20.7.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 207/35
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation (Frankrijk) op 4 juni 2013 — Haeger & Schmidt GmbH/Mutuelles du Mans assurances Iard SA (MMA Iard), Jacques Lorio, Dominique Miquel, in zijn hoedanigheid van curator van Safram intercontinental SARL, Ace Insurance SA NV, VA Tech JST SA, Axa Corporate Solutions SA
(Zaak C-305/13)
2013/C 207/58
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour de cassation
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Haeger & Schmidt GmbH
Verwerende partijen: Mutuelles du Mans assurances Iard SA (MMA Iard), Jacques Lorio, Dominique Miquel, in zijn hoedanigheid van curator van Safram intercontinental SARL, Ace Insurance SA NV, VA Tech JST SA, Axa Corporate Solutions SA
Prejudiciële vragen
1.
Kan de commissieovereenkomst voor vervoer, waarin een committent een commissionair, handelend in eigen naam en onder eigen verantwoordelijkheid, de organisatie toevertrouwt van een vervoer van goederen die de commissionair door een of meerdere vervoerders voor rekening van de committent laat uitvoeren, hoofdzakelijk een vervoer van goederen betreffen in de zin van artikel 4, lid 4, laatste zin, van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (1), en zo ja, onder welke voorwaarden?
2.
Moeten, indien de commissieovereenkomst voor vervoer kan worden geacht een overeenkomst tot vervoer van goederen in de zin van voornoemd artikel 4, lid 4, te zijn, maar het in deze bepaling neergelegde bijzonder vermoeden tot vaststelling van het toepasselijke recht niet opgaat wegens het ontbreken van de door die bepaling vereiste overeenstemming, de bewoordingen van de eerste zin van die bepaling, volgens welke het algemene vermoeden van artikel 4, lid 2, niet opgaat voor de overeenkomst tot vervoer van goederen, aldus worden uitgelegd dat de rechter het toepasselijke recht dient te bepalen, niet op basis van dit kennelijk niet-toepasselijke vermoeden, maar op basis van het in artikel 4, lid 1, neergelegde algemene beginsel tot bepaling van het toepasselijke recht, namelijk door het land te bepalen waarmee de overeenkomst het nauwst is verbonden, zonder daarbij bijzondere aandacht te schenken aan de vestigingsplaats van de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst verricht?
3.
Is het, in de veronderstelling dat op de commissieovereenkomst voor vervoer het algemene vermoeden van artikel 4, lid 2, van toepassing is, toelaatbaar, in het geval waarin de oorspronkelijke opdrachtgever een overeenkomst heeft gesloten met een eerste commissionair, in wiens plaats vervolgens een tweede commissionair is getreden, het op de contractuele relatie tussen de opdrachtgever en deze tweede commissionair toepasselijke recht te bepalen op basis van de plaats waar de eerste commissionair is gevestigd, waarbij het aldus bepaalde recht van het land wordt beschouwd als zijnde in zijn geheel van toepassing op de expeditieverrichting?
(1) Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB L 266, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy