6.4.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 101/13
Hogere voorziening ingesteld op 11 februari 2013 door de Helleense Republiek tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 13 december 2012 in zaak T-588/10, Griekenland/Commissie
(Zaak C-71/13 P)
2013/C 101/27
Procestaal: Grieks
Partijen
Rekwirante: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: I. Chalkias en E. Leftheriotou)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
de hogere voorziening toewijzen en het bestreden arrest van het Gerecht van de Europese Unie, overeenkomstig hetgeen uitvoerig is uiteengezet, in zijn geheel vernietigen;
—
de Commissie verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
—
Met haar eerste middel tot vernietiging, betreffende de sector tabak, voert de Helleense Republiek het volgende aan:
1)
schending van het Unierecht — onjuiste uitlegging van artikel 31 van verordening nr. 1290/2005;
2)
aangezien de voorwaarden voor de betaling van de premie voor tabak in artikel 5 van verordening nr. 2075/92 (1) beperkend en uitsluitend zijn omschreven, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting door ten onrechte te erkennen dat artikel 16, lid 1, van verordening nr. 2848/1998 (2) terecht als aanvullende voorwaarde voor de betaling van de premie vereist dat de tabak uiterlijk op 30 april van het jaar na dat van de oogst wordt geleverd aan het bedrijf voor eerste bewerking, of anders dat artikel 16, lid 1, van verordening nr. 2848/1998, op grond waarvan de landbouwproducent de volledige premie wordt ontzegd indien hij te laat levert, ook al is het maar één dag, schending oplevert van het evenredigheidsbeginsel, in samenhang met artikel 39, lid 1, sub b, VWEU en artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2075/92;
3)
schending van het Unierecht — onjuiste uitlegging van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 2848/1998 (wat tardieve leveringen van tabak betreft);
4)
de motivering van het bestreden arrest is tegenstrijdig en de artikelen 9, lid 4, en 10, lid 1, van verordening nr. 2848/1998 zijn onjuist uitgelegd (wat de overdracht van teeltcontracten betreft);
5)
onjuiste uitlegging en onjuiste toepassing van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2075/92 en van artikel 7 van verordening nr. 2848/1998 (met betrekking tot het gebruik van gehuurde installaties en uitrusting door het erkende bedrijf voor eerste bewerking).
—
Met haar tweede middel tot vernietiging, betreffende de sector krenten en rozijnen, betoogt rekwirante dat het Gerecht:
1)
artikel 3, lid 2, vierde streepje, van verordening nr. 1621/1999 (3) onjuist heeft uitgelegd, wat het begrip „natuurrampen” betreft;
2)
de richtsnoeren betreffende de forfaitaire correcties in de sector krenten en rozijnen (voor sultaninerozijnen op basis van de oogst van 2004 en 2005 en voor krenten (basisproduct) op basis van de oogst van 2005) onjuist heeft uitgelegd en toegepast, daar niet is voldaan aan de voorwaarden om een correctie van 25 % toe te passen, zodat het arrest ontoereikend is gemotiveerd.
—
Met haar derde middel tot vernietiging, betreffende de sector van de akkerbouwgewassen:
1)
stelt rekwirante dat het Unierecht is geschonden met betrekking tot de rechtsgrondslag van de correctie, doordat artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1258/1999 (4) ten onrechte is toegepast, aangezien enkel artikel 31 van verordening nr. 1290/05 (5) een geldige rechtsgrondslag vormt;
2)
voert rekwirante schending van het Unierecht aan wegens onjuiste uitlegging en toepassing van de richtsnoeren betreffende forfaitaire correcties van het oude gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) op het nieuwe GLB — zonder deze richtsnoeren te actualiseren — wat het opdelen van de controles in essentiële controles en aanvullende controles betreft, alsook ontoereikende motivering en schending van het evenredigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het verbod van terugwerkende kracht een bijzondere uitdrukking is, aangezien de percentages van de forfaitaire correcties verband hielden met verschillende controleregelingen en de ter sprake gebrachte actualisatie van de voornoemde richtsnoeren is verricht in juni 2006 en dus niet van toepassing kon zijn op het aangiftejaar 2006.
—
Met haar vierde middel tot vernietiging, inzake de randvoorwaarden, betoogt rekwirante dat het Gerecht het verbod van terugwerkende kracht heeft geschonden.
—
Met haar vijfde middel tot vernietiging, betreffende de programma’s van speciaal op het afgelegen en insulaire karakter van de gebieden van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee afgestemde maatregelen, betoogt rekwirante dat de beginselen van rechtszekerheid, de redelijke termijn de verplichting van de Europese Unie om tijdig op te treden, zijn geschonden.
—
Met haar zesde middel tot vernietiging, aangaande de sector van rund-, schapen- en geitenvlees, stelt rekwirante dat artikel 8 van verordening nr. 1663/95 (6), artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1258/1999 en de artikelen 12 en 24, lid 2, van verordening nr. 2419/01 (7) onjuist zijn uitgelegd en toegepast en voert zij tevens aan dat het evenredigheidsbeginsel en motiveringsgebrek zijn geschonden.
(1) Verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB L 215, blz. 70).
(2) Verordening (EG) nr. 2848/98 van de Commissie van 22 december 1998 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad ten aanzien van de premieregeling, de productiequota en de aan de telersverenigingen toe te kennen specifieke steun in de sector ruwe tabak (PB L 358, blz. 17).
(3) Verordening (EG) nr. 1621/1999 van de Commissie van 22 juli 1999 houdende bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad wat betreft de steun voor de teelt van druiven die bestemd zijn voor de productie van bepaalde krenten- en rozijnenvariëteiten (PB L 192, blz. 21).
(4) Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 160, blz. 103).
(5) Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 209, blz. 1).
(6) Verordening (EG) nr. 1663/95 van de Commissie van 7 juli 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad aangaande de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie (PB L 158, blz. 6).
(7) Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 327, blz. 11).
Full & Egal Universal Law Academy