ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
25 juni 2015 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Vervoer — Rijbewijs — Verlenging door lidstaat van afgifte — Voorwaarde dat betrokkene op het grondgebied van die lidstaat verblijft — Verklaring van verblijfplaats”
In zaak C‑664/13,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administratīvā apgabaltiesa (Letland) bij beslissing van 5 december 2013, ingekomen bij het Hof op 13 december 2013, in de procedure
VAS „Ceļu satiksmes drošības direkcija”,
Latvijas Republikas Satiksmes ministrija
tegen
Kaspars Nīmanis,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, C. Vajda, A. Rosas (rapporteur), E. Juhász en D. Šváby, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
de Letse regering, vertegenwoordigd door I. Kalniņš en L. Skolmeistare als gemachtigden,
—
de Estse regering, vertegenwoordigd door N. Grünberg als gemachtigde,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Yerrell en E. Kalniņš als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12 van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PB L 403, blz. 18; hierna: „richtlijn 2006/126”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds VAS „Ceļu satiksmes drošības direkcija” (bestuur veiligheid van het wegverkeer; hierna: „CSDD”) en de Latvijas Republikas Satiksmes ministrija (minister van Vervoer van de Republiek Letland), en anderzijds K. Nīmanis betreffende de weigering om het rijbewijs van deze laatste te verlengen.
Toepasselijke bepalingen
Recht van de Unie
3
In overweging 2 van richtlijn 2006/126 wordt verklaard:
„De voorschriften betreffende het rijbewijs zijn onontbeerlijke elementen van het gemeenschappelijk vervoersbeleid, dragen bij tot de veiligheid van het wegverkeer en vergemakkelijken het vrije verkeer van personen die zich in een andere lidstaat vestigen dan de lidstaat die het rijbewijs heeft afgegeven.
[...]”
4
Overweging 8 van deze richtlijn preciseert dat om aan de eisen inzake de veiligheid van het wegverkeer te voldoen minimumvoorwaarden moeten worden vastgesteld voor de afgifte van het rijbewijs.
5
Overweging 15 van die richtlijn luidt:
„Het is passend dat de lidstaten, om redenen die verband houden met de veiligheid van het wegverkeer, hun nationale bepalingen inzake de intrekking, schorsing, verlenging en nietigverklaring van het rijbewijs, kunnen toepassen op iedere houder van een rijbewijs die zijn gewone verblijfplaats op hun grondgebied heeft verworven.”
6
Volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/126, „[worden] [d]e door de lidstaten afgegeven rijbewijzen [...] onderling erkend”.
7
Artikel 7 van deze richtlijn bepaalt:
„1. De afgifte van het rijbewijs is aan de volgende voorwaarden onderworpen:
a)
De aanvrager moet overeenkomstig het bepaalde in bijlage II met goed gevolg een examen inzake rijvaardigheid en rijgedrag en een theoretisch examen afleggen, alsmede voldoen aan de medische normen van bijlage III.
[...]
e)
De aanvrager moet zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs leveren dat hij ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling in de lidstaat is ingeschreven.
[...]
3. De verlenging van het rijbewijs op het moment dat de administratieve geldigheidsduur verstrijkt, is afhankelijk van:
[...]
b)
het feit dat de betrokkene zijn gewone verblijfplaats heeft, of aantoont dat hij voor ten minste zes maanden in een onderwijsinstelling is ingeschreven, op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft.
[...]
5. [...] Onverminderd artikel 2 zien de lidstaten er bij het afgeven van een rijbewijs grondig op toe dat de houders voldoen aan de voorschriften van lid 1, en passen zij hun nationale bepalingen inzake nietigverklaring en intrekking van de rijbevoegdheid toe indien wordt vastgesteld dat een rijbewijs is afgegeven zonder dat aan de eisen daarvoor is voldaan.”
8
Artikel 12 van richtlijn 2006/126 luidt als volgt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ‚gewone verblijfplaats’ verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.
De normale verblijfplaats van een persoon wiens beroepsbindingen op een andere plaats gelegen zijn dan zijn persoonlijke bindingen, en die daardoor afwisselend op verschillende in twee of meer lidstaten gelegen plaatsen moet verblijven, wordt evenwel geacht te liggen op de plaats van zijn persoonlijke bindingen, mits hij regelmatig daarnaar terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt, wanneer de betrokkene voor een opdracht van een bepaalde duur in een lidstaat verblijft. Het bezoeken van een universiteit of een school impliceert niet de overbrenging van de normale verblijfplaats.”
Lets recht
9
Artikel 22, lid 1, punt 1, van de Ceļu satiksmes likums (wet op het wegverkeer), in de sinds 1 januari 2013 geldende versie ervan, bepaalt dat iedere persoon die de in de wet vastgestelde leeftijd heeft bereikt en zijn gewone verblijfplaats in Letland heeft of kan aantonen dat hij gedurende de laatste zes maanden in Letland heeft gestudeerd, het recht kan verkrijgen om een auto te besturen en een rijbewijs kan behalen.
10
Voornoemde bepaling luidt als volgt:
„[...] Iemand heeft zijn gewone verblijfplaats in de zin van dit artikel in Letland indien is voldaan aan een van de volgende voorwaarden:
a)
wegens persoonlijke bindingen (bindingen waaruit een nauwe band blijkt tussen de betrokkene en Letland) en beroepsmatige bindingen heeft de betrokkene gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar zijn verblijfplaats en zijn opgegeven woonplaats in Letland;
b)
de betrokkene heeft geen beroepsmatige bindingen, maar wegens persoonlijke bindingen (bindingen waaruit een nauwe band blijkt tussen de betrokkene en Letland) heeft hij zijn verblijfplaats en opgegeven woonplaats in Letland;
c)
de betrokkene verblijft in het buitenland wegens beroepsmatige bindingen, maar wegens persoonlijke bindingen (bindingen waaruit een nauwe band blijkt tussen de betrokkene en Letland) keert hij vaak terug naar Letland en verblijft hij daar, en hij heeft zijn opgegeven woonplaats in Letland;
d)
de betrokkene heeft zijn opgegeven woonplaats in Letland, maar hij verblijft in het buitenland om er te studeren.”
11
Volgens artikel 1 van de Dzīvesvietas deklarēšanas likums (wet inzake de opgave van de woonplaats) is het doel van deze wet de bereikbaarheid van alle personen voor hun rechtsbetrekkingen met de staat en het lokale bestuur te verzekeren.
12
Artikel 2 van die wet legt personen de verplichting op om hun woonplaats op te geven, bepaalt welke gegevens moeten worden meegedeeld en legt de registratieprocedure vast. Dit artikel bepaalt dat de betrokken wet van toepassing is op personen die hun woonplaats in de Republiek Letland hebben. De opgave van de woonplaats doet op zich overigens geen civielrechtelijke verbintenissen ontstaan.
13
Artikel 3 van die wet bepaalt dat de woonplaats elke met een gebouw verbonden plaats (met een adres) is, die de persoon vrijelijk kiest, waar hij verblijft met de uitdrukkelijke of stilzwijgende bedoeling om er te wonen, waar hij zijn wettelijke verblijfplaats heeft en waar hij bereikbaar is voor zijn rechtsbetrekkingen met de staat en het lokale bestuur. Dit artikel preciseert voorts dat een persoon zijn wettelijke verblijfplaats in een bepaald gebouw kan hebben indien dat gebouw van hem is, indien hij het huurt als woning of als bedrijfsruimte, of indien hij een recht van gebruik van dat gebouw heeft verkregen door huwelijk, verwantschap of aanverwantschap dan wel op basis van een andere rechtsgrondslag of contractuele grondslag.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
14
Aan Nīmanis is op 13 december 2000 een rijbewijs afgegeven in Letland, toen hij zijn opgegeven woonplaats in die lidstaat had. De geldigheidsduur van dat rijbewijs was overeenkomstig de Letse wettelijke voorschriften vastgesteld op tien jaar.
15
Volgens de gegevens uit het bevolkingsregister heeft Nīmanis sinds februari 2002 geen opgegeven woonplaats meer in Letland. Hij stelt echter dat hij in aanmerking komt voor verlenging van zijn rijbewijs in die lidstaat, aangezien hij er zijn gewone verblijfplaats heeft.
16
Nīmanis heeft die verlenging aangevraagd bij de CSDD, die na onderzoek van de gegevens uit het bevolkingsregister heeft vastgesteld dat Nīmanis geen opgegeven woonplaats in Letland had.
17
Bij beschikking van 30 december 2010 heeft de CSDD de gevraagde verlenging geweigerd, op grond dat Nīmanis daarvoor gedurende ten minste 185 dagen in Letland moest verblijven en zijn woonplaats moest opgeven volgens de procedure van de Letse wettelijke regeling.
18
Na onderzoek van het administratief bezwaar van Nīmanis heeft het Latvijas Republikas Satiksmes ministrija bij besluit van 3 februari 2011 vastgesteld dat die beschikking van de CSDD strookte met artikel 22 van de Ceļu satiksmes likums.
19
Nīmanis heeft bij de Administratīvā rajona tiesa (bestuurlijke districtsrechtbank) administratief beroep ingesteld, waarbij hij om een gunstig administratief besluit heeft verzocht, namelijk om de verlenging van zijn rijbewijs.
20
Bij beslissing van 3 juni 2011 heeft de Administratīvā apgabaltiesa (regionale administratieve hof) conservatoire maatregelen vastgesteld en de CSDD gelast het rijbewijs van Nīmanis te verlengen.
21
Bij beslissing van 3 april 2012 heeft de Administratīvā rajona tiesa erkend dat de CSDD volgens de geldende wettelijke regeling niet het recht had om de voorwaarde van de opgegeven woonplaats te stellen, aangezien ten tijde van de weigering van verlenging van het rijbewijs van Nīmanis in de Letse wettelijke regeling niet de specifieke voorwaarde werd gesteld een opgegeven woonplaats in Letland te hebben om aanspraak op de verlenging van zijn rijbewijs te kunnen maken.
22
Derhalve heeft deze rechterlijke instantie de in het besluit van het Latvijas Republikas Satiksmes ministrija geformuleerde overweging volgens welke alleen via de opgegeven woonplaats kan worden aangetoond dat de betrokkene zijn gewone verblijfplaats in Letland heeft of gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar in Letland verblijft, ongegrond verklaard. Volgens haar kunnen die feiten ook aan de hand van andere bewijselementen worden aangetoond, en niet alleen aan de hand van de informatie die in het bevolkingsregister over de opgegeven woonplaats van de betrokkene is opgenomen.
23
De verwijzende rechter geeft aan dat de Administratīvā rajona tiesa niet heeft vastgesteld dat de nationaliteit van Nīmanis in casu werd betwist of dat ander bewijs was verkregen dat deze laatste niet zijn gewone verblijfplaats in Letland had of minder dan 185 dagen per kalenderjaar in deze lidstaat verbleef.
24
De CSDD heeft tegen de beslissing van de Administratīvā rajona tiesa hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter en daarbij met name de hierna volgende argumenten aangevoerd.
25
Richtlijn 2006/126 voorziet in een regeling voor het volledige grondgebied van de lidstaten van de Unie, met het oog op de vaststelling van één enkele procedure en van uniforme criteria voor de afgifte van het rijbewijs, teneinde te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om in een andere staat gemakkelijker een rijbewijs te behalen indien het om een of andere reden onmogelijk is om het in de staat van verblijf te behalen, alsook om ervoor te zorgen dat de woonplaats van de persoon slechts één van de voor de afgifte van een rijbewijs gestelde criteria is. De CSDD voegt daaraan toe dat indien Nīmanis de verlenging van zijn rijbewijs wenste te verkrijgen in een andere lidstaat dan de Republiek Letland, ook in die lidstaat zou worden nagegaan of hij aan dat criterium voldoet. Voor de afgifte van een rijbewijs aan de staatsburgers van een andere lidstaat toetst de CSDD op dezelfde wijze de naleving van de criteria die in de Ceļu satiksmes likums en de uitvoeringsbepalingen van de besluiten van de ministerraad zijn vastgesteld. Indien de betrokkene geen opgegeven woonplaats in Letland heeft en die informatie zich niet in het bevolkingsregister bevindt, wordt de afgifte van een rijbewijs geweigerd.
26
Bovendien is de opgave van de verblijfplaats niet louter een formaliteit, aangezien de naleving van dit criterium ook van essentieel belang is om andere verwante kwesties te beslechten.
27
Het Latvijas Republikas Satiksmes ministrija intervenieert aan de zijde van de CSDD in de tegen de beslissing van de Administratīvā rajona tiesa ingestelde procedure in hoger beroep.
28
De verwijzende rechter benadrukt dat volgens de Letse rechtspraak de rechter bij de behandeling van het verzoek om een gunstig administratief besluit moet nagaan of de verzoeker, gelet op de concrete omstandigheden van de hem aanhangig gemaakte zaak, recht heeft op een gunstig administratief besluit. Voorts moet de zaak worden onderzocht in het licht van de feiten en het rechtskader als aangetoond op het tijdstip waarop hij het geschil onderzoekt. Een rechtbank kan in een vonnis de autoriteiten geen verplichting opleggen op grond van rechtsregels die niet meer van kracht zijn.
29
Voor de afdoening van een verzoek om een gunstig administratief besluit vast te stellen, met name – in casu – de verlenging van een rijbewijs, moet de verwijzende rechter volgens die rechtspraak de wettelijke regeling in acht nemen die geldt op het tijdstip waarop die beslissing wordt vastgesteld.
30
De verwijzende rechter constateert dat de regeling van artikel 22 van de Ceļu satiksmes likums, dat voor de afgifte van het rijbewijs de voorwaarde stelt een opgegeven woonplaats in Letland te hebben, ter omzetting van richtlijn 2006/126 in het Letse recht is vastgesteld.
31
Om uitspraak te kunnen doen in het hoofdgeding moet worden bepaald of de informatie die in het bevolkingsregister over de opgegeven woonplaats op het grondgebied van Letland is opgenomen, het enige bewijsmiddel is dat Nīmanis ter beschikking staat om aan te tonen dat hij zijn gewone verblijfplaats in Letland heeft, teneinde de verlenging van zijn rijbewijs te verkrijgen.
32
Volgens de verwijzende rechter heeft de in het Letse recht voorziene opgave van de woonplaats tot doel, te verzekeren dat alle personen bereikbaar zijn voor hun betrekkingen met de staat. Dat de persoon geen opgegeven woonplaats heeft, betekent op zich niet dat hij niet in Letland verblijft.
33
Bovendien onderstreept deze rechterlijke instantie dat indien een persoon zijn gewone verblijfplaats in Letland heeft zonder dat hij evenwel een opgegeven woonplaats in deze lidstaat heeft, hij gelet op zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat evenmin recht heeft om in een andere lidstaat een rijbewijs te verkrijgen, aangezien hij in die andere lidstaat niet aan het criterium van richtlijn 2006/126 inzake de gewone verblijfplaats voldoet.
34
De Administratīvā apgabaltiesa vraagt zich af of de Letse wettelijke regeling verenigbaar is met artikel 12 van richtlijn 2006/126 en met de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen, zoals deze in overweging 2 van deze richtlijn zijn geformuleerd, te weten het verhogen van de veiligheid van het wegverkeer en het vergemakkelijken van het vrije verkeer van personen die zich in een andere lidstaat vestigen dan de lidstaat die het rijbewijs heeft afgegeven. Deze rechterlijke instantie heeft dan ook besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de hierna volgende vraag:
„Moet artikel 12 van richtlijn 2006/126, juncto de eerste volzin van overweging 2 van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke het enige middel om aan te tonen dat een persoon zijn gewone verblijfplaats in die staat (Letland) heeft, de opgegeven woonplaats van die persoon is? Moet onder ‚opgegeven woonplaats’ worden verstaan de verplichting voor de persoon krachtens de nationale wettelijke regeling om zich in een staatsregister in te schrijven om mee te delen op welk adres hij bereikbaar is voor zijn rechtsbetrekkingen met de staat en het lokale bestuur?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
35
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 12 van richtlijn 2006/126 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke een persoon die om de afgifte of de verlenging van een rijbewijs in deze lidstaat verzoekt, voor het bewijs dat hij aan de voorwaarde inzake de op het grondgebied van deze lidstaat gelegen „gewone verblijfplaats” in de zin van artikel 12 voldoet, zoals deze voorwaarde is vastgesteld in artikel 7, lid 1, onder e), en lid 3, onder b), van die richtlijn (hierna: „voorwaarde van de gewone verblijfplaats”), zich enkel kan beroepen op het feit dat hij een opgegeven woonplaats op het grondgebied van de betrokken lidstaat heeft.
36
Vooraf moet worden beklemtoond dat de eerbiediging van de voorwaarde van de gewone verblijfplaats een essentieel element van de bij deze richtlijn ingevoerde regeling is, waarvan het beginsel van de onderlinge erkenning van rijbewijzen de hoeksteen vormt (zie in die zin arrest Hofmann, C‑419/10, EU:C:2012:240, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Het Hof heeft reeds geoordeeld dat, bij gebreke van een volledige harmonisatie van de regelingen van de lidstaten inzake de afgifte van rijbewijzen, de voorwaarde van de gewone verblijfplaats met name bijdraagt tot de bestrijding van het „rijbewijstoerisme” en deze voorwaarde absoluut noodzakelijk is voor de controle op de naleving van de voorwaarde inzake rijgeschiktheid [zie, wat de voorwaarde van de gewone verblijfplaats betreft die in artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PB L 237, blz. 1) was vastgesteld, arresten Wiedemann en Funk, C‑329/06 en C‑343/06, EU:C:2008:366, punt 69; Zerche e.a., C‑334/06–C‑336/06, EU:C:2008:367, punt 66, en Grasser, C‑184/10, EU:C:2011:324, punt 27].
38
Aldus heeft het Hof verklaard dat de niet-naleving van de voorwaarde van de gewone verblijfplaats in bepaalde gevallen voor een lidstaat op zich reeds grond kan opleveren om het door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs niet te erkennen [zie, wat de bij artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 91/439 gestelde voorwaarde van de gewone verblijfplaats betreft, arresten Apelt, C‑224/10, EU:C:2011:655, punt 34, en Akyüz, C‑467/10, EU:C:2012:112, punt 61].
39
Enkel de lidstaat van afgifte van het rijbewijs is bevoegd om na te gaan of de voorwaarde van de gewone verblijfplaats is nageleefd (zie in die zin beschikking Wierer, C‑445/08, EU:C:2009:443, punt 55). Deze regel geldt ook voor de lidstaat waar de houder van een rijbewijs om de verlenging ervan verzoekt.
40
Bijgevolg moeten de autoriteiten die in een lidstaat met de afgifte en de verlenging van rijbewijzen zijn belast, zich op betrouwbare wijze ervan kunnen vergewissen dat de aanvrager daadwerkelijk de voorwaarde van de gewone verblijfplaats vervult.
41
In die context bepaalt artikel 7, lid 5, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 dat de lidstaten er bij het afgeven van een rijbewijs grondig op toezien dat de betrokkene voldoet aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, waaronder ook de voorwaarde van de gewone verblijfplaats.
42
Artikel 12 van richtlijn 2006/126 definieert weliswaar de criteria op basis waarvan kan worden bepaald wat voor de toepassing van deze richtlijn onder „gewone verblijfplaats” moet worden verstaan, maar vastgesteld moet worden dat die richtlijn geen enkele bepaling bevat waarin wordt aangegeven hoe het bewijs van een dergelijke verblijfplaats kan worden geleverd jegens de met de afgifte en de verlenging van rijbewijzen belaste autoriteiten.
43
Ook al is het juist dat de bewijsregeling aangaande de naleving van de voorwaarde van de gewone verblijfplaats jegens de met de afgifte en de verlenging van rijbewijzen belaste autoriteiten tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort en dat richtlijn 2006/126, zoals uit overweging 8 ervan blijkt, louter de minimumvoorwaarden vaststelt waaronder door de lidstaten rijbewijzen kunnen worden afgegeven, uit artikel 12 van deze richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder e), en lid 3, onder b), ervan, volgt evenwel dat het door de lidstaten te bereiken resultaat erin bestaat dat zij overeenkomstig de bepalingen van die richtlijn onderzoeken of de in artikel 12 vastgestelde criteria aan de hand waarvan kan worden nagegaan of een persoon zijn gewone verblijfplaats op hun grondgebied heeft, vervuld zijn, teneinde te verifiëren of deze persoon aan de voorwaarde van de gewone verblijfplaats voldoet.
44
Derhalve kunnen de vereisten betreffende het bewijs van de naleving van de voorwaarde van de gewone verblijfplaats niet strenger zijn dan hetgeen noodzakelijk is om de autoriteiten van de lidstaat die bevoegd zijn om rijbewijzen af te geven en te verlengen, in staat te stellen zich ervan te vergewissen dat de betrokkene volgens de in artikel 12 van richtlijn 2006/126 vastgestelde criteria voldoet aan die voorwaarde.
45
Dat een lidstaat de afgifte en de verlenging van een rijbewijs onderwerpt aan de verplichting dat de betrokkene een opgegeven woonplaats op zijn grondgebied heeft, lijkt daartoe een geschikt middel dat de taak van de autoriteiten om na te gaan of de voorwaarde van de gewone verblijfplaats vervuld is, kan vergemakkelijken.
46
De strikte verplichting om een opgegeven woonplaats op het grondgebied van een lidstaat te hebben, en dus de weigering die de aanvrager van een rijbewijs wordt tegengeworpen om zich op andere bewijsmiddelen te beroepen teneinde aan te tonen dat hij aan de criteria van artikel 12 van richtlijn 2006/126 voldoet, gaan echter verder dan hetgeen noodzakelijk is om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen zich ervan te vergewissen dat de betrokkene aan de voorwaarde van de gewone verblijfplaats voldoet.
47
Artikel 12 van richtlijn 2006/126 voorziet met betrekking tot de voorwaarde van de gewone verblijfplaats immers in een reeks objectieve criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of een persoon zijn gewone verblijfplaats op het betrokken grondgebied heeft.
48
Het is evenwel mogelijk dat een aanvrager beantwoordt aan de bedoelde criteria op basis waarvan kan worden vastgesteld of hij zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een bepaalde lidstaat heeft, zonder dat hij echter een opgegeven woonplaats in die lidstaat heeft, wat de situatie van Nīmanis lijkt te zijn. In die omstandigheden kan – ja zelfs moet – deze aanvrager volgens de voorwaarde van de gewone verblijfplaats ook in andere lidstaten met een weigering van afgifte van een rijbewijs worden geconfronteerd, aangezien hij niet zijn gewone verblijfplaats in de zin van artikel 12 van richtlijn 2006/126 op het grondgebied van die lidstaten heeft.
49
Op die manier zou het de betrokkene volstrekt onmogelijk zijn om een rijbewijs in de Unie te verkrijgen, ofschoon hij zijn gewone verblijfplaats in de zin van artikel 12 van richtlijn 2006/126 op het grondgebied van een lidstaat heeft.
50
Bovendien is een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke de enige mogelijkheid waarover de aanvrager van een rijbewijs beschikt om ten aanzien van de bevoegde autoriteiten het bewijs te leveren dat hij aan de voorwaarde van de gewone verblijfplaats voldoet, erin bestaat dat wordt aangetoond dat sprake is van een opgegeven woonplaats van de betrokkene op het grondgebied van deze lidstaat, te exclusief van aard. Een dergelijke regeling verleent immers voorrang aan een gegeven dat niet alle in artikel 12 van richtlijn 2006/126 vermelde criteria weergeeft, aangezien die regeling aldus elk ander gegeven uitsluit dat representatief is voor de in dat artikel genoemde situaties.
51
Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 12 van richtlijn 2006/126 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke het enige middel dat een persoon die in deze lidstaat om de afgifte of de verlenging van een rijbewijs verzoekt, ter beschikking staat om aan te tonen dat hij aan de in artikel 7, lid 1, onder e), en lid 3, onder b), van die richtlijn vastgestelde voorwaarde van de „gewone verblijfplaats” in de zin van voornoemd artikel 12 op het grondgebied van die lidstaat voldoet, erin bestaat dat hij het bewijs levert dat sprake is van een opgegeven woonplaats op het grondgebied van de betrokken lidstaat.
Kosten
52
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 12 van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke het enige middel dat een persoon die in deze lidstaat om de afgifte of de verlenging van een rijbewijs verzoekt, ter beschikking staat om aan te tonen dat hij aan de in artikel 7, lid 1, onder e), en lid 3, onder b), van die richtlijn vastgestelde voorwaarde van de „gewone verblijfplaats” in de zin van bedoeld artikel 12 op het grondgebied van die lidstaat voldoet, erin bestaat dat hij het bewijs levert dat sprake is van een opgegeven woonplaats op het grondgebied van de betrokken lidstaat.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Lets.
Full & Egal Universal Law Academy