23.3.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 86/12
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Napoli (Italië) op 17 januari 2013 — Mascolo/Ministero dell’Istruzione, dell’Università e della Ricerca
(Zaak C-22/13)
2013/C 86/20
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale di Napoli
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Raffaella Mascolo
Verwerende partij: Ministero dell’Istruzione, dell’Università e della Ricerca
Prejudiciële vragen
1)
Vormt de geschetste regelgeving voor de onderwijssector een gelijkwaardige maatregel in de zin van clausule 5 van [de raamovereenkomst in bijlage bij] richtlijn 1999/70/EG (1)?
2)
Wanneer dient een arbeidsverhouding te worden aangemerkt als betrekking in overheidsdienst voor de toepassing van clausule 5 van [de raamovereenkomst in bijlage bij] richtlijn 1999/70/EG en met name in de zin van de zinsnede „bepaalde sectoren en/of categorieën werknemers” en kan zij dus andere gevolgen rechtvaardigen dan in geval van particuliere arbeidsverhoudingen?
3)
Omvat het begrip „arbeidsvoorwaarden” in clausule 4 van [de raamovereenkomst in bijlage bij] richtlijn 1999/70/EG, gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78/EG (2) en in artikel 14, lid 1, sub c, van richtlijn 2006/54/EG (3), mede de gevolgen van de onrechtmatige onderbreking van de arbeidsverhouding? Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt is het dan in het licht van clausule 4 te rechtvaardigen dat het nationale recht normaliter andere gevolgen verbindt aan de onrechtmatige onderbreking van een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd dan aan de onrechtmatige onderbreking van een arbeidsverhouding voor bepaalde tijd?
4)
Is het een lidstaat krachtens het beginsel van loyale samenwerking verboden om de nationale regelgeving in een prejudiciële uitleggingsprocedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie willens en wetens onjuist voor te stellen en dient de rechter bij gebreke van een andersluidende uitlegging in het nationale recht die recht doet aan de uit het lidmaatschap van de Europese Unie voortvloeiende verplichtingen, dat nationale recht voor zover mogelijk uit te leggen overeenkomstig de door de Staat gegeven uitlegging?
5)
Valt onder de volgens richtlijn 91/533/EEG (4), inzonderheid de in artikel 2, leden 1 en 2, sub e, voor arbeidsovereenkomsten of -verhoudingen geldende voorwaarden ook de vermelding van de omstandigheden waarin de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan worden omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd?
6)
Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, is dan een wijziging van de toepasselijke regelgeving met terugwerkende kracht die de werknemer in loondienst niet de mogelijkheid biedt om zijn uit de richtlijn voortvloeiende rechten of de eerbiediging van de in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen arbeidsvoorwaarden te doen gelden, strijdig met artikel 8, lid 1 van richtlijn 91/533/EEG en met de inzonderheid in de tweede overweging van de considerans opgenomen doelstellingen van deze richtlijn?
(1) Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43).
(2) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16).
(3) Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) (PB L 204, blz. 23).
(4) Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding van toepassing zijn (PB L 288, blz. 32).
Full & Egal Universal Law Academy