31.8.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 252/18
Hogere voorziening ingesteld op 27 mei 2013 door Fresh Del Monte Produce, Inc. tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 14 maart 2013 in zaak T-587/08, Fresh Del Monte Produce, Inc./Europese Commissie
(Zaak C-293/13 P)
2013/C 252/27
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Fresh Del Monte Produce, Inc. (vertegenwoordigers: B. Meyring, Rechtsanwalt, L. Suhr, advocate, O. Van Ermengem, advocaat)
Andere partijen in de procedure: Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert GmbH & Co. KG, Europese Commissie
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
het arrest van het Gerecht van 14 maart 2013 in zaak T-587/08 te vernietigen;
—
beschikking C(2008) 5955 definitief van de Commissie van 15 oktober 2008 (zaak COMP/39.188 — Bananen) nietig te verklaren, voor zover zij betrekking heeft op rekwirante;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten van eerste aanleg en van de hogere voorziening.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante betoogt om te beginnen dat de Commissie en het Gerecht artikel 81, lid 1, EG (thans artikel 101 VWEU) en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 (1) hebben geschonden door Del Monte aansprakelijk te stellen voor de inbreuk. Een moedermaatschappij kan slechts aansprakelijk worden gesteld indien de dochteronderneming haar marktgedrag niet onafhankelijk kan bepalen, dat wil zeggen indien de dochteronderneming haar instructies in alle opzichten volgt. De Commissie en het Gerecht hebben Del Monte aansprakelijk gesteld voor het gedrag van Weichert, hoewel zij erkennen dat „Weichert niet steeds Del Montes instructies volgde” en dat „de prijsbeslissingen van Weichert mogelijkerwijs niet beantwoordden aan de verwachtingen van Del Monte”. Bovendien blijkt noch uit de beschikking noch uit het arrest dat Weichert daadwerkelijk instructies van Del Monte volgde. Rekwirante voegt hieraan toe dat het Gerecht slechts een aantal factoren heeft beoordeeld die Del Monte enige invloed zouden hebben verstrekt, maar dat het niet de in de rechtspraak vastgestelde criteria heeft toegepast om te bepalen wat deze invloed „doorslaggevend” maakte.
Subsidiair betoogt rekwirante dat het Gerecht bepaalde bewijselementen onjuist heeft opgevat, in het bijzonder wat zijn beoordeling van de partnerschapsovereenkomst van Weichert en de verklaringen van andere importeurs betreft.
Voorts betoogt rekwirante dat het Gerecht de bewijslast de facto heeft omgekeerd, door geen rekening te willen houden met afzonderlijke bewijselementen om de loutere reden dat daaruit niet bleek dat geen beslissende invloed werd uitgeoefend. Aldus heeft het Gerecht artikel 48 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (vermoeden van onschuld), artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het beginsel in dubio pro reo geschonden.
Ten slotte voert rekwirante aan dat het Gerecht artikel 81, lid 1, EG onjuist heeft toegepast door te oordelen dat Dole, Chiquita en Weichert aan één enkele voortdurende inbreuk hebben deelgenomen, hoewel Weichert niet wist dat Chiquita en Dole contacten met elkaar onderhielden.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag.
Full & Egal Universal Law Academy