16.3.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 79/9
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia (Bulgarije) op 10 januari 2013 — Gena Ivanova Cholakova/Osmo rayonno upravlenie pri Stolichna direktsiya na vatreshnite raboti
(Zaak C-14/13)
2013/C 79/16
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Sofia
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Gena Ivanova Cholakova
Verwerende partij: Osmo rayonno upravlenie pri Stolichna direktsiya na vatreshnite raboti
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 21, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, juncto de artikelen 67 en 72 van dit Verdrag, rekening houdend met de krachtens het recht van de Europese Unie toegestane beperkingen van het vrije verkeer van burgers van de Unie op het grondgebied van de lidstaten, aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale wettelijke bepaling van een lidstaat zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde artikel 63, eerste alinea, punt 5, van de Zakon za ministerstvoto na vatreshnite raboti (wet op het ministerie van Binnenlandse Zaken), dat bepaalt dat de politiediensten een onderdaan van een lidstaat voor maximum 24 uur kunnen aanhouden, teneinde zijn identiteit vast te stellen op basis van een controle die niet valt onder de in deze lidstaat wettelijk vastgestelde gevallen waarin een politiedienst een controle kan verrichten om de identiteit vast te stellen en die evenmin uitdrukkelijk is ingegeven door het voornemen om een strafbaar feit of een administratieve inbreuk vast te stellen of te voorkomen, de openbare orde te handhaven of de binnenlandse veiligheid te beschermen?
2)
Volgt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, uitgelegd in samenhang met de beperking van de rechten als bedoeld in de artikelen 6 en 45, lid 1, van het Handvest en overeenkomstig het Unierechtelijke beginsel van bescherming tegen een willekeurige of onevenredige ingreep in de privésfeer van natuurlijke personen, dat een nationale wettelijke bepaling zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde artikel 63, eerste alinea, punt 5, van de Zakon za ministerstvoto na vatreshnite raboti betreffende de aanhouding door de politie voor maximum 24 uur in het geval dat de identiteit van een staatsburger van een lidstaat niet kan worden vastgesteld overeenkomstig de bij wet vastgestelde voorwaarden, kan worden toegepast, volgens welke deze aanhouding in de volgende omstandigheden is toegestaan:
3)
A.
De politiediensten kunnen de aanhouding bevelen wanneer de identiteit niet op basis van een identiteitsdocument, door een andere persoon wiens identiteit is vastgesteld of op een andere betrouwbare wijze kan worden vastgesteld;
B.
De bepaling voorziet niet in een beoordeling van de noodzaak om de identiteit vast te stellen; zij voorziet evenmin in een beoordeling van het gedrag van de persoon, noch van de vraag of het gelet op de concrete omstandigheden noodzakelijk is dat de politiediensten een bij wet vastgestelde bevoegdheid uitoefenen;
C.
De vaststelling van de identiteit is niet uitdrukkelijk gebaseerd op gevallen waarin op grond van de wet maatregelen kunnen worden genomen om de identiteit van een persoon vast te stellen; de identiteit kan ook worden vastgesteld door eenvoudige inzage in een gegevensbestand of op een andere betrouwbare manier, zonder dat maatregelen ter vaststelling van de identiteit worden genomen;
D.
Bij de beoordeling of de wettelijke bepaling juist is toegepast, zal de rechter zich louter baseren op de bij deze bepaling vastgestelde omstandigheden, aangezien het een discretionaire bevoegdheid betreft?
Full & Egal Universal Law Academy