21.9.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 274/12
Hogere voorziening ingesteld op 12 juli 2013 door Inuit Tapiriit Kanatami e.a. tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 25 april 2013 in zaak T-526/10: Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Europese Commissie, Raad van de Europese Unie, Europees Parlement
(Zaak C-398/13 P)
2013/C 274/20
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwiranten: Inuit Tapiriit Kanatami, Nattivak Hunters and Trappers Association, Pangnirtung Hunters’ and Trappers’ Association, Jaypootie Moesesie, Allen Kooneeliusie, Toomasie Newkingnak, David Kuptana, Karliin Aariak, Canadian Seal Marketing Group, Ta Ma Su Seal Products, Inc., Fur Institute of Canada, NuTan Furs, Inc., GC Rieber Skinn AS, Inuit Circumpolar Council, Johannes Egede, Kalaallit Nunaanni Aalisartut Piniartullu Kattuffiat (KNAPK), William E. Scott & Son, Association des chasseurs de phoques des Îles-de-la-Madeleine, Hatem Yavuz Deri Sanayi iç Ve Diș Ticaret Ltd Șirketi, Northeast Coast Sealers’ Co-Operative Society, Ltd (vertegenwoordigers: H. Viaene, avocat, J. Bouckaert, advocaat)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Raad van de Europese Unie, Europees Parlement
Conclusies
—
het bestreden arrest van het Gerecht vernietigen, verordening 1007/2009 (1) onwettig en ontoepasselijk verklaren krachtens artikel 277 VWEU en verordening 737/2010 (2) nietig verklaren krachtens artikel 263 VWEU, indien het Hof van oordeel is dat is voldaan aan alle vereisten om te beslissen over de grond van het beroep tot nietigverklaring van de bestreden verordening;
—
subsidiair het bestreden arrest vernietigen en de zaak terugwijzen naar het Gerecht;
—
de Europese Commissie verwijzen in de kosten van rekwiranten
Middelen en voornaamste argumenten
De hogere voorziening is gebaseerd op twee hoofdmiddelen: 1) onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de toepassing van artikel 95 EG-Verdrag en 2) onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de uitlegging en toepassing van fundamentele rechtsbeginselen.
Het eerste middel in hogere voorziening van rekwiranten stelt een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de beoordeling of op het relevante tijdstip was voldaan aan de voorwaarden om artikel 95 EG als rechtsgrondslag te gebruiken. Volgens rekwiranten moest ten tijde van het voorstel van de Commissie zijn voldaan aan de voorwaarden om artikel 95 EG als rechtsgrondslag te gebruiken. Voorts, aldus rekwiranten, kan niet in rechte worden verholpen aan het feit dat niet was voldaan aan de voorwaarden om artikel 95 EG als rechtsgrondslag te gebruiken. Rekwiranten stellen ook een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht het onjuiste criterium toepaste bij de beoordeling of de verschillen tussen de nationale bepalingen voor handel in zeehondenproducten zo groot waren dat zij konden rechtvaardigen dat de Uniewetgever op basis van artikel 95 EG optrad. Het Gerecht paste in het bestreden arrest een drempel toe op basis van het criterium dat de handel in de betrokken producten tussen de lidstaten niet te verwaarlozen is. In plaats daarvan gebruikt het Hof in zijn rechtspraak evenwel een volledig ander criterium, namelijk of een „vrij belangrijke” handel in een bepaald product tussen de lidstaten plaatsvindt.
Het tweede middel in hogere voorziening van rekwiranten stelt een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht alleen naar het Handvest verwees. Volgens rekwiranten ontslaat alleen het feit dat de bescherming van de EVRM-artikelen waarop rekwiranten zich beroepen, in Unierecht is geïmplementeerd door de artikelen 17, 7, 10 respectievelijk 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Gerecht niet van de verplichting om rekening te houden met de EVRM-bepalingen als algemene rechtsbeginselen. Rekwiranten stellen ook een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht commerciële belangen van de werkingssfeer van het eigendomsrecht heeft uitgesloten, de conclusie trok dat „de door het eigendomsrecht verleende waarborgen niet mogen worden uitgebreid tot de bescherming van louter commerciële belangen” en rekwiranten de garanties van artikel 1 van EVRM-protocol nr. 1 ontzegde. Rekwiranten stellen ook een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht de basisverordening niet onderzocht tegen de achtergrond van artikel 19 van de verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van inheemse volkeren. Gelet op het feit dat de Unie haar bevoegdheden met inachtneming van het volkenrecht moet uitoefenen en de basisverordening dus moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 19 van deze verklaring, moest het Gerecht nagaan of de EU-instellingen de vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van rekwiranten vóór de vaststelling van de basisverordening hadden verkregen.
(1) Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PB L 186, blz. 36)
(2) Verordening (EU) nr. 737/2010 van de Commissie van 10 augustus 2010 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handel in zeehondenproducten (PB L 216, blz. 1)
Full & Egal Universal Law Academy