26.10.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 313/9
Hogere voorziening ingesteld op 1 augustus 2013 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 17 mei 2013 in zaak T-146/09: Parker ITR Srl en Parker-Hannifin Corp/Commissie
(Zaak C-434/13 P)
2013/C 313/17
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: S. Noë, V. Bottka, R. Sauer, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Parker ITR Srl, Parker-Hannifin Corp
Conclusies
—
het arrest vernietigen voor zover het de beschikking nietig verklaart en de geldboete aanpast;
—
het bij het Gerecht ingestelde beroep in zijn geheel verwerpen;
—
de verzoekers in eerste aanleg verwijzen in alle kosten van deze procedure, alsmede in die van de procedure in eerste aanleg
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie baseert haar hogere voorziening op twee middelen en verzoekt het arrest gedeeltelijk te vernietigen voor zover het de beschikking in zaak COMP/39.406 — Marine Hoses nietig verklaart en de geldboete aanpast.
Volgens het eerste middel in hogere voorziening gaf het Gerecht blijk van een onjuiste rechtsopvatting doordat het enerzijds de rechtspraak inzake economische opvolging binnen een groep en anderzijds de rechtspraak inzake overdracht van aansprakelijkheid tussen opeenvolgende ondernemingen negeerde en incorrect toepaste. Door de overdracht van activa van ITR aan Parker ITR (toentertijd ITR Rubber) (binnen de Saia-groep) en de daaropvolgende aandelentransactie (overdracht van aandelen in Parker ITR van Saiag aan Parker-Hannifin) samen te behandelen neemt het Gerecht incorrect een overdracht van het inbreukmakende bedrijf binnen de groep van Saiag aan Parker-Hannifin aan. Het Gerecht vergist zich door economische continuïteit alleen als een mogelijke overdracht van aansprakelijkheid tussen de zelfstandige ondernemingen Saiag en Parker-Hannifin te beschouwen, daar daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat binnen de groep de opvolging reeds naar Parker ITR is gegaan. Zo gaat het Gerecht uit van subjectieve intenties, namelijk het feit dat de opneming van het bedrijf in olieslangen voor maritieme toepassingen in Parker ITR deel uitmaakte van een beoogde verkoop van de aandelen van die dochteronderneming aan een derde. Dergelijke voornemens van partijen verzetten zich evenwel niet tegen de toepassing van de rechtspraak inzake economische opvolging binnen de groep (arresten Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland A/S e.a., C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, Jurispr. blz. I-123; 11 december 2007, ETI, C-280/06, Jurispr. blz. I-10893; 13 juni 2013, Versalis SpA, C-511/11 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; arresten Gerecht van 27 september 2006, Jungbunzlauer, T-43/02, Jurispr. blz. II-3435; en 31 maart 2009, ArcelorMittal Luxembourg SA e.a., T-405/06, Jurispr. blz. II-789; en arrest Hof van 29 maart 2011, ArcelorMittal, C-201/09 P en C-216/09 P., Jurispr. blz. I-2239) volgens welke economische opvolging plaatsvindt op het tijdstip van een overdracht binnen de groep voor zover er „structurele banden” tussen de overdrager (hier: Saiag/ITR) en de overnemer (hier: Parker ITR) zijn. Bovendien verschilt een overdracht van activa juridisch van de overdracht van een rechtspersoon. In het laatste geval draagt de overgedragen entiteit verder haar eigen aansprakelijkheid voor alle inbreuken van vóór de overdracht, waaronder eventueel de aansprakelijkheid als economische opvolger voor activa die zijn overgedragen aan de entiteit op een tijdstip waarop zij nog deel uitmaakte van de inbreukmakende onderneming. Het feit dat andere juridische entiteiten in de onderneming ook aansprakelijk hadden kunnen worden gehouden (maar geen geldboete is opgelegd), is geen geldige reden om de overgedragen dochteronderneming Parker ITR uit te sluiten van de aansprakelijkheid als economische opvolger.
Volgens het tweede middel in hogere voorziening deed het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht uitspraak ultra petita en verlaagde het onterecht de voor de moederonderneming Parker Hannifin in de geldboete ten belope van 100 000 EUR in aanmerking genomen verlengde duur van de deelname. Parker-Hannifin (of Parker ITR) betwistte noch de werkelijke duur van haar deelname aan de inbreuk, noch de in de berekening van de geldboete in aanmerking genomen overeenkomstige factor duur. Hoewel Parker-Hannifin succesvol de verzwarende omstandigheid inzake „leadership” betwistte, waarvoor het Gerecht de geldboete aanpaste, geeft dit het Gerecht zelfs in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht niet de bevoegdheid tot wijziging van andere aspecten van de geldboete (hier: de factor duur), waartegen verzoekster geen bezwaar maakte.
Full & Egal Universal Law Academy