27.7.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 215/10
Hogere voorziening ingesteld op 24 mei 2013 door Henkel AG & Co. KGaA, Henkel France tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 7 maart 2013 in zaak T-64/12, Henkel AG & Co. KGaA, Henkel France/Europese Commissie
(Zaak C-284/13 P)
2013/C 215/13
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwiranten: Henkel AG & Co. KGaA, Henkel France (vertegenwoordigers: F. Brunet, E. Paroche en E. Bitton, avocats)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
de beschikking van het Gerecht vernietigen, voor zover het Gerecht heeft geoordeeld dat de vordering waarbij Henkel in het kader van het door haar ingestelde beroep om nietigverklaring van het bestreden besluit verzocht, niet-ontvankelijk was;
—
vaststellen dat het door Henkel bij het Gerecht ingestelde beroep niet zonder voorwerp is en dat het ontvankelijk is, en de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe beoordeling van de relevante feiten;
—
de beschikking vernietigen, voor zover Henkel daarbij is verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie (punt 3 van het dictum van de beschikking), en de Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en in die van de procedure voor het Gerecht.
Middelen en voornaamste argumenten.
Rekwiranten voeren vier middelen aan waarmee zij opkomen tegen de vaststelling van het Gerecht dat zij geen belang hadden bij het voortzetten van hun beroep tegen het bestreden besluit bij het Gerecht. Volgens rekwiranten heeft het Gerecht immers ten onrechte geoordeeld dat het bestreden besluit zonder voorwerp was geraakt ingevolge de beslissing van de ADLC (Franse mededingingsautoriteit) dat de documenten niet hoefden te worden overgelegd teneinde te waarborgen dat de rechten van verdediging van rekwiranten in acht werden genomen en dat deze stukken niet relevant waren voor het onderzoek van de bij de ADLC aanhangige zaak.
Integendeel, rekwiranten betogen dat zij nog steeds een legitiem belang hebben bij het instellen van een beroep bij het Gerecht, daar zij over de documenten van het dossier in de Franse procedure moeten kunnen beschikken om te bewijzen dat (i) de in zaak COMP/39.579 bestrafte feiten dezelfde zijn als of ten minste nauw verband houden met de feiten die in de Franse procedure werden vervolgd, hetgeen een invloed heeft op de clementiestatus van rekwiranten in Frankrijk, en (ii) dat het aandringen van Henkel om de documenten van de Franse procedure te mogen gebruiken, niet moet worden aangemerkt als een gebrek aan medewerking door een indiener van een clementieverzoek die tot een vermindering van de boete met slechts 25 % in plaats van met 30 % leidt, zoals de ADLC heeft geoordeeld, maar als de uitoefening van legitieme rechten en belangen moet worden beschouwd, inzonderheid het recht van verdediging.
De onderhavige hogere voorziening bestaat uit drie middelen:
—
Met het eerste middel betogen rekwiranten dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat doordat het ten onrechte heeft geoordeeld dat er na de beslissing van de ADLC geen procedurele fase meer was waarin de documenten opnieuw konden worden onderzocht, ingeval het bestreden besluit nietig was verklaard en de documenten aan de ADLC waren overgedragen;
—
Met het tweede middel stellen zij dat de beschikking ontoereikend is gemotiveerd, aangezien het Gerecht heeft geoordeeld dat Henkel geen belang had bij het instellen van een beroep zonder dat het de argumenten van Henkel heeft onderzocht;
—
Volgens het derde middel heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te onderzoeken of Henkel geen belang meer had bij het instellen van beroep bij het Gerecht om te voorkomen dat opnieuw een onrechtmatige handeling zou worden vastgesteld.
Om elk van deze redenen verzoeken rekwiranten het Hof de beschikking te vernietigen.
Full & Egal Universal Law Academy