ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
26 januari 2017 ( *1 )
„Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen — Belgische, Duitse, Franse, Italiaanse, Nederlandse en Oostenrijkse markt van badkamersanitair — Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte wordt vastgesteld — Onderlinge afstemming van de prijzen en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie — Eén enkele inbreuk — Bewijs — Geldboeten — Volledige rechtsmacht — Redelijke termijn — Evenredigheid”
In zaak C‑626/13 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 29 november 2013,
Villeroy & Boch Austria GmbH, gevestigd te Mondsee (Oostenrijk), vertegenwoordigd door A. Reidlinger en J. Weichbrodt, Rechtsanwälte,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Kellerbauer, L. Malferrari en F. Ronkes Agerbeek als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Tizzano, vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, M. Berger, E. Levits, S. Rodin (rapporteur) en F. Biltgen, rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: K. Malacek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 september 2015,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
De hogere voorziening van Villeroy & Boch Austria GmbH (hierna: „Villeroy & Boch Oostenrijk”) strekt tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 16 september 2013, Villeroy & Boch Austria e.a./Commissie (T‑373/10, T‑374/10, T‑382/10 en T‑402/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:455; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep tot nietigverklaring van besluit C(2010) 4185 definitief van de Commissie van 23 juni 2010 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/39092 – Badkamersanitair) (hierna: „litigieus besluit”), voor zover dit op haar betrekking had.
Toepasselijke bepalingen
Verordening (EG) nr. 1/2003
2
Artikel 23, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), bepaalt het volgende:
„2. De Commissie kan bij beschikking geldboetes opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid:
a)
inbreuk maken op artikel [101 of 102 VWEU] […]
[…]
Voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en ondernemersvereniging is de geldboete niet groter dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald.
[…]
3. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt zowel met de ernst, als met de duur van de inbreuk rekening gehouden.”
Richtsnoeren van 2006
3
In punt 2 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”) is met betrekking tot de vaststelling van de geldboeten aangegeven dat „de Commissie rekening [moet] houden met de duur en de ernst van de inbreuk” en dat „de opgelegde boete niet hoger [mag] zijn dan de in artikel 23, lid 2, tweede en derde alinea, van verordening [nr. 1/2003] aangegeven maxima”.
4
Punt 37 van de richtsnoeren van 2006 luidt als volgt:
„Hoewel de algemene methode voor de vaststelling van geldboeten in deze richtsnoeren uiteen wordt gezet, kunnen de bijzondere kenmerken van een gegeven zaak of de noodzaak om een bepaald afschrikkend niveau te bereiken, een afwijking van deze methode of van de in punt 21 vastgestelde maxima rechtvaardigen.”
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
5
Het product waarop de mededingingsregeling betrekking heeft, is badkamersanitair dat deel uitmaakt van een van drie subgroepen, namelijk kranen en fittingen, douchewanden en hun accessoires en keramische producten (hierna: „drie productsubgroepen”).
6
De voorgeschiedenis van het geding is door het Gerecht uiteengezet in de punten 1 tot en met 19 van het bestreden arrest en kan als volgt worden samengevat.
7
Bij het litigieuze besluit heeft de Commissie een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-Overeenkomst”), in de sector van het badkamersanitair vastgesteld. Deze inbreuk, waaraan 17 ondernemingen hebben deelgenomen, heeft in verschillende tijdvakken tussen 16 oktober 1992 en 9 november 2004 plaatsgevonden in de vorm van een samenstel van mededingingsverstorende overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen op het Belgische, Duitse, Franse, Italiaanse, Nederlandse en Oostenrijkse grondgebied.
8
In het litigieuze besluit heeft de Commissie meer bepaald aangegeven dat de litigieuze inbreuk bestond in, ten eerste, coördinatie van de jaarlijkse prijsverhogingen en van andere prijsstellingsfactoren door die fabrikanten van badkamersanitair in het kader van regelmatige vergaderingen binnen nationale brancheorganisaties, ten tweede, vaststelling of coördinatie van de prijzen naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen zoals de stijging van de kostprijs van de grondstoffen, de invoering van de euro of de invoering van wegentol, en, ten derde, openbaarmaking en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie. Daarnaast heeft de Commissie geconstateerd dat de vaststelling van de prijzen in de sector van het badkamersanitair volgens een jaarlijkse cyclus verliep. In dat kader stelden de fabrikanten hun prijslijsten vast, die in het algemeen voor een jaar geldig waren en die als basis dienden voor hun commerciële relaties met de groothandelaren.
9
Villeroy & Boch Oostenrijk en de overige verzoeksters in eerste aanleg, Villeroy & Boch AG (hierna: „Villeroy & Boch”), Villeroy & Boch SAS (hierna: „Villeroy & Boch Frankrijk”) en Villeroy & Boch Belgium NV (hierna: „Villeroy & Boch België”), zijn actief in de sector van de sanitaire uitrusting van badkamers. Villeroy & Boch heeft het volledige kapitaal in handen van Villeroy & Boch Oostenrijk, Villeroy & Boch Frankrijk, Villeroy & Boch België, Ucosan BV en haar dochterondernemingen en Villeroy & Boch SARL.
10
Op 15 juli 2004 hebben Masco Corp. en haar dochterondernemingen, waaronder Hansgrohe AG, die kranen en fittingen vervaardigt, en Hüppe GmbH, die douchewanden vervaardigt, de Commissie in kennis gesteld van het bestaan van een mededingingsregeling in de sector van het badkamersanitair en hebben zij verzocht om toekenning van immuniteit tegen geldboeten op grond van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling van 2002 inzake medewerking”), of, bij gebreke daarvan, om vermindering van het bedrag van de geldboeten die hun zouden kunnen worden opgelegd. Op 2 maart 2005 heeft de Commissie overeenkomstig punt 8, onder a), en punt 15 van die mededeling een besluit genomen waarbij Masco voorwaardelijke immuniteit tegen geldboeten werd verleend.
11
Op 9 en 10 november 2004 heeft de Commissie onaangekondigde inspecties verricht in de bedrijfsruimten van meerdere ondernemingen en nationale brancheorganisaties die in de sector van het badkamersanitair actief zijn.
12
Op 15 en 19 november 2004 hebben Grohe Beteiligungs GmbH en haar dochterondernemingen en American Standard Inc. (hierna: „Ideal Standard”), respectievelijk, verzocht om toekenning van immuniteit tegen geldboeten op grond van de mededeling van 2002 inzake medewerking of, bij gebreke daarvan, om vermindering van het bedrag van de geldboeten.
13
Na tussen 15 november 2005 en 16 mei 2006 verzoeken om inlichtingen te hebben verzonden aan meerdere ondernemingen en verenigingen die in de sector van het badkamersanitair actief zijn, daaronder begrepen verzoeksters in eerste aanleg, heeft de Commissie op 26 maart 2007 een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, waarvan aan hen is kennisgegeven.
14
Op 17 en 19 januari 2006 hebben Roca SARL en Hansa Metallwerke AG en haar dochterondernemingen, respectievelijk, verzocht om toekenning van immuniteit tegen geldboeten op grond van de mededeling van 2002 inzake medewerking of, bij gebreke daarvan, om vermindering van het bedrag van de geldboeten. Aloys F. Dornbracht GmbH & Co. KG Armaturenfabrik heeft op 20 januari 2006 een vergelijkbaar verzoek ingediend.
15
Na een hoorzitting, die van 12 tot en met 14 november 2007 is gehouden en waaraan verzoeksters in eerste aanleg hebben deelgenomen, de toezending van een letter of facts op 9 juli 2009 waarin hun aandacht werd gevestigd op bepaalde bewijzen waarop de Commissie zich wilde baseren in het kader van de vaststelling van een eindbesluit en verzoeken om aanvullende inlichtingen die daarna aan onder meer die verzoeksters zijn toegezonden, heeft de Commissie op 23 juni 2010 het litigieuze besluit vastgesteld. In dit besluit heeft zij geoordeeld dat de in punt 8 van dit arrest omschreven gedragingen deel uitmaakten van een globaal plan om de mededinging tussen de adressaten van het besluit te beperken, en de kenmerken vertoonden van één enkele voortdurende inbreuk, die de drie productsubgroepen omvatte en het grondgebied van België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland en Oostenrijk bestreek. In dit verband heeft deze instelling met name gewezen op het feit dat die gedragingen een steeds terugkerend stramien vertoonden dat hetzelfde bleek te zijn in de zes lidstaten waarop het onderzoek van de Commissie betrekking had. Zij heeft ook gewezen op het bestaan van nationale brancheorganisaties voor het samenstel van de drie productsubgroepen, die zij „overkoepelende organisaties” heeft genoemd, van nationale brancheorganisaties waarvan de leden een werkzaamheid op het gebied van ten minste twee van de drie productsubgroepen hadden, die zij „meerproductenorganisaties” heeft genoemd, en van gespecialiseerde organisaties waarvan de leden een activiteit met betrekking tot een van de drie productsubgroepen hadden. Ten slotte heeft zij vastgesteld dat er een kerngroep van ondernemingen was die aan de mededingingsregeling in verschillende lidstaten heeft deelgenomen in het kader van de overkoepelende organisaties en van de meerproductenorganisaties.
16
Volgens de Commissie hebben verzoeksters in eerste aanleg aan de betrokken inbreuk deelgenomen in hun hoedanigheid van lid van de volgende brancheorganisaties: het IndustrieForum Sanitär, dat vanaf 2001 in de plaats is gekomen van de organisatie Freundeskreis der deutschen Sanitärindustrie, de Arbeitskreis Baden und Duschen, die vanaf 2003 in de plaats is gekomen van de Arbeitskreis Duschabtrennungen, en het Fachverband Sanitär-Keramische Industrie in Duitsland, de Arbeitskreis Sanitär Industrie (hierna: „ASI”) in Oostenrijk, de Vitreous China-group in België, het Sanitair Fabrikanten Platform in Nederland en de Association française des industries de céramique sanitaire in Frankrijk. Ten aanzien van de inbreuk in Nederland heeft de Commissie in overweging 1179 van het litigieuze besluit vastgesteld dat de ondernemingen die daaraan hebben deelgenomen, daarvoor geen geldboete kon worden opgelegd omdat de verjaring was ingetreden.
17
In artikel 1 van het litigieuze besluit heeft de Commissie de ondernemingen opgesomd die zij een sanctie oplegde voor een inbreuk op artikel 101 VWEU en – vanaf 1 januari 1994 – artikel 53 van de EER-Overeenkomst wegens hun deelname aan een mededingingsregeling in de sector van het badkamersanitair in België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland en Oostenrijk in verschillende perioden tussen 16 oktober 1992 en 9 november 2004. Wat verzoeksters in eerste aanleg aangaat, heeft de Commissie in artikel 1, lid 1, van genoemd besluit Villeroy & Boch bestraft voor haar deelname aan bedoelde enkele inbreuk van 28 september 1994 tot en met 9 november 2004 en haar dochterondernemingen Villeroy & Boch Oostenrijk, Villeroy & Boch België en Villeroy & Boch Frankrijk voor tijdvakken gaande van op zijn vroegst 12 oktober 1994 tot en met 9 november 2004.
18
In artikel 2, lid 8, van het litigieuze besluit heeft de Commissie geldboeten opgelegd: in de eerste plaats aan Villeroy & Boch (54436347 EUR), in de tweede plaats hoofdelijk aan Villeroy & Boch en Villeroy & Boch Oostenrijk (6083604 EUR), in de derde plaats hoofdelijk aan Villeroy & Boch en Villeroy & Boch België (2942608 EUR) en in de vierde plaats hoofdelijk aan Villeroy & Boch en Villeroy & Boch Frankrijk (8068441 EUR). Het totale bedrag van de aan verzoeksters in eerste aanleg opgelegde geldboeten beloopt dus 71531000 EUR.
19
Voor de berekening van de geldboeten heeft de Commissie zich gebaseerd op de richtsnoeren van 2006.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
20
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 8 september 2010, heeft rekwirante in zaak T‑373/10 een beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld, voor zover dit op haar betrekking had, of, subsidiair, verlaging van het bedrag van de aan haar opgelegde geldboete.
21
Ter ondersteuning van haar conclusies tot nietigverklaring heeft rekwirante voor het Gerecht te kennen gegeven dat de Commissie de geconstateerde inbreuk ten onrechte had gekwalificeerd als één enkele, complexe en voortdurende inbreuk en, subsidiair, dat zij daarmee de verplichting tot motivering niet was nagekomen door de betrokken markten niet voldoende nauwkeurig af te bakenen. Voorts heeft rekwirante betoogd dat de Commissie er ten onrechte van uit is gegaan dat zij aan een mededingingsregeling op de Oostenrijkse markt had deelgenomen. In dat verband heeft rekwirante aangevoerd dat er geen bewijs van een inbreuk in Oostenrijk is. Tot slot komt zij op tegen de hoofdelijkheid van de geldboete die haar is opgelegd en betoogt zij dat bij de berekening daarvan een beoordelingsfout is gemaakt, dat die geldboete had moeten worden verlaagd om rekening te houden met de buitensporig lange duur van de administratieve procedure en dat zij onevenredig is.
22
Subsidiair heeft rekwirante conclusies strekkende tot verlaging van de opgelegde geldboete geformuleerd.
23
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen.
Conclusies van partijen
24
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen voor zover het Gerecht haar beroep daarbij heeft verworpen;
—
subsidiair, het bestreden arrest gedeeltelijk te vernietigen;
—
meer subsidiair, het bedrag van de opgelegde geldboete te verlagen;
—
uiterst subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen en de zaak voor afdoening naar het Gerecht terug te verwijzen, en
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
25
De Commissie verzoekt het Hof:
—
de hogere voorziening ten dele niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk ongegrond te verklaren, en
—
rekwirante te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
26
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante vier middelen aan. Met het eerste middel wordt aangevoerd dat het Gerecht blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven bij de beoordeling van de vermeend in Oostenrijk gepleegde inbreuken. Het tweede middel betreft een blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de vaststelling van een complexe en voortdurende inbreuk. Het derde middel is eraan ontleend dat het Gerecht zijn toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht niet heeft uitgeoefend om het bedrag van de opgelegde geldboete te toetsen. Het vierde middel ziet op schending van het evenredigheidsbeginsel.
Eerste middel: onjuiste beoordeling van de vermeend in Oostenrijk gepleegde inbreuken
Argumenten van partijen
27
Met haar eerste middel geeft rekwirante te kennen dat de vaststellingen van het Gerecht rechtens onjuist zijn voor zover het de vermeende materiële inbreuken in Oostenrijk in periode 12 oktober 1994 tot en met 9 november 2004 betreft, zodat die moeten worden afgekeurd.
28
Wat meer bepaald het jaar 1994 betreft, heeft het Gerecht de vaststellingen van de Commissie in de punten 175 en 176 van het bestreden arrest extensief uitgelegd, waardoor het de motivering van het litigieuze besluit in strijd met artikel 296, tweede alinea, VWEU heeft gewijzigd. Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, heeft de Commissie er in de overwegingen 299 tot en met 301 van dat besluit niet op gewezen dat tijdens de bijeenkomsten van de ASI in de loop van 1994 niet alleen is gesproken over douchewanden en kranen en fittingen, maar ook over keramische producten voor badkamers.
29
Wat de jaren 1995 tot en met 1997 betreft, heeft het Gerecht in de punten 185, 190 en 196 van het bestreden arrest opgemerkt dat rekwirante aan ongeoorloofde besprekingen heeft deelgenomen tijdens de bijeenkomsten die op 16 november 1995, 23 april 1996 en 15 oktober 1997 zijn gehouden.
30
Wat de bijeenkomst van 16 november 1995 betreft, stelt rekwirante in wezen echter dat met deze conclusie blijk van een onjuiste rechtsopvatting wordt gegeven, alleen al omdat het Gerecht niet op al haar argumenten heeft geantwoord. Met de opmerkingen van het Gerecht in de punten 189 en volgende van het bestreden arrest over de bijeenkomst van 23 april 1996, dat het van weinig belang is dat de betrokken bespreking op verzoek van de groothandelaren is belegd, wordt eveneens blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven, aangezien er een alternatieve, volledig geoorloofde verklaring voor de verweten gedragingen is, die inhoudt dat de groothandelaren op het gebied van badkamerproducten uitdrukkelijk de invoering hadden geëist van jaarlijkse prijslijsten die op bepaalde data verschenen, zodat zij hun catalogussen konden drukken. Wat de bijeenkomst van 15 oktober 1997 betreft, heeft het Gerecht voorts in punt 194 van het bestreden arrest de grenzen van het wettigheidstoezicht als voorzien in artikel 263 VWEU overschreden door zich te baseren op gronden die niet voorkwamen in de mededeling van punten van bezwaar van de Commissie.
31
Wat het jaar 1998 betreft, heeft het Gerecht met zijn opmerkingen in de punten 197 en volgende van het bestreden arrest over de gestelde deelname van rekwirante aan een inbreuk op de kartelregels, eveneens blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven omdat die tegenstrijdig zijn. Het Gerecht heeft in de punten 197 tot en met 202 van dat arrest namelijk aangegeven dat de Commissie het bewijs niet had geleverd dat rekwirante in 1998 aan met het mededingingsrecht strijdige besprekingen had deelgenomen. Meer bepaald kon die deelname niet op basis van de getuigenis van Masco worden bewezen. Het is onlogisch dat het Gerecht zich vervolgens in punt 203 van datzelfde arrest op diezelfde getuigenis van Masco baseert om te bewijzen dat rekwirante zich in 1998 niet van de ongeoorloofde gedragingen heeft gedistantieerd. Voorts kan noch op basis van de getuigenissen noch op basis van andere aanwijzingen in dat punt 203 het bewijs worden geleverd dat rekwirante zich niet heeft gedistantieerd. Het Gerecht heeft bijgevolg in strijd gehandeld met de in de rechtspraak neergelegde rechtsbeginselen dat een samenstel van aanwijzingen alleen voor het bewijs van een met het mededingingsrecht strijdige bijeenkomst volstaat, wanneer wordt aangetoond dat die bijeenkomsten stelselmatig werden gehouden en dat hun inhoud mededingingsverstorend was en wanneer dit wordt gestaafd door een ondernemersverklaring waaraan grote bewijswaarde toekomt. In casu is evenwel aan geen van die beide voorwaarden voldaan.
32
Wat het jaar 1999 betreft, heeft het Gerecht blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven met zijn conclusies in punt 208 van het bestreden arrest dat het door de Commissie aangedragen bewijs, namelijk de handgeschreven notulen van de bijeenkomst van de ASI van 6 september 1999 die door Ideal Standard zijn opgesteld, rechtens genoegzaam aantoont dat rekwirante aan ongeoorloofde besprekingen heeft deelgenomen. De getuigenis van een onderneming die op grond van de mededeling van 2002 inzake medewerking om boetevermindering heeft verzocht, kan niet genoegzaam bewijs van het bestaan van een inbreuk vormen wanneer de juistheid daarvan door meerdere andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist.
33
Wat het jaar 2000 betreft, heeft het Gerecht in punt 214 van het bestreden arrest op basis van de notulen van de bijeenkomst van de ASI van 12 en 13 oktober 2000 geoordeeld dat, ondanks dat er geen direct bewijs van rekwirantes deelname aan de mededingingsverstorende gedragingen in dat jaar was, „moet worden opgemerkt dat de gevolgen van de ongeoorloofde besprekingen die in 1999 hebben plaatsgevonden, zich in de loop van 2000 hebben doen gevoelen”. Deze notulen, die overigens onjuist zijn uitgelegd door het Gerecht, vormen in dat verband geen genoegzaam bewijs.
34
Wat het jaar 2001 betreft, is het Gerecht er in de punten 214 tot en met 218 van het bestreden arrest van uitgegaan dat rekwirante aan ongeoorloofde besprekingen had deelgenomen, louter omdat de vermeende ongeoorloofde besprekingen in de loop van 2000 nog gevolgen hebben gesorteerd. Ter motivering van die opmerkingen heeft het Gerecht slechts verwezen naar de overwegingen 652 tot en met 658 van het litigieuze besluit, zonder uit te leggen waarom de opmerkingen waarnaar het heeft verwezen overtuigend waren.
35
Wat de jaren 2002 en 2003 betreft, heeft het Gerecht geen rekening gehouden met rekwirantes stellingen.
36
Wat tot slot het jaar 2004 betreft, zijn de opmerkingen van het Gerecht in punt 228 van het bestreden arrest tegenstrijdig en wordt daarmee blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven. Het Gerecht heeft in dat punt namelijk geoordeeld dat rekwirante, die niet aan de bijeenkomst van de ASI van 22 januari 2004 heeft deelgenomen, via de notulen van die bijeenkomst op de hoogte is gesteld van de beslissingen die haar concurrenten tijdens die bijeenkomst hadden genomen, terwijl het Gerecht in punt 212 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat het feit dat de notulen van de bijeenkomsten van de ASI in beginsel moesten worden toegezonden aan alle leden van die vereniging, niet op zich kon aantonen dat rekwirante daar ook effectief kennis van had genomen.
37
De Commissie concludeert tot afwijzing van het eerste middel.
Beoordeling door het Hof
38
Met haar eerste middel voert rekwirante verschillende onjuistheden in de vaststellingen van het Gerecht aan voor zover het de vermeend in Oostenrijk gepleegde inbreuk tussen 12 oktober 1994 en 9 november 2004 betreft.
39
Wat in de eerste plaats rekwirantes argumenten inzake het jaar 1994 betreft, moet worden vastgesteld dat rekwirante zich in casu beperkt tot een herhaling van het betoog dat zij in eerste aanleg voor het Gerecht heeft gehouden. Datzelfde geldt voor de argumenten inzake de bijeenkomst van 23 april 1996.
40
Er dient evenwel aan te worden herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten herhaalt, en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, waartoe het Hof niet bevoegd is (zie met name arresten van 30 juni 2005, Eurocermex/BHIM, C‑286/04 P, EU:C:2005:422, punten 49 en 50, en 12 september 2006, Reynolds Tobacco e.a./Commissie, C‑131/03 P, EU:C:2006:541, punten 49 en 50).
41
Derhalve zijn rekwirantes argumenten betreffende het jaar 1994 en de bijeenkomst van 23 april 1996 niet-ontvankelijk.
42
Wat in de tweede plaats rekwirantes argumenten inzake de bijeenkomsten op 16 november 1995 en 15 oktober 1997 betreft, waarmee zij in wezen stelt dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd, moet eraan worden herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat de motiveringsplicht het Gerecht er niet toe verplicht om bij zijn redenering alle door partijen bij het geding uiteengezette argumenten één voor één uitputtend te behandelen. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten niet heeft aanvaard en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen (zie met name arresten van 2 april 2009, Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie, C‑431/07 P, EU:C:2009:223, punt 42, en 22 mei 2014, Armando Álvarez/Commissie, C‑36/12 P, EU:C:2014:349, punt 31).
43
In casu heeft het Gerecht rekwirantes argumenten inzake de in Oostenrijk gepleegde inbreuken voor zover het deze bijeenkomsten betreft, immers in de punten 180 tot en met 185 en 192 tot en met 196 van het bestreden arrest onderzocht en afgewezen. Voor elk daarvan heeft het Gerecht naar het relevante bewijs en het litigieuze besluit verwezen alvorens rekwirantes betoog ongegrond te achten. Daarmee heeft het Gerecht het bestreden arrest gemotiveerd.
44
De argumenten van rekwirante die in punt 42 van dit arrest zijn vermeld, moeten derhalve worden afgewezen.
45
Wat de bijeenkomst van 15 oktober 1997 betreft, moet bovendien rekwirantes argument worden afgewezen dat het Gerecht zich heeft gebaseerd op gronden die niet voorkwamen in de mededeling van punten van bezwaar van de Commissie. Vastgesteld moet immers worden dat het Gerecht zich in punt 194 van het bestreden arrest heeft gebaseerd op de gronden die in de punten 295 en 307 van het litigieuze besluit zijn uiteengezet. Rekwirante heeft voor het Gerecht evenwel niet aangevoerd dat er op dit punt geen overeenstemming tussen dat besluit en de mededeling van punten van bezwaar was. Volgens vaste rechtspraak (zie met name arrest van 22 oktober 2015, AC-Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punt 54) kan zij een dergelijk argument dus niet aanvoeren in het stadium van de hogere voorziening voor het Hof.
46
Wat in de derde plaats de bijeenkomsten van 30 april en 18 juni 1998 betreft, moet erop worden gewezen dat het Gerecht in punt 199 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat door de Commissie geen bewijs was overgelegd dat kon aantonen dat rekwirante aan de inbreuk had deelgenomen. In punt 203 van dat arrest heeft het Gerecht evenwel duidelijk geoordeeld dat de Commissie, bij gebreke van een publiekelijke distantiëring van rekwirante en als gevolg van het feit dat de mededingingsverstorende gevolgen van de overeenkomst van 15 oktober 1997 zich nog steeds deden gevoelen in het daaropvolgende jaar, zich op het standpunt mocht stellen dat rekwirante in 1998 niet had opgehouden aan de inbreuk deel te nemen. Door zo te handelen is het Gerecht niet alleen zijn motiveringsplicht nagekomen, waardoor de partijen zijn redenering hebben kunnen bestrijden en het Hof zijn toezicht in het kader van de hogere voorziening heeft kunnen uitoefenen, het heeft ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de bewijslevering gegeven.
47
Wat dat laatste betreft, moet immers worden benadrukt dat het vaste rechtspraak van het Hof is dat een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst in de meeste gevallen moet worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen vormen dat de mededingingsregels zijn geschonden. Met name bij een inbreuk die zich over verschillende jaren uitstrekt, staat het feit dat er geen rechtstreeks bewijs is dat een onderneming gedurende een bepaald tijdvak heeft deelgenomen aan deze inbreuk, er niet aan in de weg dat die deelname ook voor dit tijdvak wordt vastgesteld, mits deze vaststelling op objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen berust, waarbij met het feit dat deze onderneming zich niet publiekelijk heeft gedistantieerd rekening kan worden gehouden (zie in die zin arrest van 17 september 2015, Total Marketing Services/Commissie, C‑634/13 P, EU:C:2015:614, punten 26‑28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
Het Gerecht heeft zichzelf niet tegengesproken of verzuimd om zijn motiveringsplicht na te komen door te oordelen dat het, ondanks dat op basis van alleen de verklaring van Masco niet kon worden aangetoond dat rekwirante in 1998 aan de informatie-uitwisseling had deelgenomen, daar, naast met andere elementen, rekening mee mocht houden in het kader van het samenstel van onderling overeenstemmende aanwijzingen dat in punt 203 van het bestreden arrest is omschreven, om aan te tonen dat rekwirante haar deelname aan de ongeoorloofde gedragingen niet had onderbroken in 1998.
49
Tot slot zijn rekwirantes argumenten niet-ontvankelijk voor zover zij daarmee de beoordeling van de feiten en het bewijs door het Gerecht in twijfel trekt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan de feitelijke beoordeling door het Gerecht in beginsel niet door het Hof worden getoetst in het kader van een hogere voorziening. Zoals blijkt uit artikel 256 VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is de hogere voorziening immers beperkt tot rechtsvragen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijselementen te beoordelen, behoudens in het geval van een verdraaiing van deze feiten en bewijselementen (zie in die zin arrest van 2 oktober 2003, Salzgitter/Commissie, C‑182/99 P, EU:C:2003:526, punt 43en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Wat in de vierde plaats de bijeenkomsten in 1999 betreft, moet worden vastgesteld dat de Commissie, zoals uit punt 206 van het bestreden arrest blijkt, zich niet louter heeft gebaseerd op het clementieverzoek van Ideal Standard, maar op handgeschreven notulen van de bijeenkomst van 6 september 1999 die door een vertegenwoordiger van Ideal Standard zijn opgesteld op de dag waarop die inbreukmakende bijeenkomst is gehouden. Anders dan rekwirante stelt, hoeft bij dergelijk bewijs, dat niet dateert van de indiening van het clementieverzoek van deze vennootschap op grond van de mededeling van 2002 inzake medewerking maar van ten tijde van de feiten, zoals het Gerecht heeft uiteengezet in punt 207 van het bestreden arrest, niet nog ander daarmee overeenstemmend bewijs te worden overgelegd. Bijgevolg is dit argument ongegrond.
51
Wat in de vijfde plaats de bijeenkomst van de ASI van 12 en 13 oktober 2000 betreft, moet worden vastgesteld dat rekwirantes argumenten berusten op een onjuiste lezing van punt 214 van het bestreden arrest. Anders dan rekwirante beweert, heeft het Gerecht zich immers niet op de notulen van die bijeenkomst gebaseerd voor de vaststelling dat de gevolgen van de ongeoorloofde besprekingen die in 1999 zijn gevoerd, zich nog in 2000 hebben doen gevoelen. Bovendien zijn deze argumenten hoofdzakelijk bedoeld om af te doen aan de beoordeling van het bewijs door het Gerecht, zonder echter aan te tonen dat het Gerecht het bewijs heeft verdraaid. Gelet op de rechtspraak die in punt 49 van het onderhavige arrest is uiteengezet, zijn zij derhalve niet-ontvankelijk.
52
Wat in de zesde plaats het jaar 2001 betreft, berust rekwirantes argument eveneens op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, zodat dit moet worden afgewezen. Uit de punten 215 tot en met 218 van dit arrest blijkt namelijk duidelijk dat het Gerecht er niet van uit is gegaan dat rekwirante aan de in 2001 gehouden ongeoorloofde besprekingen heeft deelgenomen omdat de besprekingen die in 2000 zijn gehouden nog in het jaar daarop hun gevolgen hebben gesorteerd. Het Gerecht heeft zich in de punten 215 tot en met 217 van genoemd arrest namelijk gebaseerd op de deelname van die vennootschap aan meerdere bijeenkomsten in 2001 waarop de deelnemers de datum zijn overeengekomen waarop de prijslijsten aan de groothandelaren zouden worden toegezonden en die waarop de prijsverhogingen zouden ingaan, alsook de omstandigheid dat die bijeenkomsten overeenstemden met andere bijeenkomsten die in 2000 en 2001 hebben plaatsgevonden, waaraan die vennootschap niet heeft deelgenomen, maar waarop de leden van de ASI in termen van cijfers hebben gesproken over de prijsverhogingen vanaf 1 januari 2002.
53
Wat in de zevende plaats rekwirantes argumenten inzake een ontoereikende motivering van het bestreden arrest betreft doordat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met haar stellingen ten aanzien van de jaren 2002 en 2003, volstaat het vast te stellen dat het Gerecht voor elk van de relevante bijeenkomsten in de punten 219 tot en met 226 van het bestreden arrest heeft verwezen naar het relevante bewijs en naar het litigieuze besluit alvorens rekwirantes betoog ongegrond te achten. Gelet op de rechtspraak die is uiteengezet in punt 42 van het onderhavige arrest, was het niet verplicht om op alle stellingen van rekwirante te antwoorden. Deze argumenten van rekwirante moeten derhalve worden afgewezen.
54
Wat tot slot rekwirantes argumenten inzake de bijeenkomst van 22 januari 2004 betreft, moet worden vastgesteld dat zij daarmee de beoordeling van het bewijs door het Gerecht in twijfel tracht te trekken, zonder evenwel een verdraaiing van het bewijs aan te voeren. Gelet op de rechtspraak die in punt 49 van het onderhavige arrest is uiteengezet, zijn deze argumenten derhalve niet-ontvankelijk.
55
Gelet op een en ander is het eerste middel ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond.
Tweede middel: bestaan van één enkele voortdurende inbreuk
Argumenten van partijen
56
Met haar tweede middel betoogt rekwirante in de eerste plaats dat het rechtsbegrip één enkele, complexe en voortdurende inbreuk als zodanig onverenigbaar is met artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, zodat dit niet zou mogen worden toegepast. Voor dit begrip ontbreekt immers elke rechtsgrondslag in het Unierecht. Daarnaast stelt rekwirante dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd omdat het Gerecht niet heeft geantwoord op haar argumenten op dit punt.
57
In de tweede plaats meent rekwirante subsidiair dat in de onderhavige zaak niet was voldaan aan de voorwaarden voor de vaststelling dat sprake was van één enkele inbreuk, aangezien de Commissie de relevante markt niet heeft afgebakend en ook niet heeft bewezen dat de verschillende verweten ongeoorloofde gedragingen complementair waren.
58
In de derde plaats is rekwirante van mening dat, daar waar het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig is verklaard voor zover het sommige lidstaten betreft in de arresten van 16 september 2013, Wabco Europe e.a./Commissie (T‑380/10, EU:T:2013:449), Keramag Keramische Werke e.a./Commissie (T‑379/10 en T‑381/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:457) en Duravit e.a./Commissie (T‑364/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:477), en sommige ondernemingen mogelijk geen wetenschap hadden van de inbreuk in zijn geheel, er geen sprake kan zijn van de globale inbreuk zoals gedefinieerd in dat besluit.
59
Volgens de Commissie moet het tweede middel worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
60
Volgens vaste rechtspraak kan schending van artikel 101, lid 1, VWEU niet alleen voortvloeien uit een opzichzelfstaande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging ook op zich, afzonderlijk, schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen wegens hun identieke doel, de mededinging binnen de interne markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie bijgevolg de aansprakelijkheid voor die handelingen toekennen naargelang van de deelname aan de betrokken inbreuk in zijn geheel (zie in die zin arrest van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 156en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61
Een onderneming die aan een dergelijke enkele en complexe inbreuk heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beoogden te leveren, kan aldus voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk. Dat is het geval wanneer vaststaat dat deze onderneming door haar eigen gedrag wilde bijdragen aan de door alle deelnemers nagestreefde gemeenschappelijke doelstellingen en dat zij kennis had van de inbreukmakende gedragingen die door andere ondernemingen werden overwogen of verricht in hun streven naar dezelfde doelstellingen, of dat zij ze redelijkerwijs kon voorzien of bereid was het risico daarvan te aanvaarden (zie in die zin arrest van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 157en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62
Het is dus mogelijk dat een onderneming rechtstreeks heeft deelgenomen aan alle mededingingsverstorende gedragingen die samen één enkele voortdurende inbreuk vormen, in welk geval de Commissie haar aansprakelijk mag stellen voor al deze gedragingen en dus voor deze inbreuk in zijn geheel. Het is ook mogelijk dat een onderneming slechts rechtstreeks heeft deelgenomen aan een deel van de mededingingsverstorende gedragingen die samen één enkele voortdurende inbreuk vormen, maar op de hoogte was van alle andere inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, of deze gedragingen redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden. Ook in een dergelijk geval mag de Commissie deze onderneming aansprakelijk stellen voor alle mededingingsverstorende gedragingen die samen deze inbreuk vormen, en dus voor de inbreuk in zijn geheel (zie arrest van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 158en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63
Ter beantwoording van de vraag of verschillende handelingen als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden aangemerkt, hoeft bovendien niet te worden nagegaan of zij complementair zijn, in die zin dat elk ervan is bedoeld om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging, en dat zij door hun wisselwerking bijdragen tot de verwezenlijking van het geheel van de mededingingsbeperkende gevolgen dat de daders beogen, en dit in het kader van een globaal plan met één enkel doel. De voorwaarde in verband met het begrip één enkel doel houdt juist in dat moet worden nagegaan of de verschillende bestanddelen van de inbreuk geen kenmerken vertonen die erop kunnen wijzen dat de overige deelnemers met hun materiële gedragingen niet hetzelfde doel of hetzelfde mededingingsverstorende gevolg nastreefden en dus of die geen deel uitmaken van een „totaalplan” wegens hun identieke doel om de mededinging binnen de interne markt te vervalsen (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie, C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:866, punten 247 en 248).
64
Bovendien kan uit de rechtspraak van het Hof niet worden afgeleid dat artikel 101, lid 1, VWEU uitsluitend ziet op, hetzij ondernemingen die werkzaam zijn op de markt waarop beperkingen van de mededinging betrekking hebben of op upstream- of downstreammarkten of naburige markten daarvan, hetzij ondernemingen die hun gedragsautonomie op een bepaalde markt beperken op grond van een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging. Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat de tekst van artikel 101, lid 1, VWEU algemeen verwijst naar alle overeenkomsten en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen die, hetzij in horizontale hetzij in verticale betrekkingen, de mededinging op de interne markt vervalsen, ongeacht de markt waarop de partijen werkzaam zijn en ongeacht het feit dat slechts het commerciële gedrag van een van die ondernemingen door de termen van de betrokken afspraken wordt geraakt (zie in die zin arrest van 22 oktober 2015, AC-Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punten 34 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65
Gelet op deze rechtspraak moeten in de eerste plaats rekwirantes argumenten dat het begrip één enkele, complexe en voortdurende inbreuk onverenigbaar is met artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, worden afgewezen.
66
In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat het Gerecht, anders dan rekwirante stelt, het bestreden arrest rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd door deze rechtspraak in herinnering te brengen in de punten 32 tot en met 34, 41, 42 en 46 tot en met 48 van dit arrest.
67
Wat in de derde plaats rekwirantes argument betreft dat in casu niet voldaan is aan de voorwaarden voor de vaststelling dat sprake is van één enkele inbreuk omdat de Commissie de relevante markt niet heeft afgebakend, moet worden vastgesteld dat, zoals ook het Gerecht er terecht op heeft gewezen in punt 54 van het bestreden arrest en zoals rekwirante ook erkent, de omstandigheid dat de product- en geografische markten waarop de inbreuk betrekking had, onderscheiden waren, er hoe dan ook niet aan in de weg staat dat wordt vastgesteld dat sprake is van één enkele inbreuk. Dit argument is derhalve hoe dan ook niet ter zake dienend.
68
In de vierde plaats heeft het Gerecht in de punten 63 tot en met 71 van het bestreden arrest geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven door te oordelen dat de Commissie in casu tot de conclusie kon komen dat sprake was van één enkel doel om de enkele inbreuk te bewijzen. Het heeft op basis van de feitelijke vaststellingen in de punten 66, 69 en 71 van het bestreden arrest namelijk rechtens genoegzaam aangetoond dat met de verschillende verweten gedragingen hetzelfde doel werd nagestreefd, namelijk voor alle fabrikanten van badkamersanitair om hun houding ten opzichte van de groothandelaren onderling af te stemmen. In dit verband moet worden benadrukt dat het begrip gemeenschappelijk doel, anders dan rekwirante betoogt en zoals volgt uit genoemde punten 66, 69 en 71, niet is ingevuld aan de hand van een algemene verwijzing naar een verstoring van de mededinging op de markten waarop de inbreuk betrekking heeft, maar aan de hand van een verwijzing naar meerdere objectieve factoren, zoals de centrale rol die de groothandelaren in het distributiecircuit speelden, de kenmerken van dit circuit, het bestaan van overkoepelende organisaties en meerproductenorganisaties, de vergelijkbare wijze waarop de kartelafspraken zijn uitgevoerd en de materiële, geografische en temporele overlappingen tussen de betrokken gedragingen.
69
Aangezien in die omstandigheden één enkele voortdurende inbreuk kon worden toegerekend aan niet met elkaar concurrerende ondernemingen, zonder dat complementariteit tussen de verweten gedragingen hoefde te worden aangetoond en zonder dat de relevante markten stelselmatig hoefden te worden afgebakend, en kon worden geoordeeld dat rekwirante verantwoordelijk was voor haar directe deelname aan de verweten inbreuk en voor haar indirecte deelname daaraan, omdat zij wetenschap had van alle inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op dezelfde doelstellingen planden of verrichtten of deze redelijkerwijs had kunnen voorzien en zij bereid was het risico daarvan te aanvaarden, kan het Gerecht niet worden verweten dat het heeft geoordeeld dat de Commissie geen fout had begaan door tot de conclusie te komen dat in de onderhavige zaak sprake was van één enkele voortdurende inbreuk.
70
Wat tot slot het betoog betreft inzake de gedeeltelijke nietigverklaringen van het litigieuze besluit die zijn uitgesproken bij arresten van het Gerecht betreffende dezelfde inbreuk als de inbreuk die voorwerp is van de onderhavige zaak, moet eraan worden herinnerd dat de beoordeling van het bewijs betreffende de verschillende nationale markten onder de uitsluitende bevoegdheid van het Gerecht valt. Voor zover dit betoog bedoeld is om het bestaan van één enkele, complexe en voortdurende inbreuk in twijfel te trekken, moet worden benadrukt dat het feit dat het Gerecht het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig heeft verklaard voor zover het betrekking heeft op het bewijs van de deelname aan de verweten inbreuk van bepaalde betrokken ondernemingen op bepaalde geografische markten in bepaalde perioden, niet volstaat om af te doen aan de vaststelling van het Gerecht dat er een totaalplan was dat de drie productsubgroepen en de zes lidstaten in kwestie dekte en een en hetzelfde doel had om de mededinging te vervalsen. Dergelijke gedeeltelijke nietigverklaringen kunnen in voorkomend geval alleen tot verlaging van de aan elke betrokken onderneming opgelegde geldboete leiden, vooropgesteld dat de betrokken geografische markten in aanmerking zijn genomen bij de berekening van de hun opgelegde geldboete.
71
Bijgevolg is het tweede middel ten dele niet ter zake dienend en ten dele ongegrond.
Derde en vierde middel: toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht en evenredigheid van de geldboete
Argumenten van partijen
72
Met haar derde middel geeft rekwirante te kennen dat het Gerecht en het Hof om redenen van rechtszekerheid en ter waarborging van het recht op een eerlijk proces gehouden zijn om in elke zaak die hen wordt voorgelegd over de vaststelling van een geldboete of een dwangsom door de Commissie, de toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht die hun door de wetgever van de Unie krachtens artikel 31 van verordening nr. 1/2003 is toegekend ook daadwerkelijk uit te oefenen, meer in het bijzonder in een context waarin geen rechtsnorm voorziet in harmonisatie van de sancties of waarin de Commissie drie verschillende methoden heeft gehanteerd om de geldboeten voor de jaren 1998 tot en met 2006 te berekenen.
73
Anders dan rekwirante had gevorderd, heeft het Gerecht in het bestreden arrest echter uitsluitend de wettigheid van de vaststelling van het boetebedrag getoetst.
74
Daarnaast is rekwirante van mening dat het Gerecht de geldboete had moeten verlagen, gezien de ernst van de inbreuk, die slechts betrekking heeft op een beperkt aantal lidstaten. Het is in dat verband onbegrijpelijk waarom de Commissie voor de in casu verweten ongeoorloofde gedragingen zwaardere straffen heeft opgelegd dan voor mededingingsregelingen van vergelijkbare aard die het gehele grondgebied van de Europese Economische Ruimte bestrijken.
75
Voorts uit rekwirante kritiek op het feit dat zij geen boeteverlaging heeft gekregen wegens de buitensporig lange duur van de administratieve procedure, die meer dan zes jaar in beslag heeft genomen.
76
Met haar vierde middel stelt rekwirante schending van het evenredigheidsbeginsel dat in artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is neergelegd, waaruit volgt dat de zwaarte van het strafbare feit in de straf tot uitdrukking moet komen. Rekwirante meent in dat verband dat het Gerecht bij de vaststelling van de ernst rekening moet houden met de gevolgen van de betrokken inbreuk op de markt en de omzet die op de betrokken markten is behaald, hetgeen het niet heeft gedaan.
77
Het Gerecht had zich er ook van moeten vergewissen dat het bedrag van de in het litigieuze besluit voorziene geldboeten absoluut gezien evenredig was, hetgeen niet het geval is, aangezien een geldboete van 6,08 miljoen EUR is opgelegd voor een door de afspraken beïnvloede omzet van ongeveer 3,88 miljoen EUR.
78
Rekwirante verzoekt het Hof derhalve om deze onrechtmatige verzuimen van het Gerecht te herstellen en het bedrag van de opgelegde geldboete zelf te verlagen.
79
De Commissie concludeert tot afwijzing van het derde en het vierde middel.
Beoordeling door het Hof
80
Volgens vaste rechtspraak houdt het bij artikel 263 VWEU ingevoerde wettigheidstoezicht in dat de rechter van de Unie het bestreden besluit aan de hand van de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten in feite en in rechte toetst en dat hij het bewijs kan beoordelen, dat besluit nietig kan verklaren en de boetebedragen kan wijzigen (zie arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, C‑295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak).
81
Het wettigheidstoezicht wordt aangevuld door de toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht die de Unierechter bij artikel 31 van verordening nr. 1/2003 werd verleend overeenkomstig artikel 261 VWEU. Deze bevoegdheid gaat verder dan het eenvoudige wettigheidstoezicht op de sanctie en biedt de rechter de mogelijkheid om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie en derhalve de opgelegde geldboete of dwangsom in te trekken, te verlagen of te verhogen (zie arrest van 8 december 2011, Chalkor/Commissie, C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punt 63en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82
Teneinde te voldoen aan het vereiste dat de geldboete volledig wordt getoetst in de zin van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet de rechter van de Unie bij de uitoefening van de in de artikelen 261 en 263 VWEU vastgestelde bevoegdheden elke grief, rechtens of feitelijk, onderzoeken waarmee wordt aangevoerd dat het bedrag van de geldboete niet passend is in het licht van de ernst en de duur van de inbreuk (zie arrest van 18 december 2014, Commissie/Parker Hannifin Manufacturing en Parker-Hannifin, C‑434/13 P, EU:C:2014:2456, punt 75en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83
De uitoefening van deze toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht komt echter niet erop neer dat het Gerecht ambtshalve toezicht uitoefent, en de procedure wordt gevoerd op tegenspraak. Het staat in beginsel aan de verzoekende partij om middelen tegen het bestreden besluit aan te voeren en bewijzen ter onderbouwing van die middelen aan te dragen (zie arrest van 18 december 2014, Commissie/Parker Hannifin Manufacturing en Parker-Hannifin, C‑434/13 P, EU:C:2014:2456, punt 76en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84
In dat verband moet worden benadrukt dat de omstandigheid dat geen ambtshalve toezicht op de gehele bestreden beslissing wordt uitgeoefend, niet in strijd is met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming. Om dit beginsel in acht te nemen, is het niet noodzakelijk dat het Gerecht, dat uiteraard de aangevoerde middelen moet beantwoorden en toezicht in rechte en in feite moet uitoefenen, verplicht is het dossier ambtshalve volledig opnieuw te onderzoeken (zie arrest van 8 december 2011, Chalkor/Commissie, C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punt 66).
85
Daarnaast is het vaste rechtspraak van het Hof dat het Gerecht als enige bevoegd is om na te gaan hoe de Commissie in elk afzonderlijk geval de ernst van de ongeoorloofde gedragingen heeft beoordeeld. In hogere voorziening dient het Hof na te gaan of het Gerecht op een juridisch correcte wijze alle wezenlijke factoren in aanmerking heeft genomen om de ernst van een bepaalde gedraging aan artikel 101 VWEU en artikel 23 van verordening nr. 1/2003 te toetsen, en of het rechtens genoegzaam antwoord heeft gegeven op alle tot staving van het verzoek om verlaging van de geldboete aangevoerde argumenten. De ernst van inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie moet worden vastgesteld aan de hand van een groot aantal factoren, zoals met name de afschrikkende werking van de geldboeten, de bijzondere omstandigheden van de zaak en de context, waaronder de houding van elk van de ondernemingen, de rol die zij elk bij de totstandkoming van de mededingingsregeling hebben gespeeld, de winst die zij daaruit hebben kunnen behalen, hun omvang en de waarde van de betrokken goederen, alsook het gevaar dat dergelijke inbreuken opleveren voor de doelstellingen van de Unie (zie in die zin arrest van 11 juli 2013, Team Relocations e.a./Commissie, C‑444/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:464, punten 95, 99 en 100).
86
Bovendien staat het niet aan het Hof, wanneer het zich in hogere voorziening uitspreekt over rechtsvragen, zijn oordeel uit billijkheidsoverwegingen in de plaats te stellen van dat van het Gerecht, dat zich in de uitoefening van zijn toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht heeft uitgesproken over het bedrag van de geldboeten die aan ondernemingen wegens schending van het Unierecht zijn opgelegd. Het Hof kan dus pas vaststellen dat het Gerecht blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven omdat het bedrag van de geldboete niet passend is, wanneer het van oordeel is dat de hoogte van de geldboete niet alleen niet passend is, maar ook zodanig overdreven dat de geldboete onevenredig is (zie met name arrest van 30 mei 2013, Quinn Barlo e.a./Commissie, C‑70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351, punt 57en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87
Het derde en het vierde middel moeten in het licht van deze rechtspraak worden onderzocht.
88
Uit de hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt duidelijk dat het toezicht op grond van de volledige rechtsmacht uitsluitend betrekking heeft op de opgelegde geldboete en niet op het bestreden besluit in zijn geheel en dat noch de toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht noch het wettigheidstoezicht neerkomen op ambtshalve toezicht, zodat die niet verlangen dat het Gerecht ambtshalve het dossier volledig opnieuw onderzoekt, los van de door de verzoeker geformuleerde grieven.
89
In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat het Gerecht vanaf punt 335 van het bestreden arrest effectief toezicht heeft gehouden op het bedrag van de geldboete, dat het op de verschillende argumenten van rekwirante heeft geantwoord en dat het zich in de punten 397 tot en met 402 van dit arrest heeft uitgesproken over de conclusies strekkende tot verlaging van de geldboete, waarbij het zich, anders dan rekwirante stelt, dus niet heeft beperkt tot een toetsing van de wettigheid van dit bedrag. In dat verband heeft het Gerecht er in punt 384 van dat arrest met name op gewezen dat het percentage van 15 % als coëfficiënt voor de „ernst van de inbreuk” en die voor het „extra bedrag” een minimum was in vergelijking met de bijzonder ernstige aard van de betrokken inbreuk. Daarna heeft het in de punten 397 tot en met 401 van datzelfde arrest geoordeeld dat geen van de elementen die verzoeksters in eerste aanleg hadden aangevoerd, een verlaging van het boetebedrag rechtvaardigde.
90
Wat meer bepaald het onderzoek van de ernst van de verweten inbreuk betreft, moet worden vastgesteld dat het Gerecht in punt 381 van het bestreden arrest met name punt 23 van de richtsnoeren van 2006 in herinnering heeft gebracht, waarin is opgenomen dat „[h]orizontale overeenkomsten inzake prijzen, de verdeling van markten en de beperking van de productie, die meestal geheim zijn, […] naar hun aard [behoren] tot de ernstigste mededingingsbeperkingen. Zij moeten in het kader van het mededingingsbeleid streng worden bestraft. Het aandeel van de verkopen dat voor dergelijke inbreuken in aanmerking wordt genomen zal derhalve doorgaans hoog zijn”. Het Gerecht heeft in punt 383 van dat arrest uiteengezet welke motivering de Commissie in overweging 1211 van het litigieuze besluit had gehanteerd, namelijk dat horizontale prijsafstemming naar zijn aard een van de schadelijkste mededingingsbeperkingen was en dat de inbreuk één enkele, voortdurende en complexe inbreuk was die zes lidstaten bestreek en de drie productsubgroepen omvatte, alvorens in punt 384 van datzelfde arrest vast te stellen dat de bijzonder ernstige aard van de betrokken inbreuk het rechtvaardigde dat een coëfficiënt voor de ernst van 15 % werd toegepast en in punt 385 van het bestreden arrest dat rekwirante had deelgenomen aan de „kerngroep van ondernemingen” die de vastgestelde inbreuk ten uitvoer had gebracht.
91
Aangezien het dus alle relevante parameters voor de beoordeling van de ernst van de verweten inbreuk in aanmerking heeft genomen, waarbij bovendien geldt dat de horizontale prijsafstemming en de deelname van rekwirante daaraan is bewezen, en het rekwirantes argumenten op dit punt heeft beantwoord, heeft het Gerecht geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven en voldaan aan zijn verplichting om effectief rechterlijk toezicht op het litigieuze besluit te houden.
92
Wat de beoordeling van de buitensporig lange duur van de administratieve procedure betreft, moet eraan worden herinnerd dat schending van het beginsel van inachtneming van de redelijke termijn door de Commissie weliswaar kan dienen ter rechtvaardiging van de nietigverklaring van een besluit dat is genomen na afloop van een administratieve procedure op grond van artikel 101 of 102 VWEU wanneer er tevens sprake is van schending van het recht van verdediging van de betrokken onderneming, maar dat dergelijke schending van het beginsel van inachtneming van de redelijke termijn, voor zover deze al zou vaststaan, niet ertoe kan leiden dat de opgelegde geldboete wordt verlaagd (zie met name arresten van 9 juni 2016, CEPSA/Commissie, C‑608/13 P, EU:C:2016:414, punt 61, en PROAS/Commissie, C‑616/13 P, EU:C:2016:415, punt 74en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals blijkt uit punt 75 van dit arrest, staat in de onderhavige zaak vast dat rekwirante met haar argument inzake een onjuiste beoordeling van de buitensporig lange duur van de administratieve procedure door het Gerecht, uitsluitend een verlaging van de haar opgelegde geldboete wil verkrijgen.
93
Dit argument is derhalve, los van de gegrondheid ervan, niet ter zake dienend.
94
Wat tot slot de evenredigheid van het bedrag van de opgelegde geldboete als zodanig betreft, voert rekwirante geen argument aan dat kan aantonen dat de hoogte van de opgelegde sanctie niet passend of overdreven is. Het argument dat het boetebedrag van 6,08 miljoen EUR onevenredig is ten opzichte van de met de mededingingsregeling gemoeide omzet van 3,88 miljoen EUR, moet worden afgewezen. Vast staat immers dat het bedrag van de aan Villeroy & Boch en haar dochterondernemingen opgelegde geldboete is verlaagd om niet 10 % van hun totale omzet van in het voorafgaande boekjaar te overschrijden, overeenkomstig artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003. Dit maximum waarborgt reeds dat de hoogte van die geldboete niet onevenredig is aan de omvang van de onderneming, zoals bepaald aan de hand van haar totale omzet (zie in die zin arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, EU:C:2005:408, punten 280‑282).
95
Gelet op een en ander zijn het derde en het vierde middel ten dele niet ter zake dienend en ten dele ongegrond.
96
Aangezien geen van de door rekwirante aangevoerde middelen is aanvaard, moet de hogere voorziening worden afgewezen.
Kosten
97
Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat het Hof over de kosten beslist wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Villeroy & Boch Austria GmbH wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) * Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy