27.7.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 215/8
Hogere voorziening ingesteld op 17 mei 2013 door de Republiek Polen tegen het arrest van het Gerecht van 27 februari 2013 in zaak T-241/10, Republiek Polen/Europese Commissie
(Zaak C-273/13 P)
2013/C 215/11
Procestaal: Pools
Partijen
Rekwirante: Republiek Polen (vertegenwoordiger: B. Majczyna)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 27 februari 2013 in zaak T-241/10, Republiek Polen/Europese Commissie, in zijn geheel te vernietigen;
—
besluit 2010/152/EU van de Commissie van 11 maart 2010 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 1317) houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), hebben verricht (PB L 63 van 12 maart 2010, blz. 7) nietig te verklaren voor zover daarbij aan communautaire financiering worden onttrokken bedragen van 279 794 442,15 PLN en 25 583 996,81 EUR, die door het door de Republiek Polen erkende betaalorgaan zijn uitgegeven;
—
de Europese Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
Middelen en voornaamste argumenten
De Republiek Polen voert in hogere voorziening volgende middelen aan tegen het bestreden arrest:
1)
Het Gerecht heeft artikel 20 van verordening (EG) nr. 1782/2003 verkeerd uitgelegd door aan te nemen dat deze bepaling vereist dat een volledig gevectoriseerd LPIS-GIS systeem (systeem voor de identificatie van percelen landbouwgrond op basis van een gecomputeriseerd geografisch informatiesysteem) of een gelijkwaardig systeem wordt ingevoerd, ofschoon geen volledige vectorisering nodig is om aan de in die bepaling vastgestelde systeemnorm te voldoen.
2)
Het Gerecht heeft artikel 53 van verordening (EG) nr. 796/2004 verkeerd uitgelegd door aan te nemen dat de sancties wegens een opzettelijke inbreuk ook moeten worden opgelegd wanneer niet definitief is vastgesteld dat de ontvanger opzettelijk heeft gehandeld.
3)
Het bestreden arrest is ontoereikend gemotiveerd. Volgens de Republiek Polen heeft het Gerecht niet gepreciseerd aan welke materiële en formele voorwaarden van artikel 20 van verordening (EG) nr. 1782/2003 daadwerkelijk niet is voldaan. Zij stelt dat het Gerecht evenmin heeft gemotiveerd in hoeverre de mogelijkheid om het opzettelijke karakter van de handeling middels een gerechtelijke procedure vast te stellen, tot een onverenigbaarheid van het door de Poolse autoriteiten ingevoerde betalingssysteem met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft geleid. Voorts heeft het Gerecht volgens haar niet verduidelijkt waarom de door de Poolse autoriteiten verrichte berekeningen van het daadwerkelijke risico voor het fonds incoherent waren.
4)
Het Gerecht heeft het beginsel van hoor en wederhoor en het recht op een eerlijk proces geschonden door de door de Republiek Polen overgelegde bewijzen buiten beschouwing te laten en door buiten de grenzen van het geding te treden. De Republiek Polen voert aan dat het Gerecht namelijk geen beoordeling heeft verricht van de door haar overlegde bewijzen en ingediende opmerkingen inzake het systeem voor de vaststelling of oppervlakten voor steun in aanmerking komen, en niet heeft gepreciseerd welk criterium werd gehanteerd om de omvang van de controle in het woiwodschap Opole (Województwo opolskie) te bepalen. Voorts betoogt zij dat het Gerecht bij zijn onderzoek buiten de grenzen is getreden van hetgeen waartegen de Commissie bezwaren had en dat ten grondslag lag aan het litigieuze besluit van de Commissie.
Full & Egal Universal Law Academy