3.8.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 226/3
Hogere voorziening ingesteld op 22 mei 2013 door Lord Inglewood e.a. tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 13 maart 2013 in de gevoegde zaken T-229/11 en T-276/11, Inglewood e.a./Parlement
(Zaak C-281/13 P)
(2013/C 226/06)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwiranten: Lord Inglewood e.a. (vertegenwoordigers: S. Orlandi, J.-N. Louis, D. Abreu Caldas, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europees Parlement
Conclusies
Rekwiranten verzoeken het Hof
—
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Vierde kamer) van 13 maart 2013, Inglewood e.a./Parlement (gevoegde zaken T-229/11 en T-276/11), te vernietigen, en, opnieuw rechtdoende,
—
vast te stellen dat het besluit van het Bureau van het Europees Parlement tot verhoging van de pensioenleeftijd van 60 tot 63 jaar en tot afschaffing van de bijzondere wijzen waarop dat pensioen kon worden toegekend, namelijk in de vorm van vervroegd pensioen of gedeeltelijk in de vorm van een forfaitair bedrag, onwettig is;
—
de litigieuze besluiten nietig te verklaren;
—
het Parlement te verwijzen in de kosten van de twee procedures.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwiranten stellen hogere voorziening in tegen het arrest van het Gerecht houdende verwerping van hun beroepen tot nietigverklaring van de besluiten waarbij het Europees Parlement heeft geweigerd hun vrijwillig aanvullend pensioen, hetzij vervroegd, hetzij op de leeftijd van 60 jaar, hetzij gedeeltelijk in de vorm van een forfaitair bedrag toe te kennen.
In de eerste plaats betogen rekwiranten dat het Gerecht het recht onjuist heeft opgevat, in die zin dat de litigieuze besluiten inbreuk maken op hun verkregen rechten of hun aanspraken op betaling volgens de voorwaarden die bij hun indiensttreding zijn vastgesteld en aanvaard.
In de tweede plaats heeft het Gerecht het recht onjuist opgevat voor zover het het middel inzake schending van artikel 27, lid 2, van het statuut van de leden van het Europees Parlement heeft afgewezen, hoewel verkregen rechten of aanspraken volgens die bepaling worden gehandhaafd. Het besluit van 1 april 2009 schendt namelijk de verkregen rechten van rekwiranten, te weten het recht een vervroegd pensioen aan te vragen of ervoor te opteren op 60 jaar met pensioen te gaan en het pensioen gedeeltelijk in de vorm van een forfaitair bedrag te ontvangen.
In de derde plaats heeft het Gerecht het recht onjuist opgevat voor zover het heeft geoordeeld dat het statuut van de leden van het Europees Parlement niet van toepassing was, aangezien dat in werking is getreden na het besluit van algemene strekking van 1 april 2009, ofschoon de individuele besluiten waartegen wordt opgekomen, na die datum zijn genomen.
In de vierde plaats heeft het Gerecht het recht onjuist opgevat voor zover het het middel betreffende schending van het beginsel van gelijke behandeling heeft afgewezen, terwijl rekwiranten erop mochten vertrouwen hun pensioen te ontvangen volgens de gedurende een wezenlijk deel van hun bijdragebetalingen of op de dag van de beëindiging van hun ambt vastgestelde en geldende voorwaarden — méér nog dan degenen die van uitzonderingsbepalingen hadden geprofiteerd, namelijk zij die hun ambt nog steeds uitoefenden en de leeftijd van 60 jaar hadden bereikt vóór de inwerkingtreding van het besluit van 1 april 2009 op 14 juli 2009.
In de laatste plaats heeft het Gerecht het recht onjuist opgevat voor zover het het middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel heeft afgewezen, nadat het had vastgesteld dat de gevolgen van de financiële crisis en de verwachte effecten van een tijdelijk fonds, dat gedoemd was te verdwijnen, slechts door 10 % van de leden werden gedragen.
Full & Egal Universal Law Academy