9.11.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 325/9
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg (Duitsland) op 2 juli 2013 — H. T./Land Baden-Württemberg
(Zaak C-373/13)
2013/C 325/14
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: H. T.
Verwerende partij: Land Baden-Württemberg
Prejudiciële vragen
1.
a)
Dient artikel 24, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2004/83/EG (1), op grond waarvan de lidstaten aan personen die de vluchtelingenstatus hebben verkregen, een verblijfsvergunning dienen te verlenen, ook in acht te worden genomen wanneer een eerder afgegeven verblijfsvergunning is ingetrokken?
b)
Moet die bepaling bijgevolg aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen de intrekking of de beëindiging van een verblijfsvergunning (bijvoorbeeld door uitwijzing overeenkomstig het nationale recht) van een persoon met de vluchtelingenstatus, wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 21, lid 3, juncto artikel 21, lid 2, van richtlijn 2004/83/EG of geen sprake is van „dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde” in de zin van artikel 24, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn?
2.
Voor het geval dat de vragen sub 1, a en b, bevestigend worden beantwoord:
a)
Hoe moet de in artikel 24, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2004/83/EG bedoelde uitsluitingsgrond, namelijk „dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde”, worden uitgelegd tegen de achtergrond van risico’s die verband houden met het verlenen van steun aan een terroristische groepering?
b)
Kan er sprake zijn van „dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde” in de zin van artikel 24, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2004/83/EG, wanneer een persoon die de vluchtelingenstatus heeft verkregen, de PKK onder meer heeft gesteund door inzameling van giften en regelmatige deelname aan PKK-gerelateerde manifestaties, ook al zijn de voorwaarden waarin kan worden afgeweken van het verbod van refoulement, zoals die voorwaarden zijn vastgesteld in artikel 33, lid 2, van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, niet vervuld, en dus evenmin is voldaan aan de voorwaarden van artikel 21, lid 2, van richtlijn 2004/83/EG?
3.
Voor het geval dat de vraag sub 1 a, ontkennend wordt beantwoord:
Is de intrekking of beëindiging van een aan een persoon met de vluchtelingenstatus verleende verblijfsvergunning (bijvoorbeeld door uitwijzing overeenkomstig het nationale recht) naar Unierecht enkel geoorloofd wanneer is voldaan aan de voorwaarden van artikel 21, lid 3, juncto artikel 21, lid 2, van richtlijn 2004/83/EG (of de gelijkluidende bepalingen van richtlijn 2011/95/EU die in de plaats van richtlijn 2004/83/EG is gekomen)?
(1) Richtlijn van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB L 304, blz. 12).
Full & Egal Universal Law Academy