9.3.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 71/13
Hogere voorziening ingesteld op 22 januari 2013 door Hongarije tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 18 november 2012 in zaak T-194/10, Hongarije/Commissie
(Zaak C-31/13 P)
2013/C 71/20
Procestaal: Hongaars
Partijen
Rekwirante: Hongarije (vertegenwoordigers: M. Z. Fehér en K. Szíjjártó, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Slowaakse Republiek
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
het bestreden arrest van het Gerecht te vernietigen;
—
de zaak overeenkomstig de door artikel 61 van zijn Statuut geboden mogelijkheid definitief af te doen;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
In haar hogere voorziening voert de Hongaarse regering in de eerste plaats aan dat het Gerecht het Unierecht in het bestreden arrest onjuist heeft toegepast door te oordelen dat de opname in de litigieuze E-Bacchusdatabase geen rechtsgevolgen heeft teweeggebracht, en op grond daarvan het dienaangaande ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Voorts stelt de Hongaarse regering dat het Gerecht zijn arrest ontoereikend heeft gemotiveerd door de bezwaren van de Hongaarse regering tegen het standpunt van de Commissie meermaals buiten beschouwing te laten en zich ertoe te beperken dit standpunt te bevestigen zonder zich over de gegrondheid van die argumenten uit te spreken. Ter ondersteuning van haar verzoek aan het Hof om de zaak overeenkomstig de door artikel 61 van zijn Statuut geboden mogelijkheid definitief af te doen indien het de hogere voorziening ontvankelijk zou verklaren, herhaalt de Hongaarse regering in de tweede plaats in wezen het inhoudelijke betoog dat zij in de procedure voor het Gerecht heeft ontwikkeld.
Met de oprichting van de E-Bacchusdatabase heeft de Uniewetgever een register van industriële eigendom ingevoerd voor de in de Europese Unie beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, dat het bestaan van die bescherming op het niveau van de Unie bevestigt. Aangezien het één enkel register betreft, kan niet worden aanvaard dat enkel de inschrijving van nieuwe benamingen rechtsgevolgen teweegbrengt: elke inschrijving in die database moet dezelfde gevolgen teweegbrengen.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat de inschrijving van bestaande benamingen in de E-Bacchusdatabase enkel inhoudt dat zij (formeel) automatisch overgaan van één wettelijke regeling naar een andere. Volgens de Hongaarse regering gaat het hier om een wezenlijke verandering waarbij de bescherming van de benamingen, die tot dusver op nationaal niveau werd geboden, naar het niveau van de Unie wordt overgeheveld.
Het is onaanvaardbaar en in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat de rechtsgevolgen van de inschrijving in het E-Bacchusregister anders worden beoordeeld naargelang het oude of nieuwe benamingen betreft. De inschrijving moet voor elke benaming dezelfde rechtsgevolgen teweegbrengen, zelfs wanneer de procedure voor de inschrijving verschilt naargelang het om een oude of een nieuwe benaming gaat.
Gelet op de rechtsgevolgen van de inschrijving rust op de Commissie noodzakelijkerwijs ook een specifieke verplichting om een controle te verrichten bij de uitwerking en de wijziging van de inhoud van de E-Bacchusdatabase. Meer bepaald volgt uit het beginsel van behoorlijk bestuur dat de Commissie had moeten nagaan wat de rechtssituatie van Slowakije op de referentiedatum (1 augustus 2009) was en of de oorspronkelijke inschrijving effectief onjuist was.
Het Gerecht heeft ook zijn motiveringsverplichting geschonden door bij de beoordeling van de grond van de zaak de bezwaren van de Hongaarse regering tegen het standpunt van de Commissie buiten beschouwing te laten en zich ertoe te beperken dit standpunt te bevestigen zonder zich over de gegrondheid van die argumenten uit te spreken.
De Hongaarse regering stelt dat de Commissie, door de inschrijving te wijzigen, de relevante bepalingen van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1) en verordening (EG) nr. 607/2009 van de Commissie (2) heeft geschonden, aangezien zij met die rechtzetting van de oorspronkelijke inschrijving in het E-Bacchusregister automatische bescherming op grond van de nieuwe regeling heeft verleend aan een benaming die niet kan worden aangemerkt als een „bestaande beschermde benaming” in de zin van artikel 118 vicies van verordening nr. 1234/2007. Volgens de Hongaarse regering moet de benaming „Tokajská vinohradnícka oblast”, die is opgenomen in de op 30 juni 2009 goedgekeurde en op 30 juli 2009 in het Slowaakse staatsblad bekendgemaakte Slowaakse wet nr. 313/2009, worden aangemerkt als een bestaande beschermde benaming.
Voorts voert de Hongaarse regering aan dat de Commissie bij het beheer van de E-Bacchusdatabase de in het Unierecht erkende fundamentele beginselen van behoorlijk bestuur, loyale samenwerking en rechtszekerheid heeft geschonden, met name door de in dit geding aan de orde zijnde inschrijving te verrichten.
(1) Verordening van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale GMO-verordening) (PB L 299, blz. 1).
(2) Verordening van 14 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad wat betreft beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, traditionele aanduidingen, etikettering en presentatie van bepaalde wijnbouwproducten (PB L 193, blz. 60).
Full & Egal Universal Law Academy