23.11.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 344/40
Hogere voorziening ingesteld op 6 augustus 2013 door Voss of Norway ASA tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 28 mei 2013 in zaak T-178/11, Voss of Norway ASA/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-445/13 P)
2013/C 344/70
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Voss of Norway ASA (vertegenwoordigers: F. Jacobacci, B La Tella, advocaten)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
het arrest van het Gerecht van 28 mei 2013 in zaak T-178/11 te vernietigen;
—
het BHIM te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Met haar hogere voorziening beoogt Voss of Norway ASA (hierna: „Voss”) vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 28 mei 2013 in zaak T-178/11(hierna: „litigieus arrest”), waarbij het Gerecht heeft verworpen het beroep van Voss tegen beslissing R 785/2010-1 van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 12 januari 2011 (hierna: „bestreden beslissing”), houdende toewijzing van de door Nordic Spirit AB ingestelde vordering tot nietigverklaring van het driedimensionale merk waarvan Voss op 3 december 2004 inschrijving als gemeenschapsmerk had verkregen.
De hogere voorziening is gebaseerd op de hiernavolgende middelen:
Eerste middel: in het litigieuze arrest is voorbij gegaan aan het tweede door Vos bij het Gerecht aangevoerde middel waarmee werd betoogd dat de bewijslast voor de kamer van beroep is omgekeerd .
Het Gerecht heeft niet onderzocht of de kamer van beroep blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de procedurele kwestie van de bewijslast. Een dergelijke grief is van bijzondere betekenis op het gebied van het communautaire merkenrecht. Deze omkering van de bewijslast — die indruist tegen de algemene rechtsbeginselen — zou aldus tot de kern van de relevante rechtspraak kunnen gaan behoren. Alleen al om die reden had de beslissing van de kamer van beroep moeten worden vernietigd. Hetzelfde geldt dan ook voor het arrest waartegen de onderhavige hogere voorziening is gericht.
Tweede middel: ook het Gerecht heeft de bewijslast omgekeerd.
Het Gerecht heeft de bewijslast eveneens verplaatst, aangezien deze uitsluitend diende te rusten op Nordic Spirit AB als de partij die nietigverklaring vorderde van een ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan zij de geldigheid betwistte. De bewijslast is echter bij Voss gelegd, van wie werd verlangd dat zij het bewijs leverde dat haar merk onderscheidend vermogen had. Het Gerecht heeft daartoe verwezen naar rechtspraak betreffende merkaanvragen — en niet-ingeschreven merken — waarvoor geen aanspraak kon worden gemaakt op het vermoeden van rechtmatigheid, zoals dat wel het geval is voor het driedimensionale merk van Vos. Dit levert een kennelijke schending op van de voorschriften betreffende het recht op een eerlijk proces, van artikel 99 van de merkenbasisverordening (1) en van regel 37, sub b-iv van de uitvoeringsverordening (2), welke schending op zich volstaat om de bestreden beslissing te vernietigen.
Derde middel: de normen en de in de betrokken sector gangbare praktijken zijn onjuist gedefinieerd, waardoor artikel 7, lid 1, sub b, van merkenbasisverordening is geschonden.
Het Gerecht heeft in punt 45 van het bestreden arrest terecht verklaard dat moest worden nagegaan of het betwiste merk op significante wijze afwijkt van de norm of van wat in de betrokken sector gangbaar is. Om te bepalen of een 3D-teken onderscheidend vermogen heeft, dient dus eerst en vooral „de norm in de betrokken sector” te worden onderzocht, waarna kan worden vastgesteld of een specifiek 3D- merk door de consument kan worden onderscheiden van dat van andere ondernemingen.
De wijze waarop het Gerecht een en ander heeft verricht, beantwoordt evenwel geenszins aan een grondige definitie van „de norm” in de betrokken drankensector. Om te beginnen zijn de door het Gerecht gedane vaststellingen betreffende hetgeen in die sector als norm wordt beschouwd, feitelijk onjuist (de verwijzing naar een onbestaand „cilindrisch lichaam”) en dermate vaag en algemeen dat geen enkel drankflesje ooit aan de — aldus toegepaste — criteria inzake onderscheidend vermogen zou beantwoorden (zelfs niet de befaamde Coca-Cola-fles, indien daartegen een vordering tot nietigverklaring zou worden ingediend). De nietigheidafdeling heeft de norm in de betrokken sector daarentegen wel correct gedefinieerd.
Verder heeft de kamer van beroep in punt 36 van beslissing R 2465/2011-2 van 1 februari 2012 (Freixenet/BHIM) aangegeven dat „noch de onderzoeker, noch de kamer van beroep documenten [hadden] overgelegd die aanduidingen bevatten betreffende de reële situatie op de markt op de dag van de aanvraag, en zij evenmin [hadden] verwezen naar concrete voorbeelden van identieke of soortgelijke flessen die in de betrokken sector gewoonlijk vóór bedoelde datum [werden] gebruikt. Dit verzuim [was] op zich een voldoende reden om het beroep toe te wijzen”. Bijgevolg heeft het Gerecht, door geen concrete voorbeelden te verstrekken van de gangbare norm in de sector, artikel 7, lid 1, sub b, van de merkenbasisverordening kennelijk geschonden.
Vierde middel: onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen van de vorm van de fles van Voss als merk — Schending van artikel 7, lid 1, sub b, van de merkenbasisverordening
Volgens vaste rechtspraak moet het onderscheidend vermogen van een merk globaal worden beoordeeld en kan de beoordeling van elk van de bestanddelen ervan enkel bijdragen daartoe, zonder dat zij die globale beoordeling kan vervangen. In het litigieuze arrest heeft het Gerecht evenwel louter elk individueel onderdeel als zodanig beoordeeld, en niet het merk als geheel.
Derhalve heeft het Gerecht bij zijn beoordeling van het onderscheidend vermogen van het merk blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het geen rekening heeft gehouden — zoals het had moeten doen — met de totaalindruk die dit merk wekt, en heeft het dat merk ten onrechte opgesplitst in de afzonderlijke bestanddelen ervan, die het dan elk als min of meer oorspronkelijk heeft bevonden.
Vijfde middel: kennelijk onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal doordat het 3D-teken met een tweedimensionaal element is vergeleken en doordat de normen en gebruiken in de betrokken sector onjuist zijn geïdentificeerd
Beide vaststellingen:„het overgrote deel van de flessen die op de markt worden aangetroffen, hebben een cilindrisch lichaam” en„er bestaan flessen in alle soorten vormen en maten”, waren volstrekt onnauwkeurig en zijn niettemin door het Gerecht expliciet of impliciet bevestigd teneinde het verzoek om vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep te kunnen afwijzen, waardoor het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Zesde middel: de beslissing van het Gerecht belet in wezen dat 3D-merken worden ingeschreven, hetgeen schending oplevert van artikel 7, lid 1, sub b, juncto artikel 4 van de merkenbasisverordening
Uit de door het Gerecht gevolgde redenering volgt dat het voor een productverpakking in wezen onmogelijk wordt om, zowel als product in zijn geheel als wat de afzonderlijke bestanddelen ervan betreft, onderscheidend vermogen te hebben. In de praktijk leidt dit ertoe dat geen enkele warenverpakking nog kan voldoen aan het vereiste van onderscheidend vermogen zoals dit in het litigieuze arrest is vastgesteld, in strijd met de doelstelling van de merkenbasisverordening.
(1) Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1994 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 11, blz. 1), vervangen door verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB L 303, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy