandse en Oostenrijkse markt van badkamersanitair — Onderlinge afstemming van de verkoopprijzen en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie — Verordening (EG) nr. 1/2003 — Artikel 31 — Motiveringsplicht”
In zaak C‑609/13 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 21 november 2013,
Duravit AG, gevestigd te Hornberg (Duitsland),
Duravit SA, gevestigd te Bischwiller (Frankrijk),
Duravit BeLux BVBA, gevestigd te Overijse (België),
vertegenwoordigd door U. Soltész en C. von Köckritz, Rechtsanwälte,
rekwirantes,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre en L. Malferrari als gemachtigden, bijgestaan door A. Böhlke, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
Raad van de Europese Unie,
interveniënt in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Tizzano, vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, M. Berger, E. Levits, S. Rodin (rapporteur) en F. Biltgen, rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: K. Malacek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 september 2015,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 november 2015,
het navolgende
Arrest
1
De hogere voorziening van Duravit AG, Duravit SA en Duravit BeLux BVBA strekt tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 16 september 2013, Duravit e.a./Commissie (T‑364/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:477; hierna: „bestreden arrest”), houdende gedeeltelijke toewijzing van hun verzoek tot nietigverklaring van besluit C(2010) 4185 definitief van de Commissie van 23 juni 2010 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/39092 – Badkamersanitair) (hierna: „litigieus besluit”), en, subsidiair, verlaging van de geldboete die hun bij dat besluit is opgelegd.
Toepasselijke bepalingen
2
Artikel 31 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de tenuitvoerlegging van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), bepaalt het volgende:
„Het Hof van Justitie heeft volledige rechtsmacht ter zake van beroep tegen beschikkingen van de Commissie waarin een geldboete of een dwangsom wordt vastgesteld. Het kan de opgelegde geldboete of dwangsom intrekken, verlagen of verhogen.”
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
3
De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 25 van het bestreden arrest uiteengezet en kan als volgt worden samengevat.
4
Rekwirantes zijn fabrikanten van keramische producten.
5
Bij het litigieuze besluit heeft de Commissie een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3), in de sector van het badkamersanitair vastgesteld. Deze inbreuk, waaraan 17 ondernemingen hebben deelgenomen, heeft in verschillende tijdvakken tussen 16 oktober 1992 en 9 november 2004 plaatsgevonden in de vorm van een samenstel van mededingingsverstorende overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen op het Belgische, Duitse, Franse, Italiaanse, Nederlandse en Oostenrijkse grondgebied.
6
Op 15 juli 2004 hebben Masco Corp. en haar dochterondernemingen, waaronder Hansgrohe AG, die kranen en fittingen vervaardigt, en Hüppe GmbH, die douchewanden vervaardigt, de Commissie in kennis gesteld van het bestaan van een mededingingsregeling in de sector van het badkamersanitair en hebben zij verzocht om toekenning van immuniteit tegen geldboeten op grond van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3), of, bij gebreke daarvan, om vermindering van het bedrag van de geldboeten die hun zouden kunnen worden opgelegd.
7
Op 9 en 10 november 2004 heeft de Commissie onaangekondigde inspecties verricht in de bedrijfsruimten van meerdere ondernemingen en nationale brancheorganisaties die in de sector van het badkamersanitair actief zijn. Na tussen 15 november 2005 en 16 mei 2006 verzoeken om inlichtingen te hebben verzonden aan meerdere ondernemingen en verenigingen die in de sector van het badkamersanitair actief waren, daaronder begrepen rekwirantes, heeft de Commissie op 26 maart 2007 een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, waarvan aan hen is kennisgegeven. In de periode tussen 15 november 2004 en 20 januari 2006 hebben meerdere ondernemingen, waaronder rekwirantes, om boete-immuniteit of verlaging van de geldboete verzocht.
8
Bij brief van 31 juli 2007 hebben rekwirantes hun opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van punten van bezwaar van 26 maart 2007 aan de Commissie toegezonden.
9
Na een hoorzitting, die van 12 tot en met 14 november 2007 is gehouden, en de toezending van een letter of facts op 9 juli 2009, waarin hun aandacht werd gevestigd op bepaalde bewijzen waarop de Commissie zich wilde baseren in het kader van de vaststelling van een eindbesluit, heeft de Commissie op 23 juni 2010 het litigieuze besluit vastgesteld.
10
In het litigieuze besluit heeft de Commissie geoordeeld dat de geconstateerde inbreuk bestond in, ten eerste, coördinatie van de jaarlijkse prijsverhogingen en van andere prijsstellingsfactoren door die fabrikanten van badkamersanitair in het kader van regelmatige vergaderingen binnen nationale brancheorganisaties, ten tweede, vaststelling of coördinatie van de prijzen naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen zoals de stijging van de kostprijs van de grondstoffen, de invoering van de euro of de invoering van wegentol, en, ten derde, de openbaarmaking en de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie. Daarnaast heeft de Commissie geconstateerd dat de vaststelling van de prijzen in de sector van het badkamersanitair volgens een jaarlijkse cyclus verliep. In dat kader stelden de fabrikanten hun prijslijsten vast, die in het algemeen voor een jaar geldig waren en die als basis dienden voor hun commerciële relaties met de groothandelaren.
11
De Commissie heeft tevens vastgesteld dat de hierboven omschreven gedragingen deel uitmaakten van een globaal plan om de mededinging tussen de adressaten van het litigieuze besluit te beperken, en de kenmerken vertoonden van één enkele voortdurende inbreuk, die drie productsubgroepen omvatte, namelijk kranen en fittingen, douchewanden en hun accessoires en keramische producten (hierna: „drie productsubgroepen”) en het grondgebied van België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland en Oostenrijk bestreek. Wat de organisatie van het kartel betreft, heeft de Commissie gewezen op het bestaan van nationale brancheorganisaties waarvan de leden een werkzaamheid op het gebied van alle drie de productsubgroepen hadden, die zij „overkoepelende organisaties” heeft genoemd, van nationale brancheorganisaties waarvan de leden een werkzaamheid op het gebied van ten minste twee van de drie productsubgroepen hadden, die zij „meerproductenorganisaties” heeft genoemd, en van gespecialiseerde organisaties waarvan de leden een activiteit met betrekking tot één van de drie productsubgroepen hadden. Ten slotte heeft zij vastgesteld dat er een kerngroep van ondernemingen was die aan de mededingingsregeling in verschillende lidstaten heeft deelgenomen in het kader van de overkoepelende organisaties en van de meerproductenorganisaties.
12
Wat rekwirantes’ deelname aan de geconstateerde inbreuk betreft, heeft de Commissie ten eerste vermeld dat zij gedurende de inbreuk weliswaar hoofdzakelijk fabrikanten van keramische producten waren, maar dat zij niettemin wisten van de verschillende productgamma’s waarop de inbreuk betrekking had, gelet op hun deelname aan de kartelbijeenkomsten van de overkoepelende organisatie in Duitsland, het IndustrieForum Sanitär, voorheen de Freundeskreis der deutschen Sanitärindustrie (hierna: „IFS”), die de drie productsubgroepen omvatte. Wat ten tweede de geografische reikwijdte van de mededingingsregeling betreft, heeft de Commissie geoordeeld dat rekwirantes tijdens de perioden van hun deelname, als leden van het IFS, van het Fachverband Sanitärkeramische Industrie, van de overkoepelende organisatie van de gespecialiseerde brancheorganisatie voor de productsubgroep keramische producten in Duitsland (hierna: „FSKI”), van de Vitreous China-group, de gespecialiseerde brancheorganisatie voor de productsubgroep keramische producten in België (hierna: „VCG”), en van de Association française des industries de céramique sanitaire, de gespecialiseerde brancheorganisatie voor de productsubgroep keramische producten in Frankrijk (hierna: „AFICS”), rechtstreeks aan de geconstateerde inbreuk hadden deelgenomen op het Belgische, Duitse en Franse grondgebied. Zij was van oordeel dat er meerdere objectieve aanwijzingen waren die aantoonden dat rekwirantes redelijkerwijs hadden kunnen bevroeden dat de geografische reikwijdte van de geconstateerde inbreuk niet alleen het Belgische, Duitse en Franse grondgebied omvatte, maar ook het Italiaanse en het Oostenrijkse. Wat het Nederlandse grondgebied betreft, heeft de Commissie aangegeven dat zij niet tot de slotsom was gekomen dat er na 1999 een mededingingsregeling had bestaan.
13
Voor de berekening van de aan elke onderneming opgelegde geldboete heeft de Commissie zich gebaseerd op de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”). Zij heeft bij de bepaling van het basisbedrag van de geldboete verduidelijkt dat deze berekening voor elke onderneming was gebaseerd op haar verkopen per betrokken lidstaat, vermenigvuldigd met het aantal jaren dat in elk van de lidstaten aan de geconstateerde inbreuk was deelgenomen, en per productgroep, zodat er rekening mee werd gehouden dat bepaalde ondernemingen uitsluitend in bepaalde lidstaten of uitsluitend op het gebied van één van de drie productsubgroepen actief waren.
14
Wat de ernst van de inbreuk betreft, heeft de Commissie de coëfficiënt op 15 % vastgesteld, rekening houdend met vier criteria voor de beoordeling van die inbreuk, namelijk de aard van de verweten gedragingen, de gecombineerde marktaandelen, de geografische reikwijdte van de inbreuk en de implementatie daarvan. Zij heeft de op het basisbedrag toe te passen vermenigvuldigingscoëfficiënt voor de duur van de inbreuk voor rekwirantes vastgesteld op 4,33 voor Duitsland, 3 voor België en 0,66 voor Frankrijk. Tot slot heeft zij besloten het basisbedrag van de geldboete met extra bedrag van 15 % te verhogen om de betrokken ondernemingen af te schrikken van deelname aan kartelpraktijken als die welke voorwerp zijn van het litigieuze besluit.
15
Na het basisbedrag te hebben vastgesteld, heeft de Commissie onderzocht of er sprake was van verzwarende dan wel verzachtende omstandigheden die een aanpassing van dat bedrag konden rechtvaardigen. Zij heeft ten aanzien van rekwirantes geen verzwarende of verzachtende omstandigheden in aanmerking genomen. Na toepassing van het plafond van 10 % van de omzet is het bedrag van de bij artikel 2 van het litigieuze besluit aan rekwirantes opgelegde geldboete uitgekomen op 29266325 EUR.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
16
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 september 2010, hebben rekwirantes een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld en daarbij negen middelen aangevoerd.
17
De eerste zes middelen strekten tot gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit en hadden betrekking op, ten eerste, schending van de vereisten op het gebied van het bewijs van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU; ten tweede, schending van rekwirantes’ rechten van de verdediging en een onjuiste beoordeling van rekwirantes’ vermeende deelname aan een multiproductenkartel in de sector van het badkamersanitair; ten derde, een onjuiste beoordeling van rekwirantes’ vermeende deelname aan een inbreuk op de mededingingsregels in de sector van de keramische producten in Duitsland; ten vierde, een onjuiste beoordeling van rekwirantes’ vermeende deelname aan een onderlinge afstemming van de prijzen in België en Frankrijk; ten vijfde, een onjuiste beoordeling bij de kwalificatie van de betrokken gedragingen als één enkele voortdurende inbreuk, en ten zesde, schending van het recht om te worden gehoord wegens de tijd die tijdens de administratieve procedure is verstreken tussen het horen van rekwirantes en de vaststelling van het litigieuze besluit.
18
Met het zevende middel werd gesteld dat het bepaalde in artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 en de richtsnoeren van 2006 onwettig was. Dit middel omvatte twee excepties van onwettigheid.
19
Het achtste en het negende middel, die subsidiair werden aangevoerd, waren gericht op het verkrijgen van een boeteverlaging. Het achtste middel hield in dat bij de bepaling van het basisbedrag van de geldboete geen rekening was gehouden met het feit dat hun deelname minder ernstig was ten opzichte van die van andere bij de inbreuk betrokken ondernemingen en het negende dat het eindbedrag van de geldboete die hun na toepassing van het plafond van 10 % van de omzet was opgelegd, onevenredig was.
20
Het Gerecht heeft in punt 338 van het bestreden arrest alleen het tweede tot en met vierde middel, gelezen in het licht van het eerste middel, aanvaard, door te oordelen dat de Commissie een beoordelingsfout had gemaakt met haar conclusie dat rekwirantes hadden deelgenomen aan de inbreuk die op het Italiaanse, Nederlandse en Oostenrijkse grondgebied was geconstateerd. Het Gerecht heeft in de punten 352 tot en met 357 van het bestreden arrest dan ook de primaire vorderingen tot gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit ten dele toegewezen.
21
Wat de subsidiaire vorderingen betreft, strekkende tot verlaging van de aan rekwirantes opgelegde geldboete, heeft het Gerecht in de eerste plaats het achtste en negende middel, waarmee rekwirantes te kennen gaven dat de methode voor de berekening van het basisbedrag van de geldboete in strijd was met de beginselen van gelijke behandeling en van het persoonlijke karakter van straffen, en dat het bedrag van de uiteindelijk aan hen opgelegde geldboete onevenredig en discriminatoir was, in de punten 376 en 384 van het bestreden arrest ongegrond geacht.
22
In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 385 en 386 van het bestreden arrest op grond van zijn toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht geoordeeld dat er geen grond was om de aan rekwirantes opgelegde geldboete van 29266325 EUR te verlagen en dat dit bedrag een passende sanctie was in vergelijking met de duur en de ernst van de betrokken inbreuk.
Conclusies van partijen
23
Rekwirantes verzoeken het Hof:
—
het bestreden arrest te vernietigen voor zover hun beroep daarbij is verworpen;
—
artikel 1, lid 1, en de artikelen 2 en 3 van het litigieuze besluit overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU nietig te verklaren voor zover die op hen betrekking hebben;
—
subsidiair, de geldboete nietig te verklaren of het bedrag ervan substantieel te verlagen;
—
meer subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor afdoening in overeenstemming met de beoordeling rechtens van het Hof, en
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
24
De Commissie verzoekt het Hof:
—
de hogere voorziening af te wijzen, en
—
rekwirantes te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
25
Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwirantes zes middelen aan.
Eerste middel
26
Met hun eerste middel, dat uit twee onderdelen bestaat, stellen rekwirantes schending van artikel 31 van verordening nr. 1/2003, de onschuldpresumptie en recht op een eerlijk proces, dat door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten en de fundamentele vrijheden dat op 4 november 1950 te Rome is ondertekend (hierna: „EVRM”), wordt gewaarborgd, als gevolg van de weigering om de toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht uit te oefenen, alsmede niet-nakoming van de motiveringsplicht.
Eerste onderdeel van het eerste middel
– Argumenten van partijen
27
Met het eerste onderdeel van het eerste middel, dat met name ziet op de punten 48, 55, 98, 109, 113, 132, 146, 192, 195, 201, 293 en 308 van het bestreden arrest, betogen rekwirantes dat het Gerecht artikel 31 van verordening nr. 1/2003 heeft geschonden door te weigeren om de vaststellingen, feitelijk en rechtens, van de Commissie in het litigieuze besluit met gebruikmaking van de volledige rechtsmacht te toetsen.
28
Zij zijn van mening dat het Gerecht slechts heeft getoetst of zij de Commissie wel hadden verweten dat zij een beoordelingsfout had begaan. Uit meerdere punten van het bestreden arrest volgt dat het Gerecht het litigieuze besluit alleen vanuit juridisch en inhoudelijk oogpunt heeft willen toetsen voor zover er concrete grieven waren geformuleerd of tegelijkertijd was bewezen dat de vaststellingen in dat besluit onjuist waren. Wanneer dat bewijs niet voorhanden was, heeft het Gerecht geoordeeld dat de betrokken vaststellingen van de Commissie niet in twijfel waren getrokken, ondanks dat die uitdrukkelijk werden bestreden. Het Gerecht heeft zich daarmee gebaseerd op een vermoeden van juistheid van de inhoudelijke vaststellingen en de gegrondheid van de argumenten van de Commissie. Het Gerecht heeft immers een toetsing van alle elementen in het litigieuze besluit ontweken en afgezien van de mogelijkheid om zijn eigen beoordeling in de plaats van die van de Commissie te stellen. Wat de juridische vaststellingen betreft, was het Gerecht overeenkomstig het beginsel iura novit curia gehouden om zelf de juridische kwalificaties te verrichten en niet louter na te gaan of de Commissie in dat opzicht fouten had begaan.
29
De Commissie benadrukt dan weer dat de toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht betrekking heeft op de opgelegde sanctie, ten aanzien waarvan zij de wettigheidstoetsing aanvult. De functie van de toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht is niet om het wettigheidstoetsing te vervangen, in die zin dat het Gerecht op verzoek zij eigen beoordeling in de plaats van die van de Commissie dient te stellen, zowel wat de feitelijke vaststellingen als de juridische kwalificaties betreft. Het Gerecht heeft terecht vastgesteld dat een toetsing op basis van de volledige rechtsmacht niet op ambtshalve toezicht neerkomt.
– Beoordeling door het Hof
30
Volgens vaste rechtspraak houdt het bij artikel 263 VWEU ingevoerde wettigheidstoezicht in dat de rechter van de Unie het litigieuze besluit aan de hand van de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten in rechte en in feite toetst en dat hij het bewijs kan beoordelen, dat besluit nietig kan verklaren en de boetebedragen kan wijzigen (zie arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, C‑295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Het wettigheidstoezicht wordt aangevuld door de toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht die de Unierechter bij artikel 31 van verordening nr. 1/2003 werd verleend overeenkomstig artikel 261 VWEU. Deze bevoegdheid gaat verder dan het eenvoudige wettigheidstoezicht op de sanctie en biedt de rechter de mogelijkheid om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie en derhalve de opgelegde geldboete of dwangsom in te trekken, te verlagen of te verhogen (zie arrest van 8 december 2011, Chalkor/Commissie, C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punt 63en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
De uitoefening van deze toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht komt echter niet erop neer dat het Gerecht ambtshalve toezicht uitoefent, en de procedure wordt gevoerd op tegenspraak. Het staat in beginsel aan de verzoekende partij om middelen tegen het litigieuze besluit aan te voeren en bewijzen ter onderbouwing van die middelen aan te dragen (zie arrest van 18 december 2014, Commissie/Parker Hannifin Manufacturing en Parker-Hannifin, C‑434/13 P, EU:C:2014:2456, punt 76en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
In dat verband moet worden benadrukt dat de omstandigheid dat geen ambtshalve toezicht op de gehele bestreden beslissing wordt uitgeoefend, niet in strijd is met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming. Om dit beginsel in acht te nemen, is het niet noodzakelijk dat het Gerecht, dat uiteraard de aangevoerde middelen moet beantwoorden en toezicht in rechte en in feite moet uitoefenen, verplicht is het dossier ambtshalve volledig opnieuw te onderzoeken (zie arrest van 8 december 2011, Chalkor/Commissie, C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punt 66.
34
Het eerste onderdeel van het eerste middel moet in het licht van deze rechtspraak worden onderzocht.
35
Er dient op te worden gewezen dat rekwirantes in essentie betogen dat het Gerecht de rechterlijke toetsing onjuist heeft verricht. Met name heeft zijn weigering om de vaststellingen, feitelijk en rechtens, van de Commissie in het litigieuze besluit te toetsen met gebruikmaking van de volledige rechtsmacht, tot gevolg dat er in meerdere punten van het bestreden arrest onjuiste conclusies zijn getrokken.
36
Uit de rechtspraak die is aangehaald in de punten 30 tot en met 33 van dit arrest volgt in de eerste plaats dat de toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht uitsluitend betrekking heeft op de opgelegde sanctie en niet het litigieuze besluit in zijn geheel en in de tweede plaats dat noch de toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht noch de wettigheidstoetsing neerkomt op ambtshalve toezicht, zodat die niet verlangen dat het Gerecht ambtshalve het dossier volledig opnieuw onderzoekt, los van de door de verzoeker geformuleerde grieven.
37
Aangezien het eerste onderdeel van het eerste middel berust op de onjuiste aanname dat het Gerecht verplicht was om het litigieuze besluit ambtshalve in zijn geheel te toetsen, is dit ongegrond.
Tweede onderdeel van het eerste middel
– Argumenten van partijen
38
Met het tweede onderdeel van het eerste middel, dat ziet op de punten 275, 285, 359 en 360 van het bestreden arrest, verwijten rekwirantes het Gerecht dat het slechts de gevolgen van de gedeeltelijke onwettigheid van het litigieuze besluit en de ten aanzien van de geldboete aangevoerde argumenten heeft onderzocht, zonder een autonome en vrije beoordeling te verrichten, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval. Om die reden heeft het Gerecht verzaakt aan zijn verplichting tot uitoefening van zijn toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht, die is opgenomen in artikel 31 van verordening nr. 1/2003, volgens hetwelk het verplicht is om, met inachtneming van alle feitelijke omstandigheden en zonder zich tot de inhoud van het dossier te beperken, een autonome discretionaire beslissing ten aanzien van de geldboete te nemen. Door niet alle stappen in de berekening te onderzoeken, het resultaat van dat onderzoek niet te motiveren en niet te onderzoeken of de geldboete evenredig en met het beginsel van gelijke behandeling verenigbaar was in vergelijking met de geldboeten die in de parallelle procedures zijn opgelegd, is het Gerecht zijn verplichting tot uitoefening van de toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht en de motiveringsplicht niet nagekomen.
39
De Commissie geeft te kennen dat rekwirantes ten onrechte menen dat het Gerecht uitspraak had moeten doen op middelen die zij niet hebben aangevoerd of die zij niet hebben uitgewerkt. Wat daarnaast het bedrag van de geldboete betreft, doet het enkele feit dat het Gerecht zich door de richtsnoeren van 2006 heeft laten leiden en is nagegaan hoe die zijn toegepast, niet af aan de gegrondheid van het bestreden arrest.
– Beoordeling door het Hof
40
Vast staat dat de bevoegdheid van het Gerecht verder gaat dan het eenvoudige toezicht op de rechtmatigheid van de door de Commissie vastgestelde geldboeten en dus bevoegd is om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie en de opgelegde geldboete of dwangsom in te trekken, te verlagen of te verhogen (zie arrest van 22 november 2012, E.ON Energie/Commissie, C‑89/11 P, EU:C:2012:738, punt 124en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Teneinde te voldoen aan het vereiste dat de geldboete volledig wordt getoetst in de zin van artikel 47 van het Handvest, moet de rechter van de Unie bij de uitoefening van de in de artikelen 261 en 263 VWEU vastgestelde bevoegdheden elke grief, rechtens of feitelijk, onderzoeken waarmee wordt aangevoerd dat het bedrag van de geldboete niet passend is in het licht van de ernst en de duur van de inbreuk (zie arrest van 18 december 2014, Commissie/Parker Hannifin Manufacturing en Parker-Hannifin, C‑434/13 P, EU:C:2014:2456, punt 75en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Niettemin komt de uitoefening van de toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht niet erop neer dat het Gerecht ambtshalve toezicht uitoefent, en wordt de procedure op tegenspraak gevoerd, zoals volgt uit de rechtspraak die in punt 32 van dit arrest is aangehaald. Het staat in beginsel aan de verzoekende partij om middelen tegen het litigieuze besluit aan te voeren en bewijzen ter onderbouwing van die middelen aan te dragen.
43
Anders dan rekwirantes betogen, staat het, behoudens de middelen van openbare orde, derhalve niet aan het Gerecht om ambtshalve onderzoek te verrichten, los van de exacte middelen die door de verzoekende partijen zijn aangevoerd, of om een autonome discretionaire beslissing te nemen over de door de Commissie vastgestelde geldboete, maar om uitspraak te doen op de middelen die hem door de verzoekende partijen zijn voorgelegd.
44
Wat rekwirantes’ argument betreft dat het Gerecht heeft nagelaten om zijn onderzoek van het bedrag van de hun opgelegde geldboete te motiveren, heeft het Gerecht om te beginnen in punt 362 van het bestreden arrest vastgesteld dat de nietigverklaring van het litigieuze besluit voor zover het de inbreuk in Italië, Nederland en Oostenrijk betrof, niet tot wijziging van die geldboete kon leiden omdat de Commissie bij de berekening van die geldboete niet was uitgegaan van de verkopen die rekwirantes in Italië, Nederland en Oostenrijk hadden behaald, maar enkel die in België, Duitsland en Frankrijk.
45
Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 368 tot en met 376 van het bestreden arrest het middel inzake vermeende fouten van de Commissie bij de berekening van het basisbedrag van de opgelegde geldboete onderzocht, met name die bij de vaststelling van het percentage van 15 % als coëfficiënt voor de „ernst van de inbreuk”. Het Gerecht is tot de conclusie gekomen dat een percentage van 15 % als coëfficiënt voor de „ernst van de inbreuk”, gezien het feit dat de enkele voortdurende inbreuk, die gedurende meerdere jaren op het grondgebied van de drie betrokken lidstaten is gepleegd en die bestond in de cyclische vaststelling van de prijzen, tot de ernstigste inbreuken behoorde, passend was, met name rekening houdend met het feit dat de percentages waarin voor dit soort inbreuk is voorzien, 0 % tot 30 % belopen.
46
Tot slot heeft het Gerecht in de punten 377 tot en met 384 van het bestreden arrest het middel onderzocht inzake de vermeende onevenredigheid en discriminatoire aard van de opgelegde geldboete wegens de hoogte ervan, die overeenkwam met 10 % van de jaaromzet van rekwirantes. Het Gerecht is overeenkomstig vaste rechtspraak tot de conclusie gekomen dat de toepassing van het plafond van 10 % van de omzet niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling.
47
Het is in dat verband vaste rechtspraak dat de motiveringsplicht het Gerecht er niet toe verplicht om bij zijn redenering alle door partijen bij het geding uiteengezette argumenten één voor één uitputtend te behandelen. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten niet heeft aanvaard en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen (zie arrest van 11 juli 2013, Gosselin Group/Commissie, C‑429/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:463, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Gerecht een diepgaand onderzoek heeft verricht van de middelen betreffende de door de Commissie opgelegde geldboete en haar onderzoek ter zake toereikend heeft gemotiveerd.
49
Daarnaast staat het aan het Gerecht om de gepastheid van het bedrag van een geldboete te onderzoeken en in beginsel staat het niet aan het Hof, wanneer het zich in hogere voorziening uitspreekt over rechtsvragen, zijn oordeel uit billijkheidsoverwegingen in de plaats te stellen van dat van het Gerecht, dat zich in de uitoefening van zijn toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht heeft uitgesproken over het bedrag van de geldboeten die aan ondernemingen wegens schending van het Unierecht zijn opgelegd (zie in die zin arrest van 4 september 2014, YKK e.a./Commissie, C‑408/12 P, EU:C:2014:2153, punt 29en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Bijgevolg is het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond, en daarmee ook het eerste middel in zijn geheel.
Tweede middel
51
Het tweede middel, dat uit twee onderdelen bestaat, betreft schending van artikel 263 VWEU en van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, wegens een ontoereikend onderzoek van de vaststellingen van de Commissie in het kader van het wettigheidstoezicht en een overschrijding van de grenzen van dit toezicht.
Eerste onderdeel van het tweede middel
– Argumenten van partijen
52
Met het eerste onderdeel van het tweede middel geven rekwirantes te kennen dat het Gerecht artikel 263 VWEU en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte heeft geschonden door hun in het kader van het wettigheidstoezicht, met name in de punten 98, 146, 195, 293 en 308 van het bestreden arrest, overdreven zware eisen op te leggen voor zover het de stelplicht en de bewijslast betreft. Het Gerecht had moeten nagaan of de Commissie het aangevoerde bewijs juist had opgevat en of de daaruit getrokken conclusies terecht waren. In dat verband kan er geen vermoeden van de juistheid van de conclusies van de Commissie of haar beoordelingen rechtens zijn. Het Gerecht heeft de bewijslast op rekwirantes laten rusten alvorens zijn eigen beoordeling van het samenstel van aanwijzingen te verrichten. Van een verzoekende partij kan niet worden verlangd dat zij tegenbewijs levert op het punt van de beschuldigingen van de Commissie wanneer laatstgenoemde geen bewijs ter ondersteuning van haar beschuldigingen in het litigieuze besluit heeft aangevoerd.
53
Rekwirantes komen tot de slotsom dat het Gerecht met de verwerping van hun betoog onder verwijzing naar een vermeende op hen rustende bewijslast in de punten 134, 138, 141, 144, 146, 187, 252, 293 en 308 van het bestreden arrest, zijn wettigheidstoezicht op ontoereikende wijze heeft uitgeoefend en daarmee artikel 263 VWEU en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte heeft geschonden.
54
De Commissie benadrukt wat het vermeende bestaan van een „vermoeden van juistheid” betreft, dat uit de rechtspraak volgt dat wanneer de Commissie zich baseert op bewijs dat in beginsel volstaat om aan te tonen dat een inbreuk is gepleegd, het aan de betrokken onderneming staat om rechtens genoegzaam te bewijzen dat de door haar aangevoerde omstandigheid zich heeft voorgedaan en dat deze omstandigheid afbreuk doet aan de bewijswaarde van de bewijzen waarop de Commissie zich baseert.
55
Anders dan rekwirantes, meent de Commissie dat zij het litigieuze besluit rechtens genoegzaam op bewijs heeft gebaseerd en dat het aan rekwirantes staat om aan te duiden welk bewijs zij betwisten, om grieven te formuleren en om in dat verband bewijs aan te dragen. Aangezien dit procedurele vereiste niet tegen de op de Commissie rustende bewijslast ingaat, moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.
– Beoordeling door het Hof
56
Volgens vaste rechtspraak moet het bewijs van een inbreuk op de mededingingsregels worden geleverd door de partij of de autoriteit die de inbreuk aanvoert, en moet de onderneming of de ondernemersvereniging die verweer voert tegen een vastgestelde inbreuk, het bewijs leveren dat aan de voorwaarden is voldaan om dat verweer te laten gelden, zodat die autoriteit andere bewijzen moet aanvoeren (zie arrest van 17 juni 2010, Lafarge/Commissie, C‑413/08 P, EU:C:2010:346, punt 29en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Zelfs indien de bewijslast volgens die beginselen rust op de Commissie of de betrokken onderneming of vereniging, kunnen de door een partij aangevoerde feiten van dien aard zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij ontbreken waarvan mag worden geconcludeerd dat aan de regels inzake de bewijslast is voldaan (zie arrest van 17 juni 2010, Lafarge/Commissie, C‑413/08 P, EU:C:2010:346, punt 30en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Voorts wordt een verzoeker in het kader van een beroep in rechte gevraagd de bestreden elementen van de bestreden beslissing aan te duiden, grieven daarover te formuleren en, eventueel aan de hand van ernstige aanwijzingen, te bewijzen dat zijn grieven gegrond zijn (zie in die zin arrest van 8 december 2011, KME Germany e.a./Commissie, C‑272/09 P, EU:C:2011:810, punt 105).
59
In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat het Gerecht in de eerste plaats in de punten 90 tot en met 92 van het bestreden arrest de rechtspraak over het begrip één enkele voortdurende inbreuk in herinnering heeft gebracht. In de tweede plaats heeft het in de punten 93 tot en met 108 van genoemd arrest herinnerd aan de bewijsregels die in het kader van procedures wegens een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU van toepassing zijn.
60
Meer bepaald heeft het Gerecht in punt 97 van het bestreden arrest op basis van vaste rechtspraak van het Hof vastgesteld dat, aangezien de Commissie het bewijs had kunnen leveren dat een onderneming aan kennelijk mededingingsverstorende bijeenkomsten had deelgenomen, het, zonder onterechte omkering van de bewijslast of schending van de onschuldpresumptie, mocht oordelen dat het aan die onderneming stond om een alternatieve uitleg te geven aan de inhoud van die bijeenkomsten. Voorts heeft het Gerecht er in punt 98 van dat arrest aan herinnerd dat het niet alleen aan die onderneming stond om een omstandigheid in te roepen die afbreuk deed aan de bewijswaarde van het bewijsmateriaal waarop de Commissie zich had gebaseerd, maar ook het bewijs te leveren dat die omstandigheid zich had voorgedaan en dat die omstandigheid afbreuk deed aan de bewijswaarde van het bewijsmateriaal waarop de Commissie zich had gebaseerd.
61
Bijgevolg heeft het Gerecht in de punten 111 tot en met 147 van het bestreden arrest toezicht gehouden op de kwalificatie van de betrokken ongeoorloofde gedragingen als één enkele voortdurende inbreuk en heeft het de regels inzake de bewijslast niet geschonden, door tegelijk te oordelen dat de Commissie tot een dergelijke kwalificatie had kunnen komen en van rekwirantes te verlangen dat zij het bewijs aandragen dat sprake was van omstandigheden die afbreuk deden aan de conclusies van de Commissie ten aanzien van die kwalificatie.
62
Uit een en ander volgt dat het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond is.
Tweede onderdeel van het tweede middel
– Argumenten van partijen
63
Met het tweede onderdeel van het tweede middel voeren rekwirantes aan dat het Gerecht de grenzen van zijn wettigheidstoezicht heeft overschreden doordat het zijn toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht eenzijdig in hun nadeel heeft uitgeoefend. Zij stellen dat het Gerecht verder is gegaan dan de vaststellingen van de Commissie in het litigieuze besluit en de grenzen van het wettigheidstoezicht heeft overschreden door de feiten die de Commissie een onjuiste juridische kwalificatie had gegeven, opnieuw te kwalificeren.
64
Meer bepaald heeft het Gerecht ten eerste in punt 213 van het bestreden arrest aan de informatie-uitwisseling een nieuwe kwalificatie gegeven in vergelijking met de kwalificatie van de Commissie in het litigieuze besluit en heeft het die tot een multiproductenovereenkomst over de prijzen omgevormd. Ten tweede heeft het in de punten 261, 311 en 312 van genoemd arrest grote bewijswaarde toegekend aan rekwirantes’ deelname aan bijeenkomsten die in het litigieuze besluit niet zijn onderzocht. Ten derde is het Gerecht er in de punten 235, 239 en 298 van datzelfde arrest van uitgegaan dat een poging om tot overeenstemming te komen reeds een inbreuk op artikel 101 VWEU opleverde, onder verwerping van rekwirantes’ argument dat het bewijsmateriaal niet aantoonde dat bij die gelegenheden overeenkomsten zijn gesloten. Het Gerecht heeft dus als uitgangspunt het beginsel gehanteerd dat een „poging om tot een overeenkomst te komen” reeds een onderling afgestemde feitelijke gedraging is en die tegen rekwirantes in aanmerking genomen. Het Gerecht heeft de feiten dus opnieuw gekwalificeerd in vergelijking met de kwalificatie van de Commissie en de grenzen van het wettigheidstoezicht overschreden.
65
De Commissie benadrukt om te beginnen dat het Gerecht wat de bestreden bijeenkomsten betreft, op geen enkel moment de drie betrokken bijeenkomsten heeft onderzocht. Wat vervolgens de vermeende nieuwe kwalificatie van de gegevensuitwisseling als overeenkomst betreft, kan dit, zelfs gesteld dat dit bewezen zou zijn, niet op zich leiden tot de vernietiging van het bestreden arrest, gezien de mededingingsverstorende strekking van die bijeenkomsten. De begrippen „overeenkomst” en „onderling afgestemde feitelijke gedraging” omvatten samenspanningsvormen van dezelfde aard, die enkel verschillen in intensiteit en in de vorm waarin zij zich manifesteren. Bijgevolg volstaat het volgens deze instelling om het bewijs van de ene of de andere te leveren om een inbreuk op artikel 101 VWEU aan te tonen. Wat tot slot de vermeende onrechtmatige nieuwe kwalificatie van het litigieuze besluit door het Gerecht in de punten 235, 239 en 298 van het bestreden arrest betreft, is dit slechts een veronderstelling van rekwirantes.
66
Volgens de Commissie moet het tweede onderdeel van het tweede middel dus worden afgewezen, en daarmee dit middel in zijn geheel.
– Beoordeling door het Hof
67
Wat om te beginnen rekwirantes’ argument betreft dat het Gerecht de grenzen van zijn wettigheidstoezicht heeft overschreden door de feiten waaraan de Commissie een onjuiste juridische kwalificatie had gegeven opnieuw te kwalificeren, namelijk dat het Gerecht de gegevensuitwisseling over de prijzen opnieuw had gekwalificeerd als overeenkomst, moet worden vastgesteld dat uit de punten 211 en 212 van het bestreden arrest, gelet op de daarin aangehaalde rechtspraak, duidelijk kan worden afgeleid dat het naar de gegevensuitwisseling heeft verwezen als een onderling afgestemde feitelijke gedraging. Het kan het Gerecht niet louter op grond van het feit dat het woord „overeenkomst” in punt 213 van genoemd arrest voorkomt, worden verweten dat het de aan rekwirantes verweten gedraging opnieuw heeft gekwalificeerd.
68
Bovendien omvatten de begrippen „overeenkomst” en „onderling afgestemde feitelijke gedraging” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU in subjectief opzicht samenspanningsvormen van dezelfde aard, die enkel verschillen in intensiteit en in de vorm waarin zij zich manifesteren. Voor de toepasselijkheid van die bepaling volstaat het dus dat het bewijs van de bestanddelen van de ene of de andere van deze in die bepaling bedoelde vormen van de inbreuk is geleverd (zie in die zin arrest van 5 december 2013, Solvay Solexis/Commissie, C‑449/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:802, punt 52en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
Wat vervolgens het argument betreft dat het Gerecht in de punten 261, 311 en 312 van het bestreden arrest grote bewijswaarde heeft toegekend aan bepaalde bewijzen betreffende rekwirantes’ deelname aan bijeenkomsten die in het litigieuze besluit niet zijn onderzocht, moet worden vastgesteld dat uit de bewoordingen van de punten 206 en 264 van het bestreden arrest volgt dat het Gerecht heeft verwezen naar de lijst van bijeenkomsten die in bijlage 1 respectievelijk bijlage 4 bij het litigieuze besluit zijn opgenomen en dat in de punten 261 en 311 van genoemd arrest is opgesomd welke bijeenkomsten in die lijsten voorkwamen. Hoewel het Gerecht de bijeenkomsten van het IFS van 14 november 2001 en het FSKI van 23 januari en 5 juli 2002 in de punten 264, 311 en 312 van het bestreden arrest vermeldt, heeft het die, anders dan rekwirantes stellen, niet onderzocht en heeft het evenmin grote bewijswaarde toegekend aan het bewijs betreffende deze bijeenkomsten. Voorts geldt dat die bijeenkomsten weliswaar voorkomen in de volledige lijst van de bijeenkomsten in punt 312 van het bestreden arrest, maar dat het Gerecht in punt 313 van dat arrest tot de conclusie is gekomen dat vrijwel al het bewijs, en niet al het bewijs, steun bood aan de conclusie dat rekwirantes aan de enkele voortdurende inbreuk hebben deelgenomen. Hieruit volgt dat het Gerecht zich in werkelijkheid niet heeft gebaseerd op de bijeenkomsten van het IFS van 14 november 2001 en van het FSKI van 23 januari en 5 juli 2002 voor het oordeel dat de Commissie het bewijs van rekwirantes’ deelname aan de inbreuk op het Duitse grondgebied gedurende de periode 7 juli 2000-9 november 2004 had geleverd.
70
Wat tot slot rekwirantes’ argument betreft dat het Gerecht in de punten 235, 239 en 298 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat een poging om tot overeenstemming te komen reeds een inbreuk op artikel 101 VWEU oplevert, moet eraan worden herinnerd dat het begrip „onderling afgestemde feitelijke gedraging” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU een vorm van coördinatie tussen ondernemingen is, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking (zie in die zin arrest van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, EU:C:1999:356, punt 115en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71
Zo moeten de voor het bestaan van een „onderling afgestemde feitelijke gedraging” in de zin van die bepaling vereiste coördinatie en samenwerking worden begrepen tegen de achtergrond van de in de VWEU-bepalingen inzake de mededinging besloten liggende voorstelling, dat iedere marktdeelnemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de interne markt zal voeren (zie in die zin arrest AC-Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punt 32en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72
Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit dat de ondernemer zijn beleid zo goed mogelijk aan het vastgestelde of te verwachten gedrag van zijn concurrenten mag aanpassen, maar staat onverbiddelijk in de weg aan ieder al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent wordt beïnvloed of deze wordt geïnformeerd over beslissingen of afwegingen wat het eigen marktgedrag betreft, wanneer dit contact tot doel of ten gevolge heeft dat mededingingsvoorwaarden ontstaan die, gelet op de aard van de producten of verleende diensten, de grootte en het aantal van de ondernemingen en de omvang van de betrokken markt, niet met de normale voorwaarden van die markt overeenkomen (zie in die zin arrest van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, EU:C:1999:356, punt 117en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73
Daaruit volgt dat het opnemen van contact, bestaande in een poging om tot overeenstemming over de prijzen te komen, een door artikel 101, lid 1, VWEU verboden onderling afgestemde feitelijke gedraging is (zie in die zin arrest van 5 december 2013, Solvay/Commissie, C‑455/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:796, punt 40).
74
Hieruit volgt dat het tweede onderdeel van het tweede middel, en bijgevolg het tweede middel in zijn geheel, ongegrond is.
Derde middel
Argumenten van partijen
75
In het kader van het derde middel, dat bestaat uit veertien onderdelen die tezamen moeten worden onderzocht, geven rekwirantes te kennen dat het Gerecht bij meerdere gelegenheden de inhoud van het dossier kennelijk en op beslissende wijze onjuist heeft opgevat en tegelijkertijd het recht en de erkende beginselen op het gebied van de bewijslevering heeft geschonden.
76
Rekwirantes menen in de eerste plaats dat het Gerecht de verzoeken om maatregelen van instructie die in punt 117 van het verzoekschrift en punt 24 van de repliek alsook hun uiteenzetting tijdens de terechtzitting zijn vermeld, in punt 87 van het bestreden arrest onjuist heeft opgevat. In de tweede plaats heeft het Gerecht in punt 119 van dat arrest bepaalde passages uit het litigieuze besluit in verband met vermeende besprekingen over de prijsverhoging voor kranen en fittingen binnen het FSKI onjuist opgevat. In de derde plaats heeft het Gerecht in punt 130 van datzelfde arrest overweging 852 van het litigieuze besluit over rekwirantes’ vermeende lidmaatschap van meerdere multiproductenorganisaties verdraaid heeft weergegeven. In de vierde plaats heeft het Gerecht in de punten 152 tot en met 155 van het bestreden arrest bepaalde passages uit de mededeling van punten van bezwaar van 26 maart 2007 betreffende de grief inzake regelmatige overeenkomsten over de prijzen in het kader van het IFS onjuist opgevat. In de vijfde plaats heeft het Gerecht in punt 193 van dat arrest rekwirantes’ uiteenzetting van haar eerste middel verdraaid weergegeven. In de zesde plaats heeft het Gerecht in punt 208 van datzelfde arrest het verzoek om maatregelen van instructie in punt 46 van het verzoekschrift, inzake het horen van de getuigen Schinle en Kook over de bijeenkomst van het IFS van 5 oktober 2000, onjuist opgevat. In de zevende plaats heeft het Gerecht in punt 213 van het bestreden arrest het bewijs onjuist opgevat en de beginselen inzake de bewijslevering geschonden op het punt van de inhoud van de aantekeningen van de medewerker van Hansgrohe, Schinle, van de bijeenkomst van het IFS van 5 oktober 2000. In de achtste plaats heeft het Gerecht in punt 218 van genoemd arrest het bewijs ten aanzien van de bijeenkomst van het IFS van 20 november 2002 onjuist opgevat en is het voorbij gegaan aan de verzoeken om maatregelen van instructie in punt 27 van de repliek. In de negende plaats heeft het Gerecht in punt 230 van het bestreden arrest de verzoeken om maatregelen van instructie in de punten 57, 59 en 61 van het verzoekschrift en rekwirantes’ betoog betreffende de prijsverhogingen „naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen” onjuist opgevat. In de tiende plaats heeft het Gerecht in de punten 277 tot en met 282 van dat arrest het bewijs, rekwirantes’ betoog en het verzoek om maatregelen van instructie in punt 90 in het verzoekschrift inzake de bijeenkomst van het FSKI van 7 en 8 juli 2000 verdraaid weergegeven. In de elfde plaats heeft het Gerecht in de punten 299 en volgende van datzelfde arrest de inhoud van de notulen van de bijeenkomst van het FSKI van 17 januari 2003 betreffende de vermeende afstemming over wegentol en rekwirantes’ verzoek om maatregelen van instructie in punt 101 van het verzoekschrift verdraaid weergegeven. In de twaalfde plaats heeft het Gerecht in de punten 312 en volgende van het bestreden arrest het litigieuze besluit onjuist opgevat op het punt van de bewijswaarde van het bewijs inzake de bijeenkomst van het IFS van 24 april 2001 en de bijeenkomsten van het FSKI van 23 januari en 5 juli 2002. In de dertiende plaats heeft het Gerecht in punt 321 van genoemd arrest de uiteenzetting van rekwirantes’ betoog in punt 110 van het verzoekschrift en punt 43 van de repliek verdraaid weergegeven door ten onrechte te oordelen dat rekwirantes geen argument inzake de bijeenkomst van de VCG van 30 oktober 2001 hebben aangevoerd. In de veertiende plaats heeft het Gerecht in punt 324 van datzelfde arrest de overwegingen 572 en volgende van het litigieuze besluit betreffende het vermeende verwijt van een afstemming over de prijzen voor het jaar 2005 binnen de AFICS verdraaid weergegeven.
77
Wat in dat verband de als zevende en twaalfde door rekwirantes gestelde onjuiste opvattingen betreft, wordt in dat kader vermeld dat hetzelfde bewijs door het Gerecht uiteenlopend is beoordeeld in de onderhavige zaak en in de zaak die heeft geleid tot de arresten van 16 september 2013, Villeroy & Boch Austria e.a./Commissie (T‑373/10, T‑374/10, T‑382/10 en T‑402/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:455), en Keramag Keramische Werke e.a./Commissie (T‑379/10 en T‑381/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:457), met name wat betreft de inhoud van bepaalde bijeenkomsten waaraan rekwirantes zouden hebben deelgenomen en het in aanmerking nemen daarvan voor het bewijs van het bestaan van mededingingsverstorende gedragingen.
78
Volgens de Commissie moet elk van de gestelde onjuiste opvattingen worden afgewezen, hetzij omdat die berusten op een onjuist begrip van het bestreden arrest, hetzij omdat de passages uit dat arrest waartegen de kritiek zich richt, zonder gevolg zijn gebleven en niet kunnen afdoen aan de wettigheid van dat arrest, dan wel omdat rekwirantes eigenlijk deels met het derde middel willen bereiken dat de feiten opnieuw worden beoordeeld, zonder dat een kennelijke onjuiste opvatting daarvan door het Gerecht is aangetoond.
79
Wat meer bepaald de gestelde onjuiste opvattingen op het punt van de verzoeken om instructie betreffen, wijst de Commissie erop dat het Gerecht als enige bevoegd is om te beoordelen of de inlichtingen waarover het beschikt moeten worden aangevuld en dat het feit dat een verzoek van rekwirantes geen weerslag kan hebben op de beoordeling van het Gerecht en dus wordt afgewezen, nog niet betekent dat dit verzoek onjuist is opgevat. Bovendien is niet zozeer doorslaggevend of het verzoek om maatregelen kennelijk onjuist is opgevat, maar eerder of het bewijs dat is, hetgeen rekwirantes niet hebben aangevoerd. Hoe dan ook moet een onjuiste opvatting van het bewijs kennelijk zijn.
80
Volgens de Commissie heeft het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van het bewijs dus niet overschreden in het bestreden arrest en ligt die beoordeling in de lijn van de beoordeling in punt 133 van het arrest van 16 september 2013, Keramag Keramische Werke e.a./Commissie (T‑379/10 en T‑381/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:457).
Beoordeling door het Hof
81
Wat in de eerste plaats de onderdelen van het derde middel inzake de maatregelen van instructie betreft, is het vaste rechtspraak dat het aan de Unierechter staat om op basis van de omstandigheden van het geding te beslissen over de noodzaak tot overlegging van een stuk, overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering inzake de maatregelen van instructie. Wat het Gerecht betreft, volgt uit artikel 49 juncto artikel 65, onder b), van zijn Reglement voor de procesvoering, zoals dit op de datum van het bestreden arrest luidde, dat het verzoek om overlegging van enig op de zaak betrekking hebbend stuk, onderdeel is van de maatregelen van instructie die het Gerecht in iedere stand van het geding kan gelasten (zie in die zin arresten van 2 oktober 2003, Salzgitter/Commissie, C‑182/99 P, EU:C:2003:526, punt 41en aldaar aangehaalde rechtspraak; Aristrain/Commissie, C‑196/99 P, EU:C:2003:529, punt 67en aldaar aangehaalde rechtspraak; Ensidesa/Commissie, C‑198/99 P, EU:C:2003:530, punt 28en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Corus UK/Commissie, C‑199/99 P, EU:C:2003:531, punt 67en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82
Daar waar het Gerecht rekwirantes’ verzoeken tot het horen van getuigen heeft afgewezen op basis van het oordeel dat die maatregelen niet noodzakelijk waren, ten eerste gelet op het onderzoek van het bewijs dat het bestaan van de enkele voortdurende inbreuk aantoonde in de punten 109 tot en met 147 van het bestreden arrest, ten tweede gelet op de vaststelling in punt 213 van dat arrest dat de aantekeningen van Hansgrohe volstonden voor het bewijs van ongeoorloofd gedrag tijdens de bijeenkomst van het IFS van 5 oktober 2000, ten derde gelet op de vaststelling in punt 218 van datzelfde arrest dat de notulen van de bijeenkomst van het IFS van 20 november 2002 aantoonden dat de marktdeelnemers in strijd met de mededingingsregels rechtstreeks contact met elkaar hadden opgenomen, ten vierde gelet op de analyse van de aansprakelijkheid van rekwirantes voor het mededingingsverstorende gedrag in de context van bepaalde gebeurtenissen in de punten 231 tot en met 253 van het bestreden arrest, ten vijfde gelet op het onderzoek van het bewijs dat aantoonde dat de bijeenkomsten van het FSKI van 7 en 8 juli 2000 ongeoorloofd waren in de punten 275 tot en met 284 van dat arrest, en ten zesde gelet op de analyse in de punten 296 tot en met 306 van datzelfde arrest, waaruit de vaststelling van het Gerecht is gevolgd dat een poging om tot overeenstemming te komen over de gevolgen die in termen van prijsverhogingen moesten worden verbonden aan de invoering van wegentol in Duitsland tijdens de bijeenkomsten van het FSKI van 17 januari en 4 juli 2003 was aangetoond, moet het zesde onderdeel van het derde middel in zijn geheel worden afgewezen, evenals het eerste en het achtste tot en met elfde onderdeel van dat middel voor zover die betrekking hebben op maatregelen van instructie.
83
Wat in de tweede plaats de onderdelen van het derde middel inzake een verdraaide weergave van rekwirantes’ betoog betreft, moet worden vastgesteld dat zij, behalve bij hun onderbouwing van het dertiende onderdeel van dit middel, met die onderdelen niet stellen dat het Gerecht heeft nagelaten om de in eerste aanleg aangevoerde middelen te onderzoeken, maar dat het Gerecht hun betoog onjuist heeft uitgelegd en samengevat.
84
Het volstaat dan ook om vast te stellen dat daar waar rekwirantes niet stellen dat het Gerecht heeft nagelaten om de in eerste aanleg aangevoerde middelen te onderzoeken, de vraag of het Gerecht rekwirantes’ betoog onjuist heeft samengevat, geen gevolgen heeft voor de oplossing van het onderhavige geschil, zodat het vijfde en het tiende onderdeel van het derde middel in hun geheel moeten worden afgewezen en het eerste en het negende onderdeel van dit middel voor zover die betrekking hebben op een verdraaiing van rekwirantes’ argumenten (zie in die zin arrest van 1 juli 2010, Knauf Gips/Commissie, C‑407/08 P, EU:C:2010:389, punt 32).
85
Wat in de derde plaats het dertiende onderdeel van het derde middel betreft, waarmee rekwirantes stellen dat het Gerecht tot de onjuiste conclusie is gekomen dat zij geen argument inzake de bijeenkomst van de VCG van 30 oktober 2001 hebben aangevoerd, moet worden vastgesteld dat het Gerecht er in punt 316 van het bestreden arrest op heeft gewezen dat rekwirantes niet betwistten dat zij aan de bijeenkomsten van nationale brancheorganisaties op het Belgische en Franse grondgebied hebben deelgenomen, maar dat zij de aard van de gedragingen tijdens die bijeenkomsten bestreden. Zo hebben rekwirantes betoogd dat, daar waar de beslissingen binnen elke onderneming op het niveau van de moedermaatschappij werden genomen en hun vertegenwoordigers op die bijeenkomst geen ruimte voor onderhandelingen hadden, de gegevensuitwisseling over de prijzen die bij die gelegenheden heeft plaatsgevonden, niet kon worden gelijkgesteld aan een onderlinge afstemming over de prijsverhogingen en dus geen mededingingsverstorende strekking had. Daarnaast geldt dat rekwirantes het bestaan van een onderlinge afstemming van de prijzen tijdens de bijeenkomst van de VCG van 30 oktober 2001 weliswaar formeel hebben bestreden in punt 110 van hun verzoekschrift en in punt 43 van hun repliek voor het Gerecht, die ter ondersteuning van de onderhavige hogere voorziening worden ingeroepen, maar dat was hoofdzakelijk om de hierboven genoemde redenen. Die redenen heeft het Gerecht terecht van de hand gewezen in punt 318 van het bestreden arrest. In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de formulering van punt 321 van het bestreden arrest, ondanks dat die te denken geeft dat rekwirantes de mededingingsverstorende aard van de bijeenkomst van 30 oktober 2001 niet hebben bestreden, zonder gevolgen is gebleven voor de oplossing van het onderhavige geschil. Bijgevolg is het dertiende onderdeel van het derde middel ongegrond.
86
Wat in de vierde plaats de onderdelen van het derde middel betreffende de onjuiste opvatting van het bewijs betreft, moet eraan worden herinnerd dat van een onjuiste opvatting sprake is wanneer, zonder gebruik te maken van nieuwe bewijselementen, de beoordeling van de bestaande bewijselementen kennelijk onjuist blijkt te zijn. Een dergelijke onjuiste opvatting moet evenwel duidelijk blijken uit de stukken, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld. Wanneer een rekwirant stelt dat het Gerecht bewijzen onjuist heeft opgevat, moet hij bovendien precies aangeven welke elementen volgens hem onjuist zijn opgevat, en aantonen welke fouten in de analyse tot die onjuiste opvatting in de beoordeling van het Gerecht hebben geleid (zie in die zin arrest van 3 december 2015, Italië/Commissie, C‑280/14 P, EU:C:2015:792, punt 52).
87
Het zevende onderdeel van het derde middel in zijn geheel en het achtste, tiende en elfde onderdeel van dat middel voor zover zij betrekking hebben op een onjuiste opvatting van het bewijs, berusten evenwel op een fragmentarische en onjuiste lezing van het bestreden arrest. Rekwirantes willen immers in essentie van het Hof verkrijgen dat het de feiten en het bewijs opnieuw beoordeelt, waartoe het in het stadium van de hogere voorziening niet bevoegd is. Bijgevolg zijn het zevende, achtste, tiende en elfde onderdeel van het derde middel niet-ontvankelijk voor zover zij betrekking hebben op een onjuiste opvatting van het bewijs.
88
Wat in de vijfde plaats de onderdelen van het derde middel inzake een verdraaide weergave van het litigieuze besluit en de mededeling van punten van bezwaar van 26 maart 2007 betreft, moet ten eerste ten aanzien van het tweede en het derde onderdeel worden vastgesteld dat rekwirantes weliswaar menen dat het Gerecht onnauwkeurige formuleringen heeft gebruikt in punt 119 van het bestreden arrest, waarin het heeft geoordeeld dat de verhogingen van de prijzen op het gebied van kranen en fittingen, en niet alleen de verkoopcijfers, tijdens de twee bijeenkomsten van het FSKI zijn besproken, en dat de formulering van punt 130 van dat arrest zo kan worden opgevat dat zij aan meer dan één een mutiproductenorganisatie hebben deelgenomen, maar dat deze formuleringen, die inderdaad onnauwkeurig zijn, niet kunnen afdoen aan de conclusie dat om te beginnen de bilaterale contacten tussen de ondernemingen bevestigden dat er nauwe banden tussen de drie productsubgroepen waren, vervolgens dat rekwirantes wetenschap hadden van het verweten globale kartelgedrag of dat zij redelijkerwijs konden voorzien dat de geconstateerde inbreuk betrekking had op die drie productsubgroepen, en tot slot dat rekwirantes aan de betrokken enkele voortdurende inbreuk hebben deelgenomen wegens hun deelname aan de bijeenkomsten van het IFS die op die drie productsubgroepen betrekking hadden. Bijgevolg kunnen het tweede en het derde onderdeel niet slagen.
89
Wat ten tweede het vierde onderdeel van het derde middel betreft, volstaat het vast te stellen dat bij lezing van de punten 150 tot en met 159 van het bestreden arrest niet blijkt van een kennelijke verdraaiing van de inhoud van de mededeling van punten van bezwaar van 26 maart 2007. Rekwirantes willen in essentie van het Hof verkrijgen dat het de feiten en het bewijs opnieuw beoordeelt, hetgeen in het stadium van de hogere voorziening niet-ontvankelijk is. Bijgevolg is het vierde onderdeel niet-ontvankelijk.
90
Wat ten derde het twaalfde onderdeel van het derde middel betreft, volgt om te beginnen uit punt 69 van dit arrest dat het Gerecht de bijeenkomsten van het IFS van 14 november 2001 en van het FSKI van 23 januari en 5 juli 2002 niet heeft onderzocht en zijn conclusies ten aanzien van de verweten inbreuk ook niet op die bijeenkomsten heeft gebaseerd, en vervolgens dat het wat betreft het argument inzake de oplossing die is gekozen in de arresten van 16 september 2013, Villeroy & Boch Austria e.a/Commissie (T‑373/10, T‑374/10, T‑382/10 en T‑402/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:455), en Keramag Keramische Werke e.a./Commissie (T‑379/10 en T‑381/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:457), dat ook is aangevoerd in het kader van het zevende onderdeel van het derde middel, vaste rechtspraak is dat de op het Gerecht rustende verplichting om zijn arresten te motiveren, in beginsel niet zo ver kan gaan dat het Gerecht de in een zaak gekozen oplossing moet rechtvaardigen tegen de achtergrond van de oplossing waarvoor het heeft gekozen in een andere zaak die hem is voorgelegd, ook al heeft deze betrekking op hetzelfde besluit (zie arrest van 11 juli 2013, Team Relocations e.a./Commissie, C‑444/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:464, punt 66en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bijgevolg is het twaalfde onderdeel van het derde middel in zijn geheel ongegrond en het zevende onderdeel van dat middel voor zover het betrekking heeft op het argument inzake de oplossing die het Gerecht heeft gekozen in de arresten van 16 september 2013, Villeroy & Boch Austria e.a./Commissie (T‑373/10, T‑374/10, T‑382/10 en T‑402/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:455), en Keramag Keramische Werke e.a./Commissie (T‑379/10 en T‑381/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:457).
91
Wat ten vierde het veertiende onderdeel van het derde middel betreft, moet worden geconstateerd dat dit onderdeel is gebaseerd op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Uit de bewoordingen van punt 324 van genoemd arrest blijkt namelijk niet dat met de door het Gerecht gehanteerde formulering de inhoud van het litigieuze besluit kennelijk is verdraaid, meer bepaald in het licht van de aard van de verweten ongeoorloofde gedragingen, namelijk prijsverhogingen die een cyclus volgden. In elk geval wordt met die formulering geen afbreuk gedaan aan de mededingingsverstorende aard van de bijeenkomst van de AFICS van 25 februari 2004 of aan rekwirantes’ deelname aan die bijeenkomst. Bijgevolg is het veertiende onderdeel ongegrond.
92
Uit een en ander volgt dat het derde middel ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond is.
Vierde middel
93
Met hun vierde middel, dat uit twee onderdelen bestaat, werpen rekwirantes op dat procedurele fouten zijn gemaakt en artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, artikel 48, lid 2, artikel 47, eerste alinea, en artikel 52, lid 3, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 6, leden 1 en 3, van het EVRM, zijn geschonden als gevolg van de toelating van bewijs dat niet had mogen worden gebruikt, het in aanmerking nemen van een betoog dat de Commissie te laat heeft aangevoerd en de afwijzing van verzoeken om maatregelen van instructie, zonder dat die toereikend zijn gemotiveerd.
Eerste onderdeel van het vierde middel
– Argumenten van partijen
94
Met het eerste onderdeel van het vierde middel geven rekwirantes te kennen dat het Gerecht belastend hoofdbewijs heeft toegelaten en beoordeeld dat niet in de mededeling van punten van bezwaar van 26 maart 2007 of in het litigieuze besluit was vermeld en dat ten dele te laat in de procedure is overgelegd. Bovendien heeft het Gerecht in die context in het bestreden arrest rekening gehouden met schriftelijke argumenten die door de Commissie te laat zijn aangevoerd na de sluiting van de schriftelijke behandeling en die, zonder hen de gelegenheid te bieden om op de stellingen van de Commissie te reageren, tegen rekwirantes zijn gebruikt.
95
In dat verband heeft het Gerecht meer bepaald in de eerste plaats blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven in de punten 162 tot en met 167 van het bestreden arrest door te ontkennen dat sprake was van schending van rekwirantes’ rechten van de verdediging als gevolg van het gebruik van aantekeningen betreffende de bijeenkomst van het IFS van 5 oktober 2000 in het litigieuze besluit en heeft het zelf ook hun rechten van de verdediging geschonden door dit bewijs toe te laten en te gebruiken. Daarnaast berust dit deel van het bestreden arrest volledig op een betoog dat de Commissie te laat heeft aangevoerd, aangezien zij dit betoog pas anderhalf jaar na de sluiting van de schriftelijke behandeling voor het eerst heeft gehouden. Door met dit betoog rekening te houden, zonder rekwirantes ook maar de gelegenheid te geven om daar nogmaals schriftelijk op te reageren, heeft het Gerecht artikel 48, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering, het beginsel van processuele gelijkheid en rekwirantes’ recht om te worden gehoord geschonden.
96
In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 226 en volgende van het bestreden arrest ten eerste blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven door de onterechte afwijzing van de schending van rekwirantes’ rechten van de verdediging door de Commissie door het in aanmerking nemen van aantekeningen van de bijeenkomst van het IFS van 9 april 2003 en ten tweede heeft het zelf een procedurele fout begaan en rekwirantes’ rechten van de verdediging geschonden door met die aantekeningen en het te laat aangevoerde betoog van de Commissie inzake de mogelijkheid om die aantekeningen in het procesdossier aan te treffen, rekening te houden.
97
In de derde plaats berust het bestreden arrest op schendingen van de rechten van de verdediging voor zover het bovengenoemde aantekeningen van de bijeenkomsten van het IFS van 5 oktober 2000 en 9 april 2003 betreft, aangezien het Gerecht die aantekeningen heeft gebruikt en daaruit gevolgen heeft getrokken in de punten 213, 215, 228, 281 en volgende en 313 van het bestreden arrest, terwijl dit bewijs niet had mogen worden gebruikt.
98
De Commissie betoogt dat rekwirantes toegang hebben gehad tot de niet-vertrouwelijke versie van de documenten waarnaar zij hebben verwezen en dat het daarop gebaseerde betoog van de Commissie geen nieuw middel vormt, maar een verduidelijking daarvan op verzoek van het Gerecht. Meer bepaald heeft zij louter op rekwirantes’ onjuiste betoog geantwoord en hebben rekwirantes ter terechtzitting de gelegenheid gehad om hun standpunten hieromtrent met de Commissie uit te wisselen.
– Beoordeling door het Hof
99
Vast staat dat het recht van toegang tot het dossier van de Commissie een daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging beoogt te waarborgen, welke rechten tegelijkertijd behoren tot de grondbeginselen van het Unierecht en zijn verankerd in artikel 6 van het EVRM, en dat schending van het recht van toegang tot het dossier van de Commissie in de procedure voorafgaand aan de vaststelling van het besluit, in beginsel tot nietigverklaring van dat besluit kan leiden wanneer de rechten van verdediging van de betrokken onderneming zijn geschonden (zie in die zin arrest van 2 oktober 2003, Corus UK/Commissie, C‑199/99 P, EU:C:2003:531, punten 126 en 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
100
Die schending wordt in een dergelijk geval niet reeds gedekt door het enkele feit dat de toegang tot het dossier tijdens de contentieuze procedure betreffende een eventueel beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit mogelijk is geworden. Wanneer de toegang in dit stadium wordt gegeven, behoeft de betrokken onderneming niet aan te tonen dat, indien zij toegang tot de niet-overgelegde documenten had gehad, het besluit van de Commissie anders zou hebben geluid, doch enkel dat deze documenten nuttig hadden kunnen zijn voor haar verweer (zie arrest van 2 oktober 2003, Corus UK/Commissie, C‑199/99 P, EU:C:2003:531, punt 128en aldaar aangehaalde rechtspraak).
101
Wat in dat verband in de eerste plaats de aantekeningen van de bijeenkomst van het IFS van 5 oktober 2000 betreft, blijkt uit de punten 165 tot en met 167 van het bestreden arrest ten eerste dat deze aantekeningen voor rekwirantes toegankelijk waren gemaakt vóór de gerechtelijke procedure, ten tweede dat zij in de mededeling van punten van bezwaar van 26 maart 2007 zijn vermeld en ten derde dat de standpunten daaromtrent zijn uitgewisseld voor het Gerecht.
102
Wat in de tweede plaats de aantekeningen van de bijeenkomst van het IFS van 9 april 2003 betreft, volgt uit punt 226 van het bestreden arrest dat de niet-vertrouwelijke versie daarvan voor rekwirantes toegankelijk was vóór de gerechtelijke procedures en dat de Commissie in haar brief van 12 maart 2013 heeft bevestigd dat de eerste pagina van die aantekeningen zonder beperkingen toegankelijk was en dat de niet-vertrouwelijke versie van de tweede pagina kon worden ingezien in haar dossier. Ook ten aanzien van die pagina’s hebben partijen hun standpunten kunnen uitwisselen voor het Gerecht.
103
Voor het overige moet worden benadrukt dat, anders dan rekwirantes stellen, de omstandigheid dat het litigieuze besluit niet naar die aantekeningen in hun geheel verwijst, maar alleen een pagina daarvan of een bijlage daarbij, niet tot schending van de rechten van de verdediging kan leiden. Dergelijke verwijzingen volstaan immers om te achterhalen welk document bedoeld wordt.
104
Wat in de derde plaats het te laat aangevoerde betoog van de Commissie met betrekking tot bovengenoemde documenten betreft, volstaat het vast te stellen dat uit de punten 29 tot en met 38 van het bestreden arrest volgt dat het Gerecht schriftelijk vragen heeft gesteld aan rekwirantes en aan de Commissie en dat een terechtzitting is gehouden op 20 maart 2013. Bijgevolg kan een betoog dat schriftelijk wordt gehouden op verzoek van het Gerecht en dat dient ter verduidelijking van bepaalde discussiepunten voordat daarover tijdens de terechtzitting de standpunten worden uitgewisseld, niet worden geacht te laat te zijn gehouden. De vermeende tardiviteit van dit betoog doet voorts niet af aan het feit dat rekwirantes ook daadwerkelijk toegang tot de aantekeningen van de bijeenkomsten van het IFS van 5 oktober 2000 en 9 april 2003 hebben gehad.
105
In die omstandigheden kan het Gerecht niet worden verweten dat het artikel 48, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering of rekwirantes’ rechten van de verdediging heeft geschonden. Het eerste onderdeel van het vierde middel is dan ook ongegrond.
Tweede onderdeel van het vierde middel
– Argumenten van partijen
106
Met het tweede onderdeel van het vierde middel betogen rekwirantes in essentie dat de weigering van het Gerecht om getuigen à charge te horen, hun recht op een eerlijk proces heeft geschonden. Het Gerecht heeft geen van rekwirantes’ verzoeken om maatregelen van instructie ingewilligd. Doordat het deze verzoeken summier heeft afgewezen in de punten 135, 200, 214, 236, 240, 245, 270, 283 en 305 van het bestreden arrest, heeft het Gerecht rekwirantes’ recht op een eerlijk proces en artikel 6, lid 3, onder d), van het EVRM geschonden.
107
De Commissie is van mening dat uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat de bevoegdheid van het Gerecht om de relevantie van een verzoek om een maatregel van instructie te beoordelen aan de hand van het voorwerp van het geding en de noodzaak om getuigen te horen, te verenigen is met het grondrecht op een eerlijk proces en in het bijzonder met artikel 6, lid 3, onder d), van het EVRM.
– Beoordeling door het Hof
108
Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht staat of de gegevens waarover het beschikt betreffende de aan hem voorgelegde zaken, eventueel aanvulling behoeven. De waardering van de bewijskracht van de processtukken maakt deel uit van de soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht, die door het Hof in hogere voorziening niet kan worden getoetst, behoudens in geval van een onjuiste opvatting van de aan het Gerecht overgelegde bewijzen of wanneer de materiële onjuistheid van hetgeen het Gerecht heeft vastgesteld, uit de processtukken blijkt (zie arrest van 12 juni 2014, Deltafina/Commissie, C‑578/11 P, EU:C:2014:1742, punt 67en aldaar aangehaalde rechtspraak).
109
Vervolgens is het vaste rechtspraak dat het, zelfs wanneer een in het verzoekschrift geformuleerd verzoek om getuigen te horen nauwkeurig de feiten aangeeft waarop dit verhoor betrekking dient te hebben, alsmede de redenen die dit verhoor rechtvaardigen, aan het Gerecht staat om de relevantie van dit verzoek voor het geschil en de noodzaak om die getuigen te horen te beoordelen (zie arrest van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie, C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, EU:C:2013:866, punt 323en aldaar aangehaalde rechtspraak).
110
Tot slot is deze beoordelingsbevoegdheid van het Gerecht te verenigen met het grondrecht op een eerlijk proces en in het bijzonder artikel 6, lid 3, onder d), van het EVRM. Blijkens de rechtspraak van het Hof verleent deze bepaling degene tegen wie een vervolging is ingesteld, namelijk geen absoluut recht om getuigen voor de rechter te doen verschijnen, en staat het in beginsel aan de rechter om te beslissen of oproeping van een getuige nodig of opportuun is. Artikel 6, lid 3, EVRM schrijft niet de oproeping van alle getuigen voor, maar strekt tot de volledige gelijkwaardigheid van procedurele rechten, die verzekert dat degene tegen wie een vervolging is ingesteld, in de litigieuze procedure in haar geheel genomen de mogelijkheid heeft gehad om de op hem rustende verdenking naar behoren en voldoende te betwisten (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie, C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:866, punten 324 en 325 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
111
Hieruit volgt dat het tweede onderdeel van het vierde middel, en daarmee het vierde middel in zijn geheel, ongegrond is.
Vijfde middel
Argumenten van partijen
112
Het vijfde middel, dat bestaat uit twee onderdelen die tezamen moeten worden onderzocht, is ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van artikel 101 VWEU bij de juridische kwalificatie als één enkele voortdurende inbreuk en rekwirantes’ aansprakelijkheid daarvoor.
113
Met het eerste onderdeel van dit middel stellen rekwirantes dat het Gerecht noch in de punten 118 tot en met 128 van het bestreden arrest noch in enige andere passage van dit arrest toereikend zijn vaststelling heeft gemotiveerd ten aanzien van het bestaan van complementariteit tussen de geconstateerde gedragingen, wat een voorwaarde voor de kwalificatie als één enkele inbreuk is.
114
Met het tweede onderdeel van dit middel geven rekwirantes in essentie te kennen dat het Gerecht in de punten 180 en volgende van het bestreden arrest een onjuiste uitlegging heeft gegeven aan de rechtspraak van het Hof ten aanzien van de juridische kwalificatie als één enkele voortdurende inbreuk, met name omdat slechts tussen concurrenten van één enkele voortdurende inbreuk kan worden uitgegaan, en het Gerecht op basis van de feiten en het bewijs in het dossier hoe dan ook niet tot de conclusie had kunnen komen dat rekwirantes aan een dergelijke inbreuk hebben deelgenomen.
115
De Commissie antwoordt hierop dat het Gerecht de verschillende ongeoorloofde gedragingen binnen de groep van betrokken ondernemingen in aantal punten van het bestreden arrest heeft geanalyseerd en dat het naar de relevante punten van het litigieuze besluit heeft verwezen. Uit met name de rechtspraak van het Hof vloeit voort dat de complementariteit van de ongeoorloofde gedragingen geen voorwaarde is voor het bewijs dat sprake is van één enkele inbreuk, zodat het vermeende ontbreken van een analyse daarvan geen motiveringsgebrek oplevert.
116
Wat het tweede onderdeel van het vijfde middel betreft, geeft de Commissie te kennen dat ook inbreuk op artikel 101 VWEU wordt gemaakt wanneer het gedrag van een onderneming, zoals zij dit met dat van andere ondernemingen heeft afgestemd, de strekking heeft de mededinging op de relevante markt te beperken, zonder dat die onderneming zelf op die markt actief hoeft te zijn. Zij voegt daaraan toe dat de deelnemers in de onderhavige zaak de uniforme economische doelstelling hebben onderschreven door hun deelname aan de kartelbijeenkomsten. Om aan rekwirantes het ongeoorloofde gedrag van de overige ondernemingen toe te rekenen, volstaat het dat zij wisten van dit gedrag of dat redelijkerwijs hadden kunnen voorzien. Het Gerecht heeft meerdere malen de betrokken kartelbijeenkomsten onderzocht en daarbij voor vaststaand aangenomen dat de relevante informatie over en weer was meegedeeld door de fabrikanten van de drie productsubgroepen, wat volstaat voor het bewijs van „wetenschap of het vermoeden van wetenschap van het ongeoorloofde gedrag”.
Beoordeling door het Hof
117
Volgens vaste rechtspraak kan schending van artikel 101, lid 1, VWEU niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging ook op zich, afzonderlijk, schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen wegens hun identieke doel, de mededinging binnen de interne markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie bijgevolg de aansprakelijkheid voor die handelingen toekennen naargelang van de deelname aan de betrokken inbreuk in zijn geheel (zie in die zin arrest van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 156en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118
Een onderneming die aan een dergelijke enkele en complexe inbreuk heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die een „overeenkomst” of „onderling afgestemde feitelijke gedraging” met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beoogden te leveren, kan aldus voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk. Dat is het geval wanneer vaststaat dat deze onderneming door haar eigen gedrag wilde bijdragen aan de door alle deelnemers nagestreefde gemeenschappelijke doelstellingen en dat zij kennis had van de inbreukmakende gedragingen die door andere ondernemingen werden overwogen of verricht in hun streven naar dezelfde doelstellingen, of dat zij ze redelijkerwijze kon voorzien of bereid was het risico daarvan te aanvaarden (zie in die zin arrest van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 157en aldaar aangehaalde rechtspraak).
119
Het is dus mogelijk dat een onderneming rechtstreeks heeft deelgenomen aan alle mededingingsverstorende gedragingen die samen één enkele voortdurende inbreuk vormen, in welk geval de Commissie haar aansprakelijk mag stellen voor al deze gedragingen en dus voor deze inbreuk in zijn geheel. Het is ook mogelijk dat een onderneming slechts rechtstreeks heeft deelgenomen aan een deel van de mededingingsverstorende gedragingen die samen één enkele voortdurende inbreuk vormen, maar op de hoogte was van alle andere inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, of deze gedragingen redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden. Ook in een dergelijk geval mag de Commissie deze onderneming aansprakelijk stellen voor alle mededingingsverstorende gedragingen die samen deze inbreuk vormen, en dus voor de inbreuk in zijn geheel (zie arrest van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 158en aldaar aangehaalde rechtspraak).
120
Wanneer een onderneming daarentegen rechtstreeks heeft deelgenomen aan een of meerdere van de mededingingsverstorende gedragingen die één enkele voortdurende inbreuk vormen, maar niet is bewezen dat zij met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan alle gemeenschappelijke doelstellingen van de andere karteldeelnemers en dat zij alle andere inbreukmakende gedragingen die deze deelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, mag de Commissie haar enkel aansprakelijk stellen voor de gedragingen waaraan zij rechtstreeks heeft deelgenomen en voor de gedragingen die de andere deelnemers planden of verrichtten met het oog op dezelfde doelstellingen als die welke zij nastreefde en waarvoor is bewezen dat zij deze kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (zie arrest van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 159en aldaar aangehaalde rechtspraak).
121
In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat het Gerecht met het oog op de kwalificatie van de verschillende ongeoorloofde gedragingen als één enkele voortdurende inbreuk niet verplicht is om na te gaan of zij complementair zijn, in die zin dat elk ervan is bedoeld om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging, en dat zij door hun wisselwerking bijdragen tot de verwezenlijking van het geheel van de mededingingsbeperkende gevolgen die de daders beogen, en dit in het kader van een globaal plan met één enkel doel. De voorwaarde in verband met het begrip één enkel doel houdt juist in dat moet worden nagegaan of de verschillende bestanddelen van de inbreuk geen kenmerken vertonen die erop kunnen wijzen dat de overige deelnemers met hun materiële gedragingen hetzelfde doel of hetzelfde mededingingsverstorende gevolg nastreefden en dus of die geen deel uitmaken van een „totaalplan” wegens hun identieke doel om de mededinging binnen de interne markt te vervalsen (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie, C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:866, punten 247 en 248).
122
Bovendien kan uit de rechtspraak van het Hof niet worden afgeleid dat artikel 101, lid 1, VWEU uitsluitend ziet op, hetzij ondernemingen die werkzaam zijn op de markt waarop beperkingen van de mededinging betrekking hebben of op upstream- of downstreammarkten of naburige markten daarvan, hetzij ondernemingen die hun gedragsautonomie op een bepaalde markt beperken op grond van een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging. Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat de tekst van artikel 101, lid 1, VWEU algemeen verwijst naar alle overeenkomsten en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen die, hetzij in horizontale hetzij in verticale betrekkingen, de mededinging op de interne markt vervalsen, ongeacht de markt waarop de partijen werkzaam zijn en ongeacht het feit dat slechts het commerciële gedrag van een van die ondernemingen door de termen van de betrokken afspraken wordt geraakt (zie in die zin arrest van 22 oktober 2015, AC-Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punten 34 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
123
In casu moet ten eerste worden vastgesteld dat het Gerecht de rechtspraak over het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” in de punten 90 tot en met 92 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht. Ten tweede heeft het in de punten 93 tot en met 108 van genoemd arrest herinnerd aan de rechtspraak over de bewijslast. Ten derde is het in de punten 111 tot en met 147 van datzelfde arrest, in het kader van het onderzoek van rekwirantes’ middel inzake de kwalificatie van de betrokken inbreuk als één enkele voortdurende inbreuk, nagegaan of de inbreukmakende gedragingen deel uitmaakten van een „totaalplan”.
124
Aangezien het Gerecht heeft onderzocht of de inbreukmakende gedragingen deel uitmaakten van een „totaalplan” en aangezien de concurrentieverhouding tussen de deelnemende ondernemingen geen voorwaarde is voor de kwalificatie van de mededingingsverstorende gedragingen als één enkele inbreuk, kan het het Gerecht niet worden verweten dat het het onderzoek van de kwalificatie van de betrokken gedragingen als één enkele voortdurende inbreuk ontoereikend heeft gemotiveerd.
125
Met zijn oordeel dat rekwirantes verantwoordelijk waren voor hun directe deelname aan de verweten inbreuk en voor hun indirecte deelname daaraan, omdat zij wetenschap hadden van alle inbreukmakende bestanddelen die de andere karteldeelnemers met het oog op dezelfde doelstellingen planden of verrichtten of deze redelijkerwijs hadden kunnen voorzien en zij bereid waren het risico daarvan te aanvaarden, heeft het Gerecht dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven.
126
Bijgevolg is het vijfde middel ongegrond.
Zesde middel
Argumenten van partijen
127
Met hun zesde middel, dat bestaat uit drie onderdelen die tezamen moeten worden onderzocht, betogen rekwirantes dat het Gerecht artikel 101 VWEU heeft geschonden door te oordelen dat de besprekingen die tijdens de verschillende bijeenkomsten hebben plaatsgevonden, moesten worden gekwalificeerd als opzettelijke beperkingen van de mededinging, en door te veronderstellen dat rekwirantes verplicht waren om zich te distantiëren van de besprekingen van ondernemingen die geen concurrenten van hen waren.
128
Met het eerste onderdeel van dit middel geven rekwirantes te kennen dat in beginsel alleen van een onderling afgestemde feitelijke gedraging kan worden uitgegaan wanneer de ondernemingen concurrenten van elkaar zijn. Door in punt 212 van het bestreden arrest te oordelen dat een uitwisseling van gevoelige informatie op zich mededingingsverstorend kon zijn, heeft het Gerecht zich op een onjuist criterium gebaseerd en nagelaten rekening te houden met de economische context waarbinnen de betrokken besprekingen hebben plaatsgevonden. Daardoor heeft het artikel 101 VWEU geschonden.
129
Met het tweede onderdeel van het zesde middel betogen rekwirantes dat het Gerecht artikel 101 VWEU tevens heeft geschonden met zijn oordeel in de punten 251 en 252 van het bestreden arrest dat het, met het oog op hun ontslag van aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk, aan rekwirantes stond om zich te distantiëren van alle besprekingen binnen het IFS waaraan zij hadden deelgenomen. Er bestaat echter geen vermoeden dat onderlinge afstemming tussen ondernemingen die niet met elkaar concurreren, mededingingsverstorend is. Volgens rekwirantes kunnen er dus aan hun aanwezigheid tijdens besprekingen over onderwerpen die verband houden met markten waarop zij niet actief zijn, geen conclusies worden verbonden ten aanzien van het feit dat zij een ongeoorloofd initiatief ondersteunen.
130
Met het derde onderdeel van het zesde middel stellen rekwirantes dat het Gerecht artikel 101 VWEU heeft geschonden met zijn oordeel in de punten 235, 239 en 298 van het bestreden arrest dat een „poging om tot overeenstemming te komen”, zonder bewijs dat het tot die overeenstemming is gekomen, volstaat voor het bewijs van een onderling afgestemde feitelijke gedraging. Volgens rekwirantes volstaat een „poging om tot overeenstemming te komen” van ondernemingen die niet met elkaar concurreren, niet voor het bewijs van een inbreuk op artikel 101 VWEU.
131
De Commissie antwoordt hierop dat de concurrentieverhouding is aangetoond voor de kartelbijeenkomsten waarop rekwirantes niet de enige fabrikanten van keramische producten waren. Volgens haar heeft de vermeend door de groothandelaren uitgeoefende druk rekwirantes hun autonomie niet ontnomen. Bovendien hebben zij niet alleen de gelegenheid gehad om daar individueel op te reageren, maar hebben zij ook gekozen voor gezamenlijk kartelgedrag en getracht om gezamenlijk tot een tijdpad voor de invoering van prijsverhogingen te komen. De Commissie benadrukt dat de gegevensuitwisseling, anders dan rekwirantes betogen, reeds een inbreuk op artikel 101 VWEU vormt, aangezien die de ondersteuning van een ander mededingingsverstorend mechanisme vormt.
132
De Commissie geeft te kennen dat de besprekingen over de prijzen niet uitsluitend betrekking hadden op derde markten. Bovendien geldt dat de verplichting om zich te distantiëren van de besprekingen die binnen het IFS hadden plaatsgevonden, voortvloeit uit het feit dat de inbreuk één enkele voortdurende inbreuk was. Meer bepaald zijn rekwirantes aansprakelijk voor het ongeoorloofde gedrag van de overige karteldeelnemers omdat zij van dat gedrag wetenschap hadden of die hadden moeten hebben.
133
De Commissie herinnert eraan dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het volstaat dat een onderneming met het oog op de voorbereiding van een mededingingsverstorende overeenkomst inlichtingen aan haar concurrenten meedeelt, om het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 101 VWEU aan te tonen. Deze instelling verzoekt het Hof om het zesde middel in zijn geheel af te wijzen.
Beoordeling door het Hof
134
Om te beginnen volgt uit vaste rechtspraak dat de uitwisseling van gevoelige informatie schending van artikel 101, lid 1, VWEU oplevert wanneer zij een ander mededingingsverstorend mechanisme ondersteunt (zie in die zin arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 281).
135
Vervolgens volstaat het feit dat met het oog op de voorbereiding van een mededingingsverstorende overeenkomst commerciële informatie tussen concurrenten wordt uitgewisseld, om het bewijs van het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU te leveren. In dat verband hoeft niet te worden aangetoond dat die concurrenten zich er formeel toe hebben verbonden om zich op deze of gene wijze te gedragen of dat zij gemeenschappelijk hun toekomstige gedrag op de markt hebben bepaald (zie in die zin arrest van 5 december 2013, Solvay/Commissie, C‑455/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:796, punt 40).
136
Tot slot leidt de stilzwijgende goedkeuring van een onrechtmatig initiatief, waarvan niet publiekelijk afstand wordt genomen en dat niet bij de administratieve instanties wordt aangegeven, ertoe dat het voortbestaan van de inbreuk wordt bevorderd en de ontdekking ervan wordt bemoeilijkt. Deze medeplichtigheid vormt een passieve deelneming aan de inbreuk waarvoor de onderneming in het kader van één enkele overeenkomst aansprakelijk kan worden gesteld. Bovendien ontslaat de omstandigheid dat een onderneming geen gevolg geeft aan de resultaten van een vergadering met een mededingingsverstorend doel, haar niet van haar aansprakelijkheid voor haar deelneming aan een mededingingsregeling, tenzij zij zich publiekelijk van de inhoud daarvan heeft gedistantieerd (zie in die zin arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, EU:C:2005:408, punten 143 en 144).
137
Aangezien een concurrentieverhouding tussen de deelnemende ondernemingen geen voorwaarde is voor de kwalificatie van mededingingsverstorende gedragingen als die in casu als één enkele voortdurende inbreuk, zoals volgt uit punt 124 van dit arrest, menen rekwirantes ten onrechte dat de rechtspraak die in herinnering is gebracht in de punten 134 tot en met 136 van dit arrest, niet van toepassing is in de context van één enkele voortdurende inbreuk.
138
Indien rekwirantes’ betoog zou worden aanvaard, zou dit immers het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” voor een deel van zijn zin beroven, aangezien de ondernemingen die deelnemen aan één enkele voortdurende inbreuk, bij een dergelijke uitlegging van elke indirecte aansprakelijkheid voor ongeoorloofde gedragingen van ondernemingen waarmee zij niet concurreren, zouden zijn ontslagen, ondanks dat zij met hun gedrag bijdragen aan de verwezenlijking van een totaalplan dat specifiek voor de enkele voortdurende inbreuk is.
139
Bijgevolg heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat rekwirantes aansprakelijk kunnen worden gehouden voor hun directe deelname aan de betrokken mededingingsregeling en voor hun indirecte deelname daaraan, omdat zij wetenschap hadden van alle inbreukmakende bestanddelen die de andere karteldeelnemers met het oog op dezelfde doelstellingen planden of verrichtten, of deze redelijkerwijs hadden kunnen voorzien en zij bereid waren het risico daarvan te aanvaarden.
140
Uit een en ander volgt dat het zesde middel ongegrond is.
141
Aangezien geen van de door rekwirantes aangevoerde middelen ter ondersteuning van hun hogere voorziening is aanvaard, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
142
Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat het Hof over de kosten beslist wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
143
Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, van datzelfde Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwirantes in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Duravit AG, Duravit SA en Duravit BeLux BVBA worden verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) * Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy