20.7.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 207/31
Hogere voorziening ingesteld op 16 mei 2013 door Rousse Industry AD tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 20 maart 2013 in zaak T-489/11, Rousse Industry AD/Europese Commissie
(Zaak C-271/13 P)
2013/C 207/52
Procestaal: Bulgaars
Partijen
Rekwirante: Rousse Industry AD (vertegenwoordigers: A. Angelov en S. Panov, Advokati)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van 20 maart 2013 in zaak T-489/11 vernietigen;
—
de zaak definitief afdoen en de artikelen 2, 3, 4 en 5 van het besluit van de Europese Commissie van 13 juli 2011 betreffende de door Bulgarije aan Rousse Industry AD toegekende staatssteun C 12/10 en N 389/09, nietig verklaren;
—
subsidiair, de zaak voor een nieuwe beslissing terugverwijzen naar het Gerecht;
—
de Commissie verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante de volgende middelen aan:
1.
Schending van de procedurevoorschriften, waardoor afbreuk is gedaan aan de belangen van rekwirante
i)
Het Gerecht is in de motivering van zijn arrest niet ingegaan op bij de maatregel tot organisatie van de procesgang aan partijen gestelde wezenlijke vragen over de feiten en hun standpunten daarover.
ii)
Dat vormt een wezenlijke procedurefout, die binnen de werkingssfeer van artikel 58 van het Statuut van het Hof valt, daar het Gerecht verplicht was alle door partijen aangevoerde vorderingen, bezwaren en argumenten te behandelen.
2.
Schending van het Unierecht door het Gerecht
i)
Het Gerecht heeft artikel 107, lid 1, VWEU juncto artikel 1, sub c, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag verkeerd toegepast, doordat het ervan uit is gegaan dat er sprake was van nieuwe steun ten gunste van Rousse Industry AD.
ii)
Het Gerecht heeft zijn arrest onder schending van artikel 107, lid 1, VWEU gewezen, daar het ten onrechte heeft aangenomen dat de steun onverenigbaar is met de interne markt van de Unie en de mededinging aantastte alsmede dat de omstandigheid dat de schuld door de staat niet is teruggevorderd een voordeel voor deze onderneming vormde.
iii)
Het arrest van het Gerecht voldoet niet aan de artikelen 107, lid 1, VWEU en 296 VWEU, daar de Kamer bij de beoordeling met betrekking tot de door de Europese Commissie voor de particuliere schuldeiser gekozen criteria een juridisch verkeerd uitgangspunt heeft toegepast. De Europese Commissie heeft in het besluit haar conclusies betreffende het criterium van de particuliere schuldeiser niet met een analyse en economische redenen onderbouwd, en daarom heeft het voor het Gerecht geen grondslag opgeleverd om zich bij die argumenten aan te sluiten.
iv)
Het Gerecht heeft artikel 14 van verordening (EG) nr. 659/1999 en artikel 296 VWEU verkeerd uitgelegd en toegepast, daar de Europese Commissie in het besluit de hoogte van de terug te vorderen steun samen met de rente moet vermelden, waarbij de rente op een door de Europese Commissie vastgesteld passend percentage moet worden bepaald, wat niet is gebeurd — dat wil zeggen de rechtshandeling van de Europese Commissie is ongefundeerd.
Full & Egal Universal Law Academy