25.5.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 147/13
Hogere voorziening ingesteld op 15 maart 2013 door Versalis SpA en Eni SpA tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 13 december 2012 in zaak T-103/08, Versalis SpA, voorheen Polimeri Europa SpA, en Eni SpA/Commissie
(Zaak C-123/13 P)
2013/C 147/23
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirantes: Versalis SpA, Eni SpA (vertegenwoordigers: M. Siragusa, G. M. Roberti, F. Moretti, I. Perego, F. Cannizzaro, A. Bardanzellu, D. Durante en V. Laroccia, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 13 december 2012 geheel of gedeeltelijk vernietigen voor zover daarbij het gezamenlijke beroep van Versalis en Eni is verworpen en bijgevolg:
—
de beschikking van de Europese Commissie van 5 december 2007 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38.629 — Chloropreenrubber) geheel of gedeeltelijk nietig verklaren;
—
de bij die beschikking aan Versalis en Eni opgelegde geldboete nietig verklaren, althans verlagen.
Subsidiair,
—
het arrest geheel of gedeeltelijk vernietigen voor zover daarbij het beroep van Versalis en Eni in zaak T-103/08 is verworpen en de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor afdoening ten gronde met inachtneming van de eventuele aanwijzingen van het Hof;
—
de Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige instantie en in zaak T-103/08.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun hogere voorziening tegen voornoemd arrest voeren Versalis en Eni in de eerste plaats aan dat het Gerecht in strijd met artikel 101 VWEU van de relevante Unierechtspraak is afgeweken om de moedermaatschappij, Eni, de vermeende inbreuk van haar dochterondernemingen in de sector van chloropreenrubber toe te rekenen. Meer bepaald is het Gerecht zijn verplichtingen tot een zorgvuldig onderzoek en motivering niet nagekomen bij de beoordeling van het bewijs ter weerlegging van het vermoeden van de uitoefening van beslissende invloed, zodat het de fundamentele beginselen van legaliteit, persoonlijke aansprakelijkheid in het mededingingsrecht en de onschuldpresumptie heeft geschonden, alsook de rechten van de verdediging en het beginsel van de beperkte aansprakelijkheid van rechtspersonen.
Versalis en Eni stellen in de tweede plaats dat het Gerecht de Unierechtspraak verkeerd heeft toegepast om aan Versalis de inbreuk van Syndial SpA toe te rekenen en dat het Gerecht ontoereikend heeft gemotiveerd waarom de door Eni en Versalis in eerste aanleg aangevoerde middelen moesten worden afgewezen.
Het derde middel is eraan ontleend dat het Gerecht onjuiste en tegenstrijdige toepassing heeft gegeven aan het beginsel uit de rechtspraak over het uitdrukkelijk afstand nemen van een kartel en ook het beginsel in dubio pro reo heeft geschonden, door te oordelen dat EniChem SpA aan de bijeenkomst van 12 en 13 mei 1993 te Firenze had deelgenomen en dat de bijeenkomsten die in 2002 hebben plaatsgevonden, waaraan Versalis heeft deelgenomen, een mededingingsverstorend karakter hadden. Bijgevolg heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste beoordeling en heeft het verzuimd om zijn eigen bevoegdheid tot rechtmatigheidstoetsing uit te oefenen, met zijn oordeel dat deze ondernemingen gedurende de gehele duur ervan (dus van mei 1993 tot mei 2002) aan de mededingingsregeling hadden deelgenomen.
Bovendien wordt betoogd dat het Gerecht het Unierecht heeft geschonden doordat het niet heeft vastgesteld dat de Commissie ernstige fouten heeft begaan bij de vaststelling van het basisbedrag van de geldboete overeenkomstig de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten.
Voorts wordt gesteld dat het Gerecht het Unierecht heeft geschonden doordat het gedeeltelijk heeft bevestigd dat voor Versalis de verzwarende omstandigheid van recidive geldt en het zijn conclusies op dat punt ontoereikend heeft gemotiveerd. Subsidiair, heeft het Gerecht het lagere percentage voor de boeteverhoging onjuist vastgesteld en heeft het ten onrechte de hoofdelijke aansprakelijkheid van Eni voor de betaling van de geldboete in stand gelaten, waaronder het deel dat aan recidive kan worden geweten.
Volgens rekwirantes heeft het Gerecht artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 (1) kennelijk onjuist toegepast bij de vaststelling van het maximumbedrag van de geldboete en heeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven door niet vol te toetsen hoe de Commissie de clementiemededeling heeft toegepast. Zij stellen voorts dat het Gerecht niet heeft vastgesteld dat de Commissie in strijd met de beginselen van billijkheid, gelijke behandeling en bescherming van gewettigd vertrouwen heeft gehandeld, ten eerste toen zij rekwirantes de kans heeft ontnomen om „op gelijke voet” met de overige ondernemingen voor een boeteverlaging te strijden en ten tweede heeft vastgesteld dat zij voor hun medewerking geen boeteverlaging uit hoofde van de mededeling of de richtsnoeren verdienden.
Tot slot betogen rekwirantes dat het Gerecht heeft verzuimd zijn bevoegdheid tot toetsing van de rechtmatigheid van het oordeel van de Commissie ten aanzien van het bedrag van de uiteindelijk opgelegde geldboete uit te oefenen.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy