27.4.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 123/9
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Gerechtshof Amsterdam (Nederland) op 25 januari 2013 — Inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Zaandam tegen MSA International Holdings BV, MSA Nederland BV
(Zaak C-41/13)
2013/C 123/13
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Gerechtshof Amsterdam
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeker: Inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Zaandam
Verweersters: MSA International Holdings BV, MSA Nederland BV
Prejudiciële vragen
1)
Is sprake van een beperking van de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 43 EG juncto artikel 48 EG, doordat aan belanghebbenden de toepassing van de Nederlandse regeling van de fiscale eenheid op de werkzaamheden en het vermogen van de in Nederland gevestigde kleindochtervennootschap/belanghebbende (MSA Nederland) wordt onthouden?
Is, in dat kader, in het licht van de met de Nederlandse regeling van de fiscale eenheid nagestreefde doelstellingen (…), de situatie van de kleindochtervennootschap/belanghebbende (MSA Nederland) objectief vergelijkbaar (…) met (i) de situatie van een in Nederland gevestigde vennootschap die dochter is van een in Nederland gevestigde tussenhoudstervennootschap welke niet ervoor heeft gekozen dat zij met haar in Nederland gevestigde moedervennootschap in een fiscale eenheid is gevoegd en die derhalve als kleindochtervennootschap evenmin als belanghebbende (MSA Nederland) toegang tot de regeling van de fiscale eenheid met — uitsluitend — haar grootmoedervennootschap heeft, dan wel met (ii) de situatie van een in Nederland gevestigde kleindochtervennootschap die er tezamen met haar in Nederland gevestigde moeder/tussenhoudstervennootschap voor heeft gekozen een fiscale eenheid met hun in Nederland gevestigde (groot)moedervennootschap te vormen en wier werkzaamheden en vermogen derhalve, anders dan die van belanghebbende (MSA Nederland), fiscaal worden geconsolideerd?
2)
Maakt het bij de beantwoording van vraag 1), eerste volzin, nog verschil (…) of de betrokken buitenlandse tussenhoudstervennootschap, indien zij in Nederland niet door middel van een dochtervennootschap zou opereren, maar via een vaste inrichting, wel ervoor zou hebben kunnen kiezen om — wat het vermogen en de werkzaamheden van die Nederlandse vaste inrichting betreft — met haar in Nederland gevestigde moedervennootschap een fiscale eenheid te vormen?
3)
Indien en voor zover vraag 1), eerste volzin, bevestigend moet worden beantwoord, kan een dergelijke beperking dan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, meer in het bijzonder door de noodzaak tot behoud van de fiscale coherentie, daaronder begrepen de voorkoming van unilaterale en van bilaterale dubbele verliesverrekening (…)?
4)
Indien en voor zover de derde vraag bevestigend moet worden beantwoord, is een dergelijke beperking dan aan te merken als proportioneel (…)?
Full & Egal Universal Law Academy