1.6.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 156/23
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (Litouwen) op 26 maart 2013 — Nickel & Goeldner Spedition GmbH/Kintra UAB, in vereffening
(Zaak C-157/13)
2013/C 156/36
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Lietuvos Aukščiausiasis Teismas
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Nickel & Goeldner Spedition GmbH
Verwerende partij: Kintra UAB, in vereffening
Prejudiciële vragen
1)
Wanneer een vordering wordt ingesteld door een curator, die in het belang van alle crediteuren van de onderneming handelt en tracht de solvabiliteit van de onderneming te herstellen en het vermogen van de insolvente onderneming te vermeerderen, zodat zo veel mogelijk vorderingen van crediteuren kunnen worden betaald — terwijl moet worden opgemerkt dat dezelfde gevolgen worden nagestreefd met bijvoorbeeld de vorderingen van een curator tot nietigverklaring van transacties (actio pauliana), waarvan is erkend dat zij nauw samenhangen met de insolventieprocedure — en gelet op het feit dat in casu op grond van het CMR-verdrag en het Litouwse burgerlijk wetboek (algemene bepalingen van privaatrecht) een schuldvordering is ingesteld voor internationaal goederenvervoer, moet die vordering dan worden geacht nauw samen te hangen (door een rechtstreeks verband) met verzoeksters insolventieprocedure, moet de bevoegdheid om ervan kennis te nemen worden vastgesteld volgens de regels van verordening nr. 1346/2000 (1) en valt die vordering onder de uitzondering op de toepassing van verordening nr. 44/2001? (2)
2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst de vraag of, wanneer de betrokken verplichting (verweersters verplichting, die is gebaseerd op de onjuiste uitvoering van haar contractuele verplichtingen, tot betaling aan de insolvente verzoekster van de schuld voor internationaal goederenvervoer, vermeerderd met vertragingsrente) vóór de opening van verzoeksters insolventieprocedure is ontstaan, artikel 44, lid 3, sub a, van verordening nr. 1346/2000 moet worden toegepast dan wel of deze verordening niet van toepassing is omdat de bevoegdheid ratione materiae moet worden vastgesteld overeenkomstig artikel 31 van het CMR-verdrag, als bepaling van een bijzonder verdrag.
3)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord en het onderhavige geding binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt, moet worden verduidelijkt of in casu, voor zover artikel 31, lid 1, van het CMR-verdrag en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 44/2001 niet met elkaar in strijd zijn, moet worden aangenomen dat, wanneer de betrokken verhoudingen binnen de werkingssfeer van het CMR-verdrag (het bijzondere verdrag) vallen, de regels van artikel 31 van het CMR-verdrag moeten worden toegepast om de staat te bepalen waarvan de rechterlijke instanties bevoegd zijn om van de betrokken vordering kennis te nemen, indien de regels van artikel 31, lid 1, van het CMR-verdrag niet in strijd zijn met de hoofddoelstellingen van verordening nr. 44/2001, niet tot minder gunstige resultaten voor de bewerkstelliging van de goede werking van de interne markt leiden en voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn.
(1) Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB 2000, L 160, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy